TESTBEMANNING

DEEL 13: CRISIS

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 24/12/1961 (herhaling: woensdag 12/07/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; rolverdeling wel in de DNH]

- ir. Reitsema: Wam Heskes ([2])

- Gerda: Irene Poorter ([3])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4])

- Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6])

- Huub, navigator: Frans Somers ([7])

- Els: Nora Boerman ([8])

- coördinator: Jo Nobel ([9])

- kwizbaas: Rijk de Gooyer ([10])

- vader: Louis de Bree ([11])

technische gegevens: 37’02” - 25,4 MB - mp3

  

Reitsema: Ik moest je wel laten terugkomen, Gerda.

Gerda: O, dat geeft niet. Alleen, hoe moeten we dat verschrikkelijke verhaal gaan vertellen?

Reitsema: Ja... En juist de captain is verongelukt. Waarom is het grootste gevaar van elke onderneming altijd weer menselijk falen? En waarin? In iets dat het selectieteam onmogelijk had kunnen voorzien: jaloezie en sabotage.

Gerda: Ik ga haast denken, meneer Reitsema, dat het om meer dan sabotage gaat. Alsof het allemaal expres in de Alpha is gebracht, door iets of iemand, om het team… ja… uit elkaar te halen.

Reitsema: En het eerste slachtoffer is Joost Ros, 28 jaar oud, ongehuwd, vermist. De eerste mens verdwenen in de ruimte.

Gerda: Ik weet het niet... Huh, die Dirk had het wel mooi in elkaar gezet, bijvoorbeeld om dat lege missiel aan de achterkant te laten vastzitten. Als de Alpha ineens was gestart, dan was ze door dat missiel kapotgeslagen. Goed, hij… hij is erbij… en toch...

Reitsema: Ja, je voelt het goed, meisje. Toch is Dirk niet de saboteur die we zoeken. Hij is alleen maar het tweede slachtoffer.

Gerda: Bij het inhalen van het missiel al heeft Dirk de gekste fouten gemaakt. Ja, en nu heeft hij Joost Ros een zet gegeven zodat ie de ruimte is ingeslingerd en…

Reitsema: Ja, Dirk was volmaakt z’n kop kwijt. Dat meisje heeft ‘m een blauwtje laten lopen… en alles is uitgezonden over de video. Dirk kwam volslagen voor gek te staan. Nou, laten we ‘t dictaat van daarstraks maar vervolgen.

Gerda: De scribiteur draait alweer.

Reitsema: Goed. (schakelt in) “Op dit ogenblik, lezers, bevindt zich buiten op de romp van de Alpha een man in een ruimtepak, een man ten prooi aan de diepste wanhoop, zich nauwelijks nog vastklampend aan het spookachtig wentelend schip. Die man is Dirk, beladen met de grootste schuld die een mens kan drukken: schuld aan de dood van een vriend die hem heeft willen redden. Eén duw in een ogenblik van ongemotiveerde gramschap en de captain, Joost Ros, raakte los van het schip en werd weggeslingerd in de oneindige sterrenruimte…”

 

Dirk: Joost... Joost! Dat heb ik niet bedoeld, niet gewild! Niet zo! Niet zo!! Joost! Zeg nog iets in ‘s hemelsnaam.

Jaap: Hou op met je geschreeuw. Moordenaar.

Dirk: Jaap... Hij antwoordt niet... Ik heb dat niet gewild. Geloof me toch. Zeg wat ik moet doen. Wat... Jaap. Jaap, er is maar één ding... Jaap! Huub!

Jaap: Ja?

Dirk: Stop de vertraging. Laat het schip blijven wentelen. Stop die gyro.

Jaap: En?

Dirk: Doe wat ik je zeg en er één kans, één.

Jaap: Huub is al bezig.

Dirk: Dadelijk komt het schip weer rond. Ik ga ‘m na, in dezelfde richting.

Jaap: O ja? En dan? Mm? Hem ‘n handje geven? Zeggen dat het je spijt?

Dirk: Nee, je begrijpt het niet: ik heb een vlampistool.

Jaap: Als jij ooit nog hier binnen wil komen, dan zal het met Joost moeten zijn.

Dirk: Ik kom terug met Joost of helemaal niet. En nu, daar ga ik. Ja!

Jaap: Huub, zet ze op de proxy.

Huub: Ja, maar de blip is te klein.

Jaap: Dan de vergroting. Zo… Kijk! Kijk, daar heb je ze allebei.

Huub: Twee blips.

Jaap: Twee mensenlevens... O, die stommeling, die ellendige neuroot...

Huub: Hou nou maar op, Jaap, dat soort ontboezemingen is nutteloos. Dirk is tenminste tot daden overgegaan. Jezelf in de ruimte laten wegslingeren, da’s wel heel wat.

Jaap: Ja. Ja, lef heeft ie, ja. Hoe ver eh.. .hoe ver is Joost weg?

Huub: Een kilometer of tien. Die grotere blip, dichterbij, dat is Dirk. De gyro’s hebben de wenteling inmiddels tegengewerkt, dus Dirk is met geringer snelheid weggeslingerd dan Joost. Ik vraag me af: hoe haalt ie Joost in?

Jaap: Ja. Kijk zelf maar: Dirk versnelt. Hij gebruikt dus z’n vlampistool.

Huub: O, vandaar. Dan is er nog een kans, misschien.

Jaap: Ja... Ik zal nou die gyrotol maar weer aanzetten, anders blijven we wentelen.

Els: Huub, Jaap. O, toe!

Jaap: O, daar heb je dat ook nog.

Els: O, zeg, alsjeblieft, kan die nog gered worden? Toe... Zeggen jullie nou toch wat.

Jaap: Zeggen, vraag je, Elsje? Dan zal ik jou ‘ns wat zeggen. Jij, jij alleen, jij bent van dat alles de schuld.

Els: Ja, maar ik...

Jaap: Ja! Ja!! Jij met je knappe snoetje, hè. Met mij heb je geflirt, en met Huub, en met Joost, en toen met Dirk. Jij, met een kop vol zaagsel. Jazeker, en filmplaatjes over ruimtegirls en pluimstrijkende knullen. Maar bij Dirk ontplofte de zaak. En daar, hier, daar, op het scherm, daar zie je nou het resultaat van je romannetje. Zie je die blip? Zie je die blip? Da’s één van je aanbidders die in de ruimte verdwijnt, verder en verder en verder en verder. En daar dichterbij, daar gaat je tweede slachtoffer, Dirk. Wist jij... wist jij dat ie destijds de coördinator haast met geweld heeft belet op de knop te drukken toen jij in die luchtsluis zat? Dat hij het was die die parasiet probeerde van jou over te nemen? Daar gaat ie dan, Dirk. En voor ‘m uit gaat Joost, Joost die al eerder heeft geprobeerd om je waardeloze leven te redden. Nou goed, daar gaan ze dan. Allebei, allebei, door jouw spelletje.

Els: (huilt)

Jaap: Ja, nou grienen, hè? O nee! Nee nee! Je draait je niet om, je draait je niet om! Je kijkt goed naar dat scherm. Daar had jij motten gaan. Daar had jij om en om motten wentelen tot de lucht op is en je talkie uit bereik, tot het om je heen stil wordt, helemaal stil. Daar had jij motten gaan, want jij hebt hier meer aangericht dan tien saboteurs!

Els: Laat me los, Jaap. Ik... ik wist het niet, ik bedoelde ‘t niet zo, ik begreep het niet. Laat me los, Jaap, Jaap!

Jaap: Zeventien jaar. Zeventien jaar! Ho, ‘t is niet dat je niet zal opgroeien, maar... waarom mot dat twee mensenlevens kosten...?

 

Dirk: Joost! Joost! Kun je me horen? Ik kom naar je toe.

Joost: Dirk! Je bent me nagesprongen?

Dirk: Ik kon toch niks anders doen? Ik ben zo bij je. Ik had een vlampistool.

Joost: Ik niet, stom genoeg… Waar zit je ergens? Ik tol rond, de hemelbol met zon en al draait als een balzaal om me heen.

Dirk: Een halve kilometer nog.

Joost: Heb je nog lading genoeg, over, om ons allebei te stoppen?

Dirk: Een tikkeltje meer, om zo te zien. Ja! Ja! Ja, ja, hier ben ik. Ja! Ik heb je.

Joost: De hemel zij dank! Dirk!

Dirk: Ja.

Joost: Gelukkig... Nu tollen we allebei rond, alleen ik wat minder snel.

Dirk: Voor we kunnen stoppen, moeten we dat getol eruit hebben. Voorzichtig, heel voorzichtig, anders wordt het alleen maar erger. (knal van het vlampistool) Zo... Ja...

Joost: M’n kop draait nog rond, maar de rest staat weer stil. Zie jij de Alpha?

Dirk: Nee.

Joost: We moeten nu stoppen. Volgens het boekje: vuren vanuit de navelstreek, tegen de richting waarin we gaan.

Dirk: Tja, zei dat boekje d’r nou maar bij in welke richting we gaan.

Joost: Die richting, daar komen we wel achter, Dirk.

Dirk: We hebben geen instrumenten!

Joost: Ja, maar we hebben Huub! Die heeft na z’n eerste schrik stellig de proxy ingeschakeld om te zien waar we zitten, en Jaap de zender, om ons dat te vertellen.

Dirk: Maar onze talkies reiken toch niet verder dan een paar kilometer.

Joost: De scheepszender met zijn 100 kilowatt wel… (geluid van zender) Ja, hier… Daar heb je ‘m al.

Jaap: Hallo, schipbreukelingen, hallo, hallo. Hallo, we kunnen jullie zien van hieruit. We weten dat je niet kunt antwoorden, maar luisteren is genoeg. Hier komt Huub voor Joost. Hij zal jullie koers zo lang blijven herhalen tot we zien dat je d’r in zit. Huub voor Joost, Huub voor Joost.

 

Els: Meneer Thomson? Coördinator? Toe, zegt u toch wat. Ik hou ‘t niet uit hier beneden, alleen.

coördinator: Kortgeleden had toch die eenzaamheid voor u nog iets aantrekkelijks? Het gezelschap van die jongelieden vermoeide u, meen ik.

Els: Is er... is er een kans voor ze? Zegt u het me toch.

coördinator: Daar is nog weinig van te zeggen, vrees ik.

Els: Als ze niet terugkomen... Als ze nooit meer terugkomen...

coördinator: Dan resten u buiten mijn mededinging toch altijd nog twee van het lijstje, mejuffrouw.

Els: O, hoe kunt u dat nou toch zeggen? Ik heb zo’n verschrikkelijke spijt. Ach, u bent veel te oud om het te begrijpen, en u zou het niet willen begrijpen.

coördinator: Dit laatste is onjuist, mejuffrouw. Ik zou u gaarne begrijpen. Dat is een deel van de taak waarmee ik hier aan boord ben belast.

Els: Ja, maar hoe kan ik het u uitleggen? Ik... ik zit nog op school, ik wil plezier en aandacht en zo, dat ze me aardig vinden. Maar één was er toch niet te vertrouwen, één van de vier, en ik wist niet hoe ik het doen moest. En ineens ging alles verkeerd, zo verschrikkelijk verkeerd: weggestuurd door Joost, een pak slaag van Dirk, en Jaap daarnet, hij keek me aan zoals ik hem nog nooit heb gezien, dat ik maar zeventien was en... en op moest groeien, en nu al twee mensenlevens had gekost. (snikt) Wat moet ik toch doen? Meneer Thomson, ik weet me geen raad. Meneer Thomson?

coördinator: Naar ik begrijp is het enige dat u dan te doen staat, mejuffrouw: dit gevaarlijke tussenstadium snel te verlaten, deze leeftijd waarin u nog geen onderscheid beseft tussen spel met mensen en dat met poppen.

Els: Met... met poppen!? O, wat vals me dat te zeggen, terwijl ik toch al niet meer wat ik doen moet.

coördinator: Dit is een nutteloze, gevoelsmatige reactie, mejuffrouw.

Els: Ja, maar hebt u dan helemaal geen hart?

coördinator: En een dergelijke vraag slechts retorisch.

Els: Nee... u voelt niets, geen angst, geen medelijden... U… u bent niks anders dan zo’n... dan zo’n ding van ijzerdraad, zo’n...

coördinator: De uitdrukking waarnaar u zo krampachtig zoekt luidt: androïde robot.

Els: Was het dat maar, coördinator, maar u bent niet zo dom: u wist wat er gebeuren zou toen u alles over Dirk en mij liet uitzenden naar de aarde. U wist wat er dan allemaal zou gebeuren.

coördinator: Uw opmerking is positief onjuist. Bovendien dwong de aarde mij in deze positie.

Els: Maar u moest toch begrijpen wat er zou kunnen gebeuren?

coördinator: U stellig beter dan ik. Want,  ziet u, mejuffrouw, het gold uw experiment. Ik was toeschouwer. Ah, dit doet me ergens aan denken. (schakelt in)

Jaap: Ja? O, ben u het?

coördinator: Zoals u terecht ziet. Als u een advies kunt gebruiken, dan…

Jaap: Voor adviezen van u zijn we ditmaal niet in de stemming. U met uw uitzending! Het lijkt er haast op of u alles in elkaar hebt gezet.

coördinator: De scène is niet door mij geregisseerd, heer Jaap.

Jaap: O nee?

coördinator: En de dramatis personae hadden hun conflict desgewenst redelijk kunnen oplossen.

Jaap: Ja, goed. Komt u ons daarvoor lastigvallen?

coördinator: Voor hun inadequate methode zijn zij zelf verantwoordelijk.

Jaap: Ja, beste man, dat is makkelijk...

coördinator: Ja, luistert u alstublieft. Ik veronderstel dat nu heer Dirk, tegen dat ie eventueel met de captain behouden arriveert - wat ik nog zien moet - zeer impopulair zal zijn op aarde. Als u nu mijn raad opvolgt, kan dit aldus worden vermeden, namelijk door hetgeen thans geschiedt eveneens naar de  aarde uit te zenden.

 

Joost: Wel, we zijn dus blijkbaar in de koers met een zwakke retourbeweging.

Dirk: Maar net. En m’n pistool is leeg. Ik zie niks van de Alpha.

Joost: Ja. We zijn zeker twintig kilometer weg... Dirk...

Dirk: Ja?

Joost: Ik ben er niet zeker van dat we ’t halen.

Dirk: We zullen ‘t halen.

Joost: Misschien.

Dirk: We drijven in de goeie richting.

Joost: Ja, maar te langzaam. Hoe staan je drie cilinders?

Dirk: Zuurstof? Okay. De jouwe?

Joost: Mm... Daarstraks, Dirk, met m’n talkie buiten bereik, was ik alleen. Het enige dat ik nog hoorde, was het geluid... het geluid van m’n ademhaling. En wat ik zag, hè, om mij heen, boven, beneden, aan alle kanten, dat was... dat was het wentelende sterrenheelal. Dirk, behalve wij heeft niemand dit ooit nog gezien.

Dirk: Joost, ik eh...

Joost: Laat mij even, Dirk. Vanaf het ogenblik dat we in de Alpha in vrije val kwamen, had ik dat ellendige gevoel, dat gevoel te vallen in het niet. Ik... ik wende d’r wat aan, maar toch, hè, helemaal verdwijnen deed het nooit.

Dirk: Ja... ja...

Joost: Nee, helemaal verdwijnen deed het nooit. En daarstraks…

Dirk: Ja?

Joost: …na dat ogenblik van paniek, hier midden onder de sterren, verdween dat gevoel. Ik kon nergens meer heen vallen. Hier is het absolute niets. De absolute eenzaamheid, Dirk, eenzaamheid voor jij kwam.

Dirk: (lachje) Ik, de laatste die je had willen zien.

Joost: De beste die ik had kunnen wensen op een ogenblik als dit, Dirk. Niemand kan ons horen, Dirk. Mochten we niet terugkomen, dan wil ik onze rekening niet afsluiten met een vraagteken. Ik heb toch al een andere die ik niet kan afsluiten… Nooit meer…

Dirk: Hè?

Joost: En die houdt verband, zijdelings, met deze. Veertien jaar was ik, toen ik werd betrokken bij de dood van een kind. Op ‘r tiende verjaardag. Ik zag het gebeuren. Ik kon niks doen, ik had geen schuld, en toch... en toch heeft het me nooit meer helemaal losgelaten… Nooit meer...

Dirk: Is... is... is dat het wat je... Maar... maar welk verband?

Joost: Ze was... ze was tenger en blond, blauwe ogen, kuiltjes, een heel klein beetje een wipneusje.

Dirk: Joost, over wie spreek je?

Joost: Over dat vriendinnetje, Dirk, de kleine Louise. En... en ook over iemand anders. En over een antwoord op een vraag die jou, Dirk, reeds enige tijd moet hebben beziggehouden. Over Els en mij.

Dirk: Hou op, Joost. Nee... nee, ik weet toch al niet wat ik zeggen moet. Terwijl alles mijn schuld is, zit jij je nog te verontschuldigen. Zie je dan niet dat je ’t doet? Laat me d’r niet mee zitten, Joost, laat me tenminste toch zeggen...

Joost: Er is geen schuld, Dirk. We zijn die we zijn moeten, jij en ik en Els. Wat ze jou heeft aangedaan, is... is veel erger dan die duw die ik van jou kreeg… Ze is zeventien jaar. Ze kon niet anders zijn. Hier zie ik dat zo duidelijk in. Hier in de stilte wordt de perspectief van menselijke dingen anders. (hijgt) En de dood is hier niet... niet... moeilijk...

Dirk: Joost! Joost, wat heb je? Joost?

Joost: Niets, Dirk, ik zei... ik zei dat... dat de dood zelfs eenvoudig wordt, heel... eenvoudig.

Dirk: Joost, Joost, wat doe je? Wat gebeurt er met je?

Joost: Ik.. ik... ik... was er niet zo... zo zeker van, Dirk, dat ik... dat ik... dat ik het halen... zou.

Dirk: Joost! De lucht!! Wat doe je met één cilinder. Waar zijn je andere twee?

Joost: Ik... ik had... ik had er geen tijd voor.

Dirk: Wat!? Ik heb nog twee volle. Twee! Hier! Blijf wakker. Blijven ademen! Als je eenmaal ophoudt, helpen geen tien flessen meer. Ik koppel er een aan. Wacht. Ja... ja... ja!! Zo!

Joost: (haalt geleidelijk wat meer adem) Dat was... dat was... dat was... dat was ook... net op tijd. (zucht) We zijn... we zijn elk nog… goed voor dertig minuten.

Dirk: Ja... ja ja ja... ja, binnen die tijd zijn we d’r vast. Ja.

Joost: (zucht) M’n kop zwemt nog. Ik... ik heb een hoofdpijn van hier tot aan de Alpha toe.

Dirk: Ik zal toch proberen ze te beroepen. Die ellendige talkies met dat minimumbereik. Hou je oren dicht.  Alpha! Alpha!! Alpha!!! Alpha!...

 

Huub: Ze zitten nu goed in onze richting, maar ze hebben nog 28 minuten nodig. Wist ik nou maar hoe het met hun luchtcilinders stond.

Jaap: Hé! Stil ‘ns even... Hoorde ik nou wat of niet?

Huub: Nee nee... niks. Die talkies gaan maar een kilometer of acht, tien. Maar iets anders: hebben ze lucht genoeg?

Jaap: Nou, elk drie cilinders, totaal dus voor 90 minuten.

Huub: Ja, maar… waren die cilinders allemaal vol? Hoe komen we dat aan de weet?

coördinator: Misschien kan ik u aan een methode helpen.

Jaap: Als u het weer niet te druk hebt met uw uitzending!

coördinator: Ditmaal zorgt de uitzending voor zichzelf. Wat de luchtcilinders aangaat, adviseer ik u de methode van vergelijking.

Jaap: Wacht ‘ns even! De andere pakken, die binnen zijn… Die cilinders kunnen we bekijken! Vier pakken van de zes met samen twaalf cilinders hebben we gebruikt bij het lossen van dat missiel. Als die binnen zijn dan... Wacht, ik ga direct kijken.

Els: Jaap, Jaap wat is er? Komen ze? Wat ga je doen?

Jaap: Zien of we de boel weer in orde kunnen krijgen.

Els: Ach, Jaap...

Jaap: Ach, Jaap! Ach, Jaap! Ach, wat heb ik aan “ach, Jaap”! Haal die pakken één voor één uit de bergkast en hier naar het licht.

Els: Mm.

Jaap: Aan elk hangen drie luchtcilinders.

Els: Ja, Jaap.

Jaap: Ja, Jaap.

Els: Ja, hier. Jaap, lukt het ze, met de lucht? Kijk je daarom... op die wijzertjes?

Jaap: Ja, precies. Ja, deze is bijna leeg, deze ook, die, deze drie zijn allemaal leeg. Ja, volgende!

Els: Ja, Jaap, wacht... hier.

Jaap: Ook zowat nul. Mooi. Nou die.

Els: Zo... Ja.

Jaap: Goed. De vierde?

Els: Hier zitten ze niet aan.

Jaap: Afgehaakt, daar in ‘t rek... Daaronder. Kijk dan. Hè!

Els: O ja... Zo. Hier.

Jaap: Ja. Dank je wel. Mooi. Hè hè!

Els: Kunnen ze ’t halen Jaap? Zeg nou wat...

Jaap: (schakelt in) Huub?

Huub: Ja?

Jaap: Okay, alle lege flessen zijn binnen. De hunne zijn dus vol. Ze komen d’r op de sloffen. (schakelt uit)

Els: Jaap?

Jaap: Jaap! Jaap!!... Jaap! Ga in een papegaaienkooi zitten.

Els: Ja, maar ik wou je alleen maar vragen...

Jaap: Ah, meid, ga naar boven! Ik bedoel, ik ga naar boven. Doe wat. Droog je ogen, was je handen... Wat je doet, maar laat me met rust.

 

Dirk: Rustig, Joost, ja, dat is het hier zeker. Die kleine flauwe zonnestip en dit sterrenheelal. Zo rustig moest het altijd zijn als je wat hebt om over na te denken. Op aarde kun je niet nadenken, daar is altijd ergens wel lawaai. Heel Nederland is één bijenkorf, één groot pakhuis van mensen met video’s, waar snorrende automatische dingen alsmaar voor je aan ’t denken zijn.

Joost: Nou word jij diepzinnig, Dirk. Ik denk aan de stilte bij Saturnus. Je kunt ‘r van hieruit goed zien. Kijk, dat kleine ellipsje. Het is een ring van 900.000 km. Wat gaan we d’r ontdekken?

Dirk: Ja... ‘t Is een machtig idee. De hele Melkweg om ons heen, en wij hier, verloren in het universum.

Joost: Tot nader order. Straks komen we gelukkig weer in ‘t schip. Overigens heeft het vacuüm de algen in dat machinedek niet beschadigd. Die celwandjes, hè, die zijn zo uitermate sterk dat ze allemaal als het ware in een drukpak zitten. Zeg, Dirk...

Dirk: Ja?

Joost: Waarom kijk je toch telkens op je meter?

Dirk: Wat?

Joost: Als we ’t met de lucht niet precies halen, dan komen we toch dicht genoeg bij om assistentie over de talkie te vragen?

Dirk: Mm, ik ga nog ‘ns roepen. Alpha...! Alpha!!

 

Jaap: Zeg, Huub, zullen we ze nog ‘ns oproepen?

Huub: We hebben ze niks te zeggen.

Jaap: Nou ja, niks te zeggen... We kunnen toch zeggen “Hallo, hoe maak je het?” Mm? Ze moeten het daar verdraaid eenzaam hebben, hè? Wat ben je toch een houten klaas, hè?

Huub: Misschien. Maar logisch is dat ze samen nog wel een en ander hebben uit te praten. Wat heeft het dan voor nut dat...

Jaap: Stil ‘ns even, stil ‘ns even, stil ‘ns even... Ik... nee... ‘k Had gedacht... Nee... ‘k Hoor toch niks, nee. Nou moeten we toch zowat in het bereik komen van die ongelukkige talkies.

Huub: Waarom hebben ze eigenlijk die reikwijdte zo beperkt, Jaap?

Jaap: Ja, da’s nogal wiedes: kijk ‘ns, als de man naast je iemand kan beschreeuwen op twintig kilometer afstand, dan vliegen je trommelvliezen d’r uit. Ja, een beetje kun je ’t regelen, nietwaar, da’s alles. ‘t Is gek, maar toch dacht ik, dacht ik dat… dat ik heel zacht...

Huub: ‘t Zou me een waar genoegen zijn ze te horen.

Els: Jaap?

Jaap: Onder “het genoegen ze te horen” verstaan we niet jou.

Els: Ja, maar luister nou toch, Jaap, ‘t is misschien van… van belang.

coördinator: U hebt toch vroeger ook toch naar haar geluisterd? Waarom nu zo rigoureus?

Jaap: Omdat...

coördinator: Zegt u het maar, jongedame.

Els: O, coördinator. Ik heb het toch veel eerder willen zeggen, maar d‘r liggen hier twee van die... van die dingen.

coördinator: Er liggen zoveel dingen, omschrijft u ze.

Els: ‘t Zijn van die cilinders, voor lucht.

Jaap: O, die meid!

Els: Ja, maar d’r hangen hier vier pakken, en dan zijn er geen twaalf maar veertien cilinders. Dan zijn er toch twee te veel?

Jaap: Wat?? Ja, ik kom. De baby zal wel weer met ‘r neus hebben geteld, hoor.

Huub: Als dat waar is, coördinator, en we hebben hier twee cilinders over...

coördinator: Dan hebben uw vrienden daar buiten er twee te kort.

Huub: Dan heeft één van beiden er maar één...

Dirk: Alpha!...

Huub: Hoort u dat, coördinator?

Dirk: Alpha! Alpha!... Horen jullie toch? Kunnen jullie ons horen?

coördinator: Wacht, ik schakel u wel in, Huub. (schakelt) Ga uw gang.

Huub: Ja. Ja, met mij, Huub. Je koers is goed. Over een minuut of zes kun je hier zijn. Ik zie jullie blips duidelijk en groot op het proxyscherm. Hou vol! Ik zal Jaap vast zeggen dat ie… dat ie de douchecel aanzet of... of wat te eten maakt.

Dirk: Vraag... vraag Jaap liever hierheen te komen. Laat ‘m hier komen met een paar extra flessen.

Joost: Dirk, wat bedoel je? Je had toch nog een volle cilinder? Dat zei je toch?

Dirk: Huub, laat 'm voortmaken, ik... ik ben bijna… leeg!

Joost: Dirk, hoe... hoe komt dat? Lekt je fles?

Huub: (schakelt in) Jaap? Jaap, ze zitten zonder! Zonder lucht!

Jaap: Ja, dat klopt ook! D’r zijn hier verdikkeme twee flessen te veel. Griet, had me dat dan ook eerder gezegd!

Els: Ja, maar jij wou niet luisteren!

Huub: Jaap, maak voort! Joost, hij komt! Houden jullie vol.

Dirk: ‘t Zat ‘m in de paar minuten die ik eerder naar buiten ging. Ik was al op de tweede cilinder overgegaan.

Joost: En jij, Dirk, jij hebt me dus jouw laatste volle gegeven?

Dirk: Zoals je zelf al zei, Joost. Ik ben nu eenmaal zoals ik ben. En ik had veel goed te maken, heel veel. Eén ding is gelukkig: je kunt je cilinder niet terugwisselen.

Joost: Huub, Jaap, maken jullie voort!

Jaap: Ja, Japie komt er aan, met twee cilinders en met z’n vlampistooltje, rustig maar.

coördinator: Zoals u hoort, luisteraars op aarde, heeft Dirk, na zijn ongelukkige fout, het enige gedaan wat een man van eer kan sieren. Niet door een schok of duw, doch uit vrije wil is hij de captain nagesprongen. Hij heeft hem bereikt en ‘m z’n enige gevulde luchtcilinder aangekoppeld, zonder aan Ros te zeggen wat hij zelf riskeerde. Als u goed hebt geluisterd, weet u ook waarom.

 

Joost: Jaap is nu onderweg. Kun... kun je ‘t nog even volhouden, Dirk?

Dirk: Ik... ik zal wat... wat... wat zuinig...zuiniger ademhalen. Ja, ‘t zal wel helpen. Toch... toch, Joost, het... het had nog slechter met me kunnen... aflopen.

Huub: Jaap?

Jaap: Ja, ik maak al voort.

Huub: Dirk houdt het niet! Kun je nou niet vlugger?

Jaap: Ja, maar ik moet ze toch ook nog terugbrengen.

Huub: Had dan twee, drie of vier pistolen meegenomen, da’s toch logisch.

Jaap: Ik heb er niet bij stil gestaan. Hé, kom jij me dan na, Huub, met een heel stel van die paffers.

Els: Ik zal wel gaan, Huub, laat mij proberen. Jij moet toch hier blijven.

Huub: Ik hier blijven? Waarvoor?

Joost: Mannen, luister. Dirk is bijna bewusteloos. Jaap, schiet dat pistool leeg tot je hier bent.

Jaap: Doe ik.

Joost: Huub! Huub! Doe wat Jaap voorstelt: neem vier, vijf, zes paffers, zoveel je grijpen kunt.

 

 

Jaap: Ik kan jullie al zien, Joost. Gelukkig geeft dat zonnetje nog wat licht zo. Nog even!

Joost: Jaap, bewaar iets reserve voor koerscorrectie. Anders vlieg je nog langs.

Jaap: Jazeker, Japie is getikt. Kom ik met m'n cilindertjes in Bellatrix en Betelgeuze[12] uit. (lachje) Nou moet ’k effe sproeien. (knal) Vangen!

Joost: Hebben!

Jaap: Joh!! Hier! Cilinder. Koppel aan. Dat... zo... dat zit vast.

Joost: Dirk! Dirk! Dirk!! Hij ademt niet meer. Hè, waar blijft die Huub nou? We moeten Dirk zo gauw mogelijk in het schip krijgen.

Jaap: O, wat zijn we met z’n allen een stel ontzettende stommelingen geweest, en hier... Ja, Huub, waar blijf je nou?

Huub: Ja, hier op zestig meter. Dacht je dat ik vleugels had? Ik moest toch dat pak aantrekken en de zaak nakijken.

Jaap: Hij moet de zaak nakijken... Je bovenkamer moet je nakijken!

Huub: Als jullie hadden gedaan als ik, dan zaten we nu niet met z’n allen buiten ‘t schip.

Joost: Geen geklets! Kom!

Jaap: Hebben!

Joost: Alle drie een pistool. Zo, op één rij, Dirk tussen ons in. Als de bliksem, tegelijk vuren, rugwaarts, pistool ongeveer vanaf de navelstreek, anders gaan wentelen we. Ja? Nu! (knallen)

Joost: Is dat daar de Alpha? M’n venster is wat beslagen.

Jaap: Ja, het mijne ook. Lieve man, ik zit peentjes te zweten.

Huub: Ja, daar is het schip!

Joost: Alpha? Alpha?

coördinator: Thomson. Hoe is de patiënt?

Joost: Ik weet het niet. Let u op, over vijftien seconden komen we de luchtsluis in. Eerste groep Jaap met Dirk, tweede Huub en ik. U en Els staan klaar om Dirk onmiddellijk uit zijn luchtpak te helpen, vastgespen op zijn bed, een zuurstofmasker over zijn gezicht.

coördinator: Akkoord, captain.

Joost: Jaap, jij pelt je direct af en ziet wat je doen kunt.

Jaap: Ik weet wat ik moet doen.

Joost: Hier zijn we d’r. D’r in met ‘m. In de sluis. En Jaap. (luchtsluis)

coördinator: Juffrouw Els, die lange cilinder daar, met die slang en dat kapje.

Els: ‘k Heb ‘m al. Hij is in de sluis, meneer Thomson.

coördinator: Nu de deur... (deur open) Kom, jongedame.

Els: Hier is ie. (deur dicht)

coördinator: Z’n helm af. U die en ik deze clips... Naar boven. (ze openen de clips)

Els: Dirk?

coördinator: Helpt u me liever z’n pak uittrekken.

Els: Ja. (deur open) Ja... hoe... hoe moet dat?

Jaap: Zo. (deur dicht) Da’s m’n helm. Hoe is Dirk?

coördinator: Wel, z’n pak hebben we uit. Bewusteloos.

Jaap: Op bed, plat. (deur open) Zo. En gespen. Daar komen de anderen. Zuurstof. (deur dicht)

coördinator: Alstublieft.

Els: Hij ziet helemaal blauw. Bleek.

Jaap: Uit de weg jij. Mm. Maagkuil: geen beweging. Geen adem, Joost.

Joost: Z’n pols?

Jaap: 't Hart is d’r nog, maar erg zwak. Laat Laborde maar zitten... Sylvester dan.

Huub: Syl... Syl… wat?

Jaap: Kunstmatige ademhaling. Hoofdkussen weg. Plat. Zo. Ik ga achter het hoofdend staan, coördinator en Joost, houden jullie mij op m‘n plaats, ik moet z’n armen gaan zwengelen. Els, neem het zuurstofmasker over van Thomson.

Els: Ja ja.

Jaap: Huub, hartmassage...

Huub: Huh.

Joost: We hebben je verankerd, Jaap.

Jaap: Jongens, daar gaan we dan... Ellebogen hoog. 21-22, ellebogen laag, 21-22... Tempo is zo goed. 21-22. 21-22. Huub, massage. 21-22. Nee uil, niet zo, vingertoppen boven de hartstreek neerzetten. 21-22. Andere kant, rund! -22, 21-22. Systematisch, met de bal van je hand, korte stoten, 80 per minuut, kom nou! 21-22, juist, zo bedoel ik het. 21-22, 21-22, 21-22.

Joost: Merk je al wat, Jaap?

Jaap: Nee. 21-22. 21-22. 21-22. 21... Ik vraag me af, Joost, hoe hebben ze in vredesnaam zo’n stelletje aartsstommelingen als wij de ruimte kunnen insturen. 21-22. 21-22. Hou me toch vast, jullie. Hou me toch op m’n plaats.

Joost: We zijn niet anders dan de meesten, Jaap, maar we zijn mensen, gewone mensen.

coördinator: Dat moet ook zo zijn, captain. Als de ruimtevaart niet voor de gemiddelde mens mogelijk is, heeft dit alles geen zin.

Jaap: 21-22.

Huub: Ik geloof dat ik de hartslag kan voelen, Jaap!

Jaap: 21-22. Ga dan door, ga dan door, ga dan door en luister goed. 21-22. Ja, de ademhaling is weer begonnen.

Els: Ja ja... Hij krijgt weer kleur.

Jaap: Doorgaan dan... 21-22, 21-22, 21-22. We zullen een blozend jongetje van je maken, Dirkie, straks moet je op de foto. -22, 21-22, 21- Ja... ja... hij begint te bewegen. Ja, stoppen maar. Masker weg, Els. Zo. Huub, rits van z’n koveral dicht.

Joost: Hemel zij dank.

Huub: Ik heb wel ‘ns gehoord dat ze met die kunstmatige ademhaling moesten doorgaan.

Jaap: Zeker met Dirk, als ie al die soesa om ‘m heen merkt, dan krijgt ie er een beroerte voor in de plaats. Ja, ’t wordt allemaal naar de aarde uitgezonden.

Joost: Is dat waar?

Jaap: We moeten ‘m rehabiliteren. ‘t Idee van de coördinator was nog niet eens zo gek. Hé, waar is die vent?

Joost: Waar?

Jaap: Ja.

Joost: Ach, boven natuurlijk. Hij zet die uitzending af voor Dirk d’r aan te pas komt.

Jaap: Stil, stil, hij komt bij! Wacht. Ja... kom nou, Dirk, schiet op, jochie! Toe, kom kom kom, ruik hier maar ‘ns even aan: eau de cologne van Jaap.

Dirk: Wa... wat is dat?

Jaap: Rustig, rustig, rustig.

Dirk: Wa… waar ben ik? Oooh! hebben jullie me... me toch binnengehaald... (lachje van Jaap) Na ... na alles...

Jaap: (lachje) Wat had jij nou gedacht, hè? Dat wij onze stommiteiten voortaan maar zonder jou moesten uithalen?

Dirk: Ja...

Joost: Blijf nu liggen, Dirk.

Jaap: Dirk en blijven liggen.. Jazeker! Maar in nulwicht hindert dat niet, hoor! Jij mag opstaan, je mag rondzweven, Dirk, rechtop of andersom, net wat je wilt.

coördinator: Captain Ros?

Joost: Ja, coördinator?

coördinator: Als Dirk naar boven kan komen... zweven, aardcontrole wil ‘m spreken.

Dirk: O, grote Horvath. Wat moet ik zeggen? Ik zal m’n vet wel krijgen.

Joost: Wij gaan met je mee, Dirk.

Dirk: Goed.

Joost: En lui, nog even dit: we weten nu werkelijk wel wat we aan elkaar hebben. We houden op met dat piekeren en dat wantrouwen. We houden op met wachten uitzetten en hoe die bom hier ooit is gekomen, zal zichzelf wel verklaren. Wij hebben d’r geen boodschap meer mee. Onder ons is geen saboteur. Eens?

Jaap: Mijn idee!

Dirk: Ja!

Joost: Goed! Dan gaan we nu met Dirk naar boven.

Jaap: Hè! Ons noodlot tegemoet.

Dirk: Ja, jij kunt wel lollig zijn, maar ik?

Jaap: Kop op, Dirkie, jongen, zoiets pakt altijd anders uit dan een mens verwacht.

Dirk: Denk je?

Jaap: Ja, steevast. Kom nou maar.

coördinator: Meneer de kwizbaas, uw slachtoffers zijn in aantocht.

kwizbaas: U heeft ze niets gezegd?

coördinator: Dat laat ik aan u over, meneer Kristense.

kwizbaas: Zet dan uw camera aan, dan kunnen de mensen Dirk zien.

coördinator: Goed. (zet camera aan - applaus)

kwizbaas: Ik weet het, u wilt Dirk zien. Hij komt eraan, mensen. Dirk is in aantocht! (applaus) En hier is Dirk en Joost Ros! (applaus) Haha, daar bent u, heer Dirk... Hoort u al die mensen? Naar het schijnt, bent u de held van de dag geworden.

Dirk: Wat? Wat? Wat nou? Wat nou??

kwizbaas: Ja (lachje), heer Dirk, wij zijn ooggetuige geweest van uw heldhaftige daad. Niet alleen onze vrienden hier om mij heen of in de stad of in het land, over de gehele wereld, Dirk. Overal heeft het verkeer hiervoor stilgestaan, allemaal voor u en uw captain.

Dirk: Ik... ik... Heldhaftig? Nou, ik snap er niks van.

kwizbaas: Aanvaard het, Dirk. Wij op aarde zijn ook maar mensen. Misschien komt het daardoor... Ik kan het niet zo goed uitleggen.

Dirk: Ooh.

kwizbaas: Maar dan is hier iemand die dat wel beter kan, een goeie bekende van je, een heel goeie! (applaus)

Dirk: Vader!... Vader!!

vader van Dirk: Dirk... M’n jongen...

Dirk: Vader, ze luisteren allemaal, die... die lui horen alles wat u zegt, vader.

vader: Ze mogen alles horen. Wij, Vlaardingers hier, zijn trots, ja, op jullie allemaal, maar ik, als vader, ben trots op jou, m’n jongen.

Dirk: Ondanks... ondanks wat ik gedaan heb?

vader: Wat? Die stommiteiten? Ach, die zitten ons in ‘t bloed, m’n jongen. ‘k Zal jou ‘ns wat zeggen: een mens mag fouten begaan, want tenslotte wordt hij toch beoordeeld naar de manier waarop hij heeft getracht ze weer goed te maken! (applaus)

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman(4/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.

 


 

[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831)

[3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936

[4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339)

[6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990

[9] nog geen gegevens

[10] geboren te Utrecht op 17/12/1925 (Code TIN: 682)

[11] geboren te Amsterdam op 27/04/1884; overleden te Amersfoort op 04/05/1971 (Code TIN: 3871)

[12] twee sterren die de schouder van het sterrenbeeld Orion vormen