|
TESTBEMANNING DEEL 10: DE PARASIET Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 03/12/1961 (herhaling: woensdag 21/06/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - ir. Reitsema: Wam Heskes ([2]) - Gerda: Irene Poorter ([3]) - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6]) - Huub, navigator: Frans Somers ([7]) - Els: Nora Boerman ([8]) - coördinator: Jo Nobel ([9]) technische gegevens: 35'19" - 24,2 MB - mp3
Reitsema: Wat kan het toch verkeren, Gerda. En we hadden de Alpha opgegeven! Maar ja, tot we drie weken geleden de eerste zwakke morseseinen weer ontvingen. Gerda: Ja... Reitsema: Ze bleken niet op de zon gevallen en zelfs intact. En nou hebben we alweer het zoveelste communiqué. D’r is niets verontrustends meer voorgevallen. We weten eigenlijk al niet goed wat we moeten schrijven. Gerda: (lachje) Goh, wat een geluk dat ze... dat ze ‘t werk aan het hulpmissiel niet hebben stopgezet, meneer Reitsema. Reitsema: Ja, dat zeker. De volgende morgen kon het de lucht in en het is nu bezig de Alpha met een verschil van 200 km per seconde in te halen. Nog tien dagen, ja, dan zal het erom spannen of het dicht genoeg in de buurt komt. Gerda: Joost Ros heeft dus nog tien dagen de tijd om al die puzzels op te lossen. Reitsema: Ja, die helse machine, die maniak. Gerda: Dat zou je nog normaal kunnen noemen, maar voor ze de zon langs gingen, zijn er wel hele rare dingen gebeurd. Reitsema: Inderdaad. Gerda: Ze lagen bewusteloos… Reitsema: Mm. Gerda: …en de versnelling werd hoger en hoger, en toch was er iemand overeind om die regelaar terug te draaien. Reitsema: Ja... Gerda: Zou het de captain toch zijn gelukt om nog bij te komen? Reitsema: Ja, maar waarom stopte die dan de motor niet? Gerda: Ja... Reitsema: Nu werd alle stuwstof verspild, waardoor het schip bijna op de zon viel. Gerda: Dus, dan zou ie het zelf moeten zijn die... Reitsema: Ja, stellig, Gerda. Als we maar niet zaten met dat tweede raadsel: diezelfde onbekende heeft Els bij de enorme stuwdruk opgetild en in d’r veerstoel gezet. Nou, bij 5G moet Ros 375 kg hebben gewogen en Els, die 300 woog, daarbij nog hebben opgetild. Gerda: Tja... Reitsema: Nou, dat kan geen menselijk wezen presteren, ook Ros niet. Gerda: ‘t Lijkt eigenlijk wel of er behalve die misdadiger nog een ander, een onzichtbaar iemand in het schip huist, die ze probeert te helpen. Zoiets als een... Reitsema: Afijn, het is al over 22. De scribiteur, Gerda. Gerda: Hij draait al. Reitsema: Goed. (schakelt in) “Zondagavond 17 juli. De Alpha verwijdert zich nog steeds van het vlak der ecliptica onder een scherpe helling van 56 graden zuidwaarts en is nu op een diepte - om het zo eens te formuleren - van 550 miljoen kilometer. Ik veronderstel dat op dit ogenblik het ook in de Alpha, waar men onze tijdsindeling aanhoudt, nacht is, maar dat niettemin twee waakzame wachten om beurten de ronde doen...”
Els: Huub! Huub: ...Nee, de rotatietheorie van Einstein klopt hiermee niet, dus we moeten zoeken in het equivalentieprincipe dat ie als grondpostulaat gebruikte. Els: Dat moet nou een nachtwacht voorstellen! Hij hoort niks, die Huub. Wacht maar ‘ns even... Huub: De veldtheorie geeft “F = graviteitsconstante x het quotiënt van massa x...” Els: Wacht maar ‘ns... Huub: “...gedeeld door...” Els: Nou heb ik je! Huub: Hè!? Els: Lelijke saboteur. Huub: Oh eh… Els, doe je handen van m’n ogen, ik kan niks zien zo. Els: Zo! Huub: Waar kom jij vandaan? Els: O, ik kon niet slapen en jij zat hier zo eenzaam. Huub: En rustig! Els: Ja, heerlijk gezellig met je sommetjes. Wat staat daar nou eigenlijk? Eh... “bikst = lambda”. Zo heet die letter toch, hè? Huub: Mm. Els: Eh… “gedeeld door 3”. (lacht) Wacht even... “[gik - chis]. Wat is dat voor algebra? Huub: ‘n Stuk van tensorrekening, door Riemann-Christoffel. Els: Iets nieuws? Huub: Nee, meer dan een eeuw oud. Einstein ging ervan uit bij het opstellen van z’n veldtheorie. Els: En zo zit jij dus bij een klein lichtje op wacht? Je hoort niks en je ziet niets. Ik denk soms wel ‘ns dat je zelfs mij niet eens ziet. Huub: (lachje) Zo is het nou ook weer niet. Maar die wacht is toch onzin. Waarvoor? Els: Waarvoor? Wie weet dat er hier ‘s nachts door het schip sluipt? Huub: Jij, bijvoorbeeld. Els: Ach, flauwerd! Maar toch... toch heb ik de laatste weken wel ‘ns gedacht aan die keer toen de motoren aan stonden en ik niet meer in m’n stoel kon komen. Iemand heeft me d’r in gezet, Huub, iemand die over ons waakt. Tegen die andere, die probeert ons te nekken. Gek dat we al een tijd niets meer van… van dat alles hebben gemerkt, hè? Huub: Als zich hier een saboteur onder ons verbergt, zullen we d’r over een dag of tien pas iets van merken. Els: Heb je dan een afspraakje met ‘m soms? Huub: Nee, wij met het missiel… Els: Oh! Huub: ...om jouw onwetenschappelijke formulering aan te houden. Dat hulpmissiel met stuwstof is vitaal en onze laatste hoop. Donderdagnacht 27 juli is dus het kritieke uur waarop ik verwacht dat er wat gebeuren zal. Els: Oh, ik... ik hoop zo dat… dat alles goed gaat. Huub: ‘t Komt alles toch zoals het komt, Els. Els: Waarom zit jij nou nooit in angst? Huub: Angst? Die heeft geen nut. Wij moeten ons allemaal afschrijven. Ja, Els, ik ook, en de velen na ons die zich zullen wagen in de kosmische ruimte. Kijk, daarboven op het panoramascherm... Els: Ja? Huub: Zie je dat lichtvlekje tussen al die rooie, groene en blauwe sterren? Els: Dat is toch niet Saturnus? Huub: Nee, ‘t is een gebeurtenis in het sterrenbeeld de Zwaan. Els: Oh... Huub: Daar, Els, zijn twee eilandheelallen, elk zo groot als onze Melkweg, sinds duizenden jaren bezig door elkander heen te trekken, de ene ellipsoïde van miljarden sterren door de andere... Een botsing van Melkwegstelsels! Daar gaat het leven uit en aan, en weer uit, als een kaarsvlam. Zonnen exploderen, planeten worden weggevaagd. Het leven in de kosmos, Elsje, is gebalanceerd op het scherp van een zwaard. Hier komen wij middenin. Daarom zei ik: we zijn afgeschreven. Els: Denk je... dat we nooit terugkomen, veilig? Huub: Natuurlijk komen we niet terug. Els: Maar... je weet dat zo zeker, Huub? Huub: Omdat het logisch is. Els: Ja, maar waarom… waarom ben je dan gegaan? Je... je had een ideaal, of zo? Huub: Een ideaal? Ik? Welnee! Els: Ja, waarom dan? Huub: Alles kwam misschien door die eh... rekenschijf. Els: (lacht) Huub: Ja ja, werkelijk, een rekenschijf. Als jongen op de JS, de Juniorenschool in Utrecht, ik was negen jaar, nee, negen en een half, was ik zo onverstandig ermee op te scheppen. Ja, maar toen moest ik het waarmaken en als je eenmaal met wiskunde begint, hè… Els, het is de mooiste, de zuiverste wetenschap! Je kunt doordringen waar het zo geroemde menselijk voorstellingsvermogen ver te kort schiet. Bijvoorbeeld in het multidimensionale heelal. Els: Ja, maar... dat... Huub: Meerdimensionaliteit Els, parallelwerelden. Onze driedimensionale wereld is een voor ons oog begrijpelijk getekend vlakje van een onmetelijk verheven schepping, van een superwereld met zes dimensies. En zoals bijvoorbeeld een kubus theoretisch in een oneindig aantal parallelvlakken kan worden gesplitst, kan men deze superwereld opsplitsen in een oneindig aantal parallelle werelden, waar wij ook zijn, maar andere dingen doen. In zo’n parallelwereld, Els, kan deze Alpha ook bestaan, met bijvoorbeeld alleen Joost aan boord; in een andere weer kan op ditzelfde ogenblik een identieke Alpha voortdrijven alleen met Dirk en Jaap, en, ten slotte... Els: O, ik zag het aankomen: en een wereld zeker met een Alpha met alleen jou en mij? Nietwaar, Huubje? Huub: Nou ja, ja. Els: Eigenlijk ben je helemaal niet zo saai! Dus, dan heb je toch fantasie genoeg om... Huub: Om wat? Ga door? Els: Oooh... Oh… Nou, ik heb eens een boek gelezen waarin een knappe wiskundige man hoogmoedswaanzin kreeg en... de mensheid trachtte te... te... Nou ja... Ik dacht... Huub: Dat ik in diezelfde categorie viel? En wie heeft je die onzin ingeblazen, Els? Els: Mij? Maar Huub! Huub: Wie? (schamper lachje) ‘k Zou zeggen: Dirk. Je bent nogal erg met ‘m, hè, de laatste weken? Els: Ben je daar zo zeker van, Huubje? Ga ik naar Dirk als ik niet slapen kan? Huub: O! Ja, als het zo zit... Kijk, Elsje, in vertrouwen: Dirk is een vreemde man. Ik kan trouwens al die overkokende lui moeilijk volgen. Maar als hij iemand zou zoeken als... als zondebok, dan moet ie logisch op mij uitkomen. Els: Dirk? Op jou? O nee! Huub: O ja. En wel hierom: omdat Dirk een praktijkman is. Theorie is ‘m veel te hoog, te abstract. Hij moet wel denken dat een theoreticus in de lucht wandelt, gestoord moet zijn. Els: Nou. Huub: Zeg ‘ns, Els… Els: Mm? Huub: Ben ik gestoord? Denk je dat eerlijk? Els: Hoe kan ik dat nou denken, Huubje, als je m’n hand vasthoudt? Huub: Je hebt zo’n kleine, aardige hand, Elsje. Moet ik die nou heus loslaten? Dirk: Ja, dat zou ik toch maar doen, Huub. Els: Hé, Dirk, waar kom jij vandaan? Huub: Zo, ben je daar eindelijk weer? Dirk: Ik ben altijd net waar ik zijn moet. Els: O ja, jullie hadden samen wacht, hè? Dirk: Altijd met z’n tweeën. Kan er niks gebeuren. Els: Nou, Huub is anders een waker van de kouwe grond. Hij hoorde me niet eens aankomen. En ik riep ‘m nog. Dirk: Voor wat? Els: Om ‘m te troosten, omdat ie zo alleen zat. Is ’t zo goed? Dirk: Huub heeft genoeg aan z’n rebussen. Huub: ‘t Zijn geen rebussen, Dirk. Probleem is het woord. Dirk: Ha, die kolder? Geef mij maar de praktijk. Huub: Je bent nogal lang weggebleven. Ik vraag me af voor welk soort praktijk... Dirk: Welk so... Da’s mijn zaak. Els: Wat ben je onaardig, Dirk. Huub bijt je echt niet. Dirk: Moet ie zich niet met m’n zaken bemoeien! Huub: Misschien kunnen ze interessant zijn. Je verdwijnt wel meer, Dirk. Je sluipt rond door het schip zonder iets te zeggen. Ja, niet dat het me aangaat... Dirk: Nee, dat zeker niet. Huub: …maar als wetenschappelijk man mag ik er toch belang in stellen? Je bent ook al ‘ns beneden aan de werkbank bezig geweest, met onderdelen van de klassieke set. Els: Ja, Dirk, ‘t is waar. Je loopt de laatste weken - ja, sinds we langs die zon zijn gekomen - rond met een erg zwart en geheimzinnig gezicht. Dirk: Daar heb ik zo m’n reden voor. Els: Ach, Huub, misschien loopt Dirk ergens over te piekeren. Huub: O, wacht! Ja. Hij kan nog steeds dat zogenaamde dwaallicht niet vinden, mm? Als ik er logisch over nadenk, geeft zo’n fantasie iemand een mooie gelegenheid overal rond te sluipen, op alle uren, wel? Dirk: Het dwaallicht bestaat, zeg ik je. Ik heb het niet verzonnen. ‘t Is een elektrisch verschijnsel. Huub: Ik prefereer bewezen stellingen, geen fantasieën. Dirk: (lachje) Als ik jou zou zeggen wat ik van jou denk, hè, jij uitgedroogde formule... Huub: Overbodig, het is me al bekend. Dirk: O! O, dus hier werd gekletst? Huub: Exact juist, in beide gevallen door jou. Dirk: Zo. Ik mag niks zeggen, hè, en ik mag niks denken. Maar… maar met één van jullie, hè, met één van jullie is het niet in orde... Met jou, of met Jaap, zelfs met Joost. Joost is ook niet helemaal de man die hij lijkt. Hij gaat rond, hij doet z’n werk, hij is plezierig, maar... maar iets moert ‘m van binnen, en... en wie weet wat? Els: Ik denk dat ik dat wel weet. Dirk: Zo? En wat dan wel? Els: Ik ben tenminste geen kletskous. O nee... Huub: Misschien alleen zorg. Maar hoe je ook zoekt en draait, Dirk, dat elektrische verschijnsel - als het al bestaat - kan mijn werk niet zijn. Dirk: Het bestaat! Ik heb het gevolgd, daarstraks, door het hele schip. Langs de buizen, langs de wand. Als je ‘t... als je ‘t licht uitdoet, dan... Huub: Ah! Dirk: Wat ah? Els: Huub, je bent akelig onromantisch. Dirk zal je toch niet opeten. Of moet ik z’n handjes vasthouden? Huub: Nou, goed dan. Wanneer zal ik ‘ns rustig kunnen werken. Dirk: Zo. (knipt het licht uit) Kijk nou goed. Kijk heel goed, stuk puimsteen! Huub: Ik zie niks. Dirk: Nee, je moet je ogen laten wennen. Els: Ja! Ja, Huub! Daar boven. Huub: ‘t Is nog waar ook... en het beweegt! Wat is dat voor een glimlicht? Dirk: Ja ja... Wat is het? Ik zag het voor het eerst een paar weken geleden. Het bewoog over het metaal van m’n sectiebord. Kijk! Kijk! Daar gaat het... langs de monitors van Joost. Over die chassis. Els: Wat leuk zeg! O, het is groenig... het lijkt op dat-dat-dat dat naar lichtende spul. Huub: Waar het op lijkt, dat is secundair. Primair blijft de vraag wat het is. Dirk: Ik denk een groep elektronen, die een eigen bestaan leidt. Huub: Dat herinnert me aan die elektronenwolk uit de zon waardoorheen we gekomen zijn. Een wolk elektronen georganiseerd als complexe moleculen. Dirk: Dus we hebben dit glimding binnen gekregen toen we door die wolk kwamen? Huub: Maar hoe dan? Onze buitenhuid is ondoordringbaar. Ze straalt alles terug. Dirk: Je vergeet die strip materiaal die eraf geschoren is door die meteorietenzwerm. Huub: Quod erat demonstrandum! Verdikkeme!... Dirk: Dat ding dat daar zo glipt en glijdt zou dan... zou dan een restje moeten zijn van die grote wolk? Els: O, het is fantastisch. Net een klein levend glimwezentje uit… uit een sprookje. Dirk: Op elektronisch gebied zitten daar fantastische mogelijkheden in. Els: O kijk nou ‘ns hoe aardig, Huub! Het snuffelt rond tussen die rare toetsen van... van je rekenbrein. Huub: Zeg, het zit op m’n calculeur. Straks verdwijnt het in m’n elektrobrein! Els: Z’n elektrobrein... Huub: Wie weet wat die in de technetroncellen aanricht! Els: O, Huub wordt helemaal opgewonden. Dirk: Het ding komt er weer uit! Huub: Ga weg, ding! Dirk: O, de spanning is ongevaarlijk. Nog geen microvolt. De eerste nacht, nadat we de zon om waren, dan heb ik het gezien. Het was vrij lichtend. Het verdween in het motordek, natuurlijk aangetrokken door het wisselveld van het energiescherm. Pas een paar etmalen geleden zag ik het terug. Het was al erg verzwakt en bij gewoon licht zie je ‘t al niet eens meer. Els: Wat zielig. Het sterft net als die grote wolk. Maar... waardoor? Huub: Sterven? Gebruik geen antropomorfisme, Elsje. Het verliest alleen zijn georganiseerde samenhang. Ik denk door de te lage temperatuur. Dirk: ‘t Is tenslotte aan 7000 graden gewend. Els: Nou, ik vind ‘t echt zielig. O, kijk! Het loopt langs de buis van je stoel en het kan niks vinden waar het wat aan heeft. Misschien wil die op m’n hand gaan zitten. Dirk: Nee, da’s onzin. Metaal is het enige wat ‘m geleidt. Els: Maar niet heus! Kijk ‘ns! M’n vingers in ‘t donker. O, het geeft licht! O zeg! Jaap: Hé zeg, wat mot dat hier? Een apartje in het hartstikke donker? Wat ’s dat voor een vinger in de lucht? Mene tekel Ufarsin[10] of zo? Els: Ja, ‘t was toch waar... van dat dwaallicht van Dirk. Kijk, ik heb ‘m gevangen op m’n vingers. Zie je nou wel? Dirk vertelt niet zomaar iets. Dirk: Als we dat ‘ns konden doen: een combinatie van een elektrobrein met... met zo’n ding. Horvath heeft daar niet bij stilgestaan. Nee, nee, dat heeft ie niet! Huub: Misschien omdat Horvath niet zo’n gestructureerde formatie kon creëren. Hij niet, Dirk. Dirk: En ik evenmin! Ik ontvang prima, Huub. Jaap: Ai, die stoot kwam wel een beetje al te hard beneden de gordel. Huub: Wel, dan antwoord ik precies met wat Dirk daarstraks tegen mij zei: met iemand van ons is het niet in orde. Er zijn hier in de Alpha merkwaardige dingen gebeurd en het onderhavige ligt uitsluitend op Dirks terrein. Els: Hè, Huub, wat ben je toch kwaaddenkend. En akelig. Nou, kijk nou ‘ns, hoe leuk m’n hand ervan glimt, en... en m’n pols. ‘t Doet geen mens kwaad. Huub: Dat hoop ik. Probeer er de Geigerteller ‘ns op. Dirk: Da’s overbodig! Huub: Toch maar doen, Dirk. Jaap: Ja, nou ja, natuurlijk, baat het niet, dan schaadt het niet. Dirk: Maar als ik je nou... nou ja, jullie je lol... Hier! (schakelt in) Nou, nou, zie je? Nog minder dan normaal op de aarde. Jaap: Hou het ‘ns een beetje dichterbij, Dirk. Els: O! ‘t Is weg! Dirk: Nee... nee, dat kan niet! Jaap: Hoe weet jij dat zo direct, Dirk? Els: Ja, maar dat kun je toch zelf ook zien. Dirk: Wat nou, wacht even. Huub: Waar ga je heen? Jaap: Nou, Dirk gaat ‘m halen. Zoek-zoek-zoek-zoek-zoek, waar is Fikkie? Dirk: Luister, luister en dan zal je meteen overtuigd zijn, want dat ding zendt nog steeds uit, zo heb ik ‘m al die tijd op de koptelefoon kunnen horen. (schakelt in) Jaap: Hé, dat geluid is in wezen hetzelfde als dat van de wolk! Alleen - ja, raar het zo te zeggen - maar... ik moet denken aan een... een vies klein sluipbeest dat een prooi zoekt. Dirk: Ach... je kunt overal van alles in horen. (schakelt uit) Da’s vooroordeel. Joost: Zeg eh… wat moeten jullie hier allemaal in ‘t donker. D’r is toch niks gebeurd? Els! Els? Els: Ja, Joost, heus, ik ben er nog, hoor. Joost: Nee... je gezicht! Het is... het is lichtgevend. Jaap: (lacht) Warempel, Els’ koppetje als Chinese lantaarn! (lacht) Els: O! Zit ie op m’n gezicht? Joost: Ja, maar… maar wat is het? Jaap: Nou, we hebben dat eh... dat dwaallicht te pakken. Joost: Ja, maar je gezicht, Els! Je geeft... je geeft groen licht. Het is... huiveringwekkend. Els: Hè, bederf het nou niet voor me, Joost. Je hebt hier toch al niet een spiegel. Joost: Goed, maar waar... waar komt dat schijnsel nu vandaan? Dirk: We hebben een restantje aan boord van die elektronenwolk van laatst, Joost. ‘k Zat er al een tijdje achterheen. Els heeft ‘m gevangen op haar hand. Jaap: Joost... Joost! Het licht verandert! Joost: Haar gezicht verandert... Huub: In... in een röntgenfoto? Dat is niet in orde. Els: Laat me nou ‘ns zien! Hè, toe... Hebben jullie nou niet iets van een spiegel of zo? Joost: Het licht trekt naar binnen! Je... je ziet de jukbeenderen! De schedel! Jaap: Als een doodshoofd!... Els: Hè, luister nou naar me! Ik kan d’r zo niks van zien. Jaap: Nou eh… mooi is anders. Huub: Dat is geen kwestie van al of niet mooi, Jaap, maar van leven of dood. Dit wezen zendt harde straling uit en het trekt zich op de hersenen terug. Joost: Jaap! Jaap: Ja? Joost: Maak licht! (Jaap knipt het aan) Dirk, de geigerteller. Kom hier, Els. Els: Ja, maar… maar wat willen jullie nou? Joost: Doe wat ik je zeg. Els: Hè, laat me nou, Joost. Ik voel me toch al zo licht in m’n hoofd. Joost: Stil! (getik van de teller) Daar! Harde straling. Dirk: Joost! Joost, daarstraks was er niets! Ik… ik begrijp niet wat het is. Huub: Maar Joost en ik wel, Dirk. Ik heb nog niemand z’n nek willen omdraaien, maar als jij niet gauw dat creatuur van jou opruimt, dan sta ik nergens meer voor in. Joost: Huub, wat bedoel je? Huub: Dat we hier een verbeterde Joseph Horvath onder ons hebben. Hier zo, (schakelt in) geen restje van de elektronenwolk, maar een kopie! Hoor maar ‘ns! (geluid) Els: Ik... ik voel me zo… zo raar. Ik geloof dat... ik koorts heb... Wat is dat afschuwelijke geluid? Dirk: Dat... dat is dat ding. Maar niet van mij, ik heb het niet gemaakt! Je bent gek, Huub. Ga van de set vandaan, of zet ‘m zachter. Els: Joost... hij zit in me, van binnen, alsof ie aan me knaagt. Ik voel het. Joost, Huub, help me! Help me, alsjeblieft. Dirk: Geloof me! Je moet me geloven, Els. Elsje, ik heb dat ding niet gemaakt. Al weken... Jaap: Ja, al weken sluip je door het schip, vader, hè. Huub en ik hielden je in de gaten. Beneden, met transistors, koperdraden, solderen! Ik wist dat je wat aan het uitdokteren was. Joost: Hou op, jullie! Voor Dirk sta ik in. Order: Els naar het woondek. Isoleer ‘r op haar bed. Jaap, jij assisteert Dirk in alles wat ie nodig heeft om deze parasiet de baas te worden. Vraag eventueel assistentie aan de coördinator. Dirk: Goed. Els, kind, ik zal je gelijk naar beneden brengen. Jaap: Als je dat maar laat. Huub: Je hebt nu al genoeg gedaan, Dirk. Ik zal zelf wel voor d’r zorgen. Dirk: Jij? Jij blijft van d’r af. Joost: Zeg, zijn jullie nou allemaal doof geworden? Terwijl dat kind kapot gaat. Ieder heeft z’n opdracht. Ik breng intussen Els naar beneden. Hurry up! Els: Joost!... Joost! Joost: Kom, Elsje, kom maar. Kom maar hier, ik... Zo... Ik hou je goed vast. Stil maar. Stil maar, liefje, stil maar. Ik hou je heus heel goed vast, zodat je nergens tegenaan stoot. Zo... De doorgang... Zo... voorzichtig op bed… Je gloeit helemaal, liefje. Els: (hijgt) Hij zit in m’n hoofd, weet wat ik denk, wat ik voel. Ga weg! Ga weg jij! ‘k Heb zo weinig, zo weinig... Hij zegt dat ie blijft, dat ik toch ben afgeschreven. Hij hoort hier, ik niet. Joost: Stil nou, stil nou, liefje. Els: Ik kom nooit terug, nooit terug. Hij weet het. Joost: Nee, nee, hou vol, verzet je! Els, hoor je me? Verzet je, je moet willen! Els: Hij zegt: “‘t Lukt toch niet, ‘t lukt niemand, jullie beurt komt... komt ook, ook als met mij.” Als ie met mij klaar is, als ie veel sterker is… Hij zegt dat... dat jullie... eh... eh… Joost: Els! Els!! Hoor je me? O, Els, ik… ik had van je kunnen houden! Ik... ik wilde het, Els. Dirk: Ga ‘ns uit de weg, Joost. Wat? Is... is...? Joost: Jullie zijn te laat. Dirk: Joost! Ze is... ze is dood? Jaap? Jaap: Dood, nee. Nee nee. Ze is bewusteloos. Dirk, probeer dat ding, vlug vlug vlug. Dirk: Waar? Waar? Waar? D’r voorhoofd? Jaap: Nee, liever bij de schedelbasis. Dirk: De schedelbasis? Jaap: Achterkant, achterkant! Dirk: Ja, plug in ‘t contact. Tien seconden om de condendensatorplaten op te laden. Ik was al dagen aan zoiets bezig om ‘t… om ‘t ding ermee te vangen. Een groep negatieve elektronen kun je vasthouden aan een positieve elektrode, maar ik vrees dat... Huub: Met jouw vrees nemen we geen genoegen, als je dat maar weet. Dirk: Ach, jij kan verrekken! Zet de speaker aan. Horen we hoe die reageert. Huub: Hier, meneer... (schakelt in) Kun je resultaten horen. (geluid) Dirk: Nu... Els: (verwarde geluidjes) Dirk: Toe, toe, hou d’r vast! D’r hoofd, hou vast! Jaap: Stop! Joost, zeg dat ie stopt! Stuiptrekkingen. Straks gaat ze in coma! Joost: De parasiet! Hij vermoordt ‘r, Dirk! Hou op! Ophouden, zeg ik je! Dirk: Nee, nee, ‘t helpt niet, ik was er al bang voor. (gemor) Joost: Stil nou, stil nou jullie, laten we nadenken, laten we nadenken. Elektronen hebben negatieve lading. Hoe kunnen ze weerstand bieden aan… aan zo sterke positieve? Dirk: Omdat deze parasiet is georganiseerd. Hij heeft een structuur. Hij… hij zou niet bij mekaar blijven zonder positronen erbij. Vandaar die gammastraling op... Ha, ik... ik weet het niet!! Snap dat nou toch!! Maar…maar… die elektrode pakt hem toch aan! Jaap: Ik wed dat ie liever naar een andere gastheer was verhuisd. Joost: Els zei dat... dat wij ook aan de beurt kwamen, later, als ie sterker was. Huub: Iemand van ons zou ‘m over kunnen nemen. Joost: Goed. Dirk probeert het nog een keer met de elektrode... Eén van ons brengt zijn gezicht... Huub: We geven het creatuur zo een ontsnappingsroute. Maar… naar wie van ons? Joost: Naar mij, Huub. Huub: Wat? Joost: Ik... ik zal ‘m proberen over te nemen. Misschien kan ie me nog geen kwaad doen. Jaap: Joost! Jij wilt ‘m op je laten overgaan? Huub: Jaap heeft gelijk, dat kan niet, jij bent de captain. Joost: Iemand moet het doen. Dirk, neem de elektrode. Dirk: Nee. Joost: Dit is een order, Dirk. Dirk: Naar de bliksem met je order! Het is toch mijn schuld. Ik ben toch verantwoordelijk, zeggen Huub en Jaap? Dan zal ik dat ding zelf van d’r overnemen. Jaap, hier is de elektrode. Je weet nu hoe het moet. Laat horen die speaker! Jaap: Dirk, maar... jongen! Dat... Huub: Hij wil het toch zelf, Jaap? Logische oplossing. Joost: Ja, goed, maar begin dan in ’s hemelsnaam! Hoor toch ‘ns dat... dat ding dat scheurt ‘r hersens kapot. Jaap: Ja! Contact! Schiet op, Dirk!! Nou, ben je bang? Voor zo’n kusje? Dirk: Nee! nee, ik ben... Els: (steeds zachter worden geluidjes) Jaap: Ja. Ja, het lukt... Joost: Ze ligt stil, doodstil, Jaap. Jaap: Nee. Nee, d’r pols is er nog. Hé, Dirk, hé, hé, kun je niet meer ophouden? Wacht, jongens, pas op, Dirk gaat van de sokken. Het is op hem overgeslagen. Dirk: Ja... nee... nee, ik heb... euuuh... ik... ik heb niks! Ik... ik voelde ‘m gaan! Joost: Ja! Daar is het ding, daar, langs de vloer, over de luchtsluis. Dirk: Hij... hij moest mij niet... niet hebben. Huub: Kende zeker z’n meester. Joost: Schei uit, Huub. Huub: Nou ja, overigens, zijn lichtgevende kracht is toegenomen. We zien ‘m nu in het volle licht. Joost: Als een flits schiet ie heen en weer. Dirk: Ik... ik snap er niets van. Ik had ‘m nou toch moeten hebben. Jaap: (lachje) Je elektro-encefalogram zat vol met pieken. Je was ook zo opgewonden! Dirk z’n eerste publieke kus. Wat een situatie. Dirk: Als jij, Jaap, hierover één woord tegen d’r zegt... Als jij het lef hebt...! Jaap: Over jouw lange therapeutische kus? Joost: Jaap, hou op! Huub: Het contact via de lippen was tenslotte het meest effectief. Jaap: Ja, dat geloof ik ook, ja! Joost: Goed goed goed, maar laat niemand het in z’n hersens halen daarover te kletsen. Zet die speaker af. (Jaap schakelt uit) Els: (zucht) Joost: Ze komt bij. Els: Hé... nou... nou staan jullie alweer om me heen. Ik... ik voel mij zo... Hè... het ding is weg! En ik leef nog! Door jullie... Jaap: Ja. Zo zie je, kind, hoe je ‘t hier met ons hebt getroffen. Huub: We zijn nog niet van de parasiet af. Daar boven zit ie, op ons te loeren. Els: Oh... hij is helemaal... helder, hij glinstert als... als chroom. Ho, bedankt, jullie allemaal, en… en natuurlijk de coördinator. Waar... waar is ie? Jaap: Beneden. Dit keer hebben wij het ‘ns zelf gefikst. Dirk heeft een methode uitgevonden... Dirk: Jaap! Jaap: Nou zei ik soms wat? Dirk: Nee. Jaap: Oh! Dirk: ‘t Is maar dat je ‘t weet. Nou, ga ik nou naar beneden, zien dat ik dit mirakel op een andere manier vang. Jaap: Ja, maar ditmaal voel ik me geroepen om met jou mee te gaan, Dirk. Als jij, Joost, haar nou geïsoleerd houdt, want ze mag niet van d’r bed, onder geen voorwaarde. En raak d’r vooral niet aan. Die parasiet zit daarginds te loeren op zijn kans om weer in jou terug te komen. Els: Zo. Ze zijn weg... Joost: Ja... Hoe gaat het nu, kindje? Elsje? Els: Ik ben zo moe in m’n hoofd. Hier... Joost: Ach, lief kind. Els: Ik eh... ik wou je wat vragen, Joost. Joost: Wat, liefje? Els: Ik eh... heb een idee... Gek misschien... Eén van jullie heeft me... gezoend, niet? Joost: Hoe... hoe kom je daar zo... zo bij? Els: Maar ‘t is zo, hè? Joost: Nou ja, het was nodig om... om de parasiet van je te kunnen overnemen. Els: Overnemen? Joost! Wie? Wie van jullie was het? Huub, Joost? Huub? O, o Jaap dan. O, dan weet ik het wel: Dirk. Was het Dirk, Joost? Joost? Joost: Nee, Els. Els: Ach... Joost! Goh, lieve Joost, jij was het! O, foei, de captain zelf. (Joost kucht) Ik eh... ik ben benieuwd of we deze scène met het forum zullen moeten... herhalen. Joost: In vredesnaam, Els... Els: O nee, zoet maar, je bent een lieverd. Alleen eh… zie je, spijt me één ding. Joost: ja? Els: Dat ik er... de eerste keer... niet zoveel van gemerkt heb, hè? Joost: Eh… je bedoelt... Eh... ach, Elsje... Nou ja... Daar dan. Els: Huh... oh... nee, Joost... Oh toe, Joost. Dirk: Als u even tijd hebt, captain, kom dan ‘ns beneden! Els: Joost! Dirk... hij… hij heeft alles gehoord Joost: Als je mij wilt oproepen, zet dan je viso d’r bij aan! Begrepen, Dirk? Dirk: Waarom? Over de foon hoorde ik al genoeg. We zijn hier bezig met een grotere uitvoering van die eerste extractor, en wat jij er van dacht. Joost: Ja, dan kom ik. (schakelt uit) Elsje, nu moet ik weg. Els: O, Joost! Joost... Joost... Joost: Els, kind, wat heb je zo ineens? Els: De parasiet, Joost, hij is terug! Terug, over jou! Joost: Els! Wat... wat heb ik gedaan? Els: Hij is razend dol, hij... hij had niets aan jullie. Oh! oh... ik hou dat niet uit. Joost, wat ga je doen? Ga je weg, Joost? Nee! Laat me niet alleen, Joost! (hij schakelt in) Dirk: Ja? Joost: Geef me Huub. Ja. Huub? Huub: Man, wat kijk je? Joost: De parasiet is terug, in Els, Huub. Huub: Dat was het risico. Joost: Het... het is mijn schuld. Huub: We zijn allemaal mensen, Joost. Joost: Maar ik bedoelde het niet eens zo. Nou ja, dan moet er iemand anders hier komen bij Els, ik... ik kan ‘r niet alleen laten liggen. coördinator: Als de heren me missen kunnen, zal ik de wacht van captain Ros overnemen. Huub: Goed. Joost, de coördinator komt zolang daar. Joost: Merci, Huub. (schakelt uit) Els: Het was... m’n eigen schuld, lieve Joost. Je hart was er niet bij, niet echt. ‘t Komt door dat kleine meisje, Louise. Ik leek op haar, immers? Maar niet... niet genoeg. En daaraan had je... ook... geen schuld. coördinator: Ik sta tot uw dienst, heer Ros. Joost: Dan ga ik naar beneden. Els: O, Joost... Joost... ga niet weg, ga niet weg, ik... Nou is ie toch weg. coördinator: Juffrouw Els, uw vrienden zijn bezig aan een apparaat om u te helpen. Els: Ze komen te laat, coördinator, ‘k voel het. Alleen van u en Joost heb ik afscheid genomen. coördinator: Daar is dat beestje van u. Els: Toeteltje! Je bent lief. O, hoor ‘ns. coördinator: Ik vraag me af hoe dit beestje nu eigenlijk drinkt. Els: Hij jaagt op druppels water in de lucht, ‘t vult z’n dag. coördinator: Het gezang is... mooi... Joost: Coördinator! coördinator: Jawel, captain? Joost: We aarzelen, coördinator, we hebben een 500 en een 800 voltlijn, en Dirk is voor zo hoog mogelijk voltage. coördinator: Hoger dan 500 moet ik u stellig afraden. Joost: Ja, maar dan… dan is de extractor niet krachtig genoeg. Die parasiet heeft leergeld betaald. coördinator: Het meisje is zeer zwak, u zult zich moeten haasten. Joost: Ja, maar... wat dan? Wat dan? coördinator: Uw hersenschors laat zijn denkfunctie te veel over aan uw emotie, captain. Joost: Alstublieft, coördinator! coördinator: De elektrode oefent aantrekking uit op dit elektronisch wezen, goed. En wat doet men als normaal trekken niet helpt? Jaap: Ja, wat wil die vent nou? Joost: Dan... trekken... als trekken niet helpt. Huub: Ik zou zeggen dan rukken! Logisch natuurlijk, intermitterend trekken. Dirk: Huub! Huub!! Bij Kijenkivics, wat een stommeling ben ik! Ik ben een rund, een idioot! Jaap: Hou op met dat zelfverwijt! Begin nou maar, man. Dirk: Een onderbreker, verdorie! Pulserende gelijkspanning. Jaap: Waar vandaan? Dirk: Neem dat ding daar... Neem weet ik veel! Sloop het af, al zou ik het hele schip moeten slopen, al zou ik... Els: (hijgt) coördinator: Dat thalamische denken - gevoelens noemt men ze - ze worden de ondergang van dit ras, ofschoon fascinerend... Gevoelens zo heftig dat men er een wereld mee kan verbrijzelen. Of misschien .... Els: Wat bedoelt u, coördinator? Meneer... Thomson? coördinator: Dat uw vrienden slechts enige minuten met hun cortex hadden moeten nadenken. Nog even, jongedame. Straks komen ze u te hulp. Els: ‘t Helpt niet meer, het is al... te laat. coördinator: Nee, ‘t menselijk drama hier aan boord is kennelijk nog niet uitgespeeld en u hebt nog wel een hoofdrol. Nog even en uw vrienden komen, met hun knutselwerkje. Els: Ze zullen d’r iets op vinden, de anderen? coördinator: Ze hebben het al gevonden. Ze zullen er alles op zetten om u te redden. Hoe onbegrijpelijk ook... Els: U zegt... onbegrijpelijk, coördinator? coördinator: Ze zijn blind, deze jongelieden, onbegrijpelijk blind. Want juist u bent voor hen stellig veel gevaarlijker dan tien saboteurs! Els: Saboteurs? coördinator: Reikt u mij de hand. Het helpt enigszins. Els: Uw hand... is... zo koud, coördinator! ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831) [3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936 [4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515) [5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [9] nog geen gegevens [10] Mene tekel is de spreuk die volgens het bijbelboek Daniël (5:25) tijdens een feestmaal van Belsassar, de laatste koning van Babylon, op geheimzinnige wijze op de muur van de zaal werd geschreven.
|