TESTBEMANNING

DEEL 15: EEN MAN VERDWIJNT

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 07/01/1962 (herhaling: woensdag 26/07/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids]

- ir. Reitsema: Wam Heskes ([2])

- Gerda: Irene Poorter ([3])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4])

- Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6])

- Huub, navigator: Frans Somers ([7])

- Els: Nora Boerman ([8])

- coördinator: Jo Nobel ([9])

technische gegevens: 35’37” - 24,4 MB - mp3

 

Gerda: Dus ie was het zelf die de recherche op het spoor van die saboteur gebracht heeft?

Reitsema: Ja, onze Vereniging voor Ruimteonderzoek heeft daarmee een goeie beurt gemaakt. Ik herinnerde me namelijk een vroegere opmerking van Dr. Hemelaar uit Dwingelo, over de uiterst gedegen maar moeizame wijze waarop z’n voormalige assistent - de echte Dr. Thomson - het waarnemingsmateriaal wiskundig hanteerde. De coördinator van de Alpha, de pseudo-Dr. Thomson, rekende veel te briljant.

Gerda: Ik weet het: bij het binnenhalen van het hulpmissiel, met die antenne aan de buitenkant van de Alpha, toen ie die opgave herleidde uit z’n hoofd?

Reitsema: Ja, Gerda, zoiets was ver buiten de capaciteiten van de echte Dr. Thomson. De coördinator van de Alpha moest dus iemand anders zijn.

Gerda: Maar hoe hebben ze de echte gevonden?

Reitsema: O, kortgeleden meldde zich in Rio de Janeiro bij onze ambassade...

Gerda: Wat? In Brazilië helemaal?

Reitsema: Ja! Er meldde zich een emigrant met een zonderling verhaal. Een jaar geleden zou hij onder hypnotisch commando van een onbekende stem z’n koffers hebben gepakt…

Gerda: Wat?

Reitsema: …en tersluiks naar Zuid-Amerika zijn uitgeweken. Ja. Ergens op een koffie plantage had ie als hulpkracht in zijn onderhoud voorzien. Ten slotte werd deze ban van ‘m afgenomen en meldde hij zich onverwijld bij de ambassade in Rio en wel als Dr. Thomson, hoofdassistent van het radio-observatorium van Dwingelo, met een verzoek om een rijksvoorschot ter repatriëring.

Gerda: Goeie help! Maar... maar meneer Reitsema, die man in de Alpha, die zich Dr. Thomson noemt, hè, wat is die dan eigenlijk?

Reitsema: Ja, wat? Dat wordt nu wel erg duidelijk. Maar wie? Een volslagen onbekende, met stalen zenuwen en duizelingwekkende capaciteiten. En onbegrijpelijke drijfveren. Waar is ie vandaan gekomen? Wie is ie? Ja, ‘t is een mysterie.

Gerda: Nou, dat zoeken ze vast wel uit. Wel, hier komt de scribiteur.

Reitsema: Goed. (schakelt in) “Het is verheugend, lezers, dat nu de Alpha boven de onmetelijke ringen van Saturnus zweeft en zich gereed maakt aan haar eigenlijke taak te beginnen, nog tijdig de hand is gelegd op de raadselachtige maniak die van het begin af de expeditie in gevaar heeft gebracht…”

 

Jaap: Zo, coördinatortje, da’s dan dat. En nou gaan Japie en Dirkie ‘ns fijn voor je zorgen.

Dirk: Helemaal vertrouwd heb ik die vent eigenlijk nooit.

Jaap: Tjonge jonge jonge, wat zal die het straks koud hebben buiten!

Dirk: Maar gelijk naar de luchtsluis, Joost.

Huub: Het lijkt me de logische oplossing, Joost.

Joost: Ja ja, eh... wacht nog even...

coördinator: Uw captain heeft naar het schijnt enige moeite met de logica van uw voortvarende oplossing?

Joost: We weten nu afdoende wat u bent, coördinator, alleen niet wie u bent en waarom u zich hebt uitgegeven voor Dr. Thomson.

coördinator: Op het laatste punt dwaalt u, captain.

allen: (door elkaar) Wat? Wat?

coördinator: Ik heb mij voor niemand uitgegeven, men heeft mij als zodanig geaccepteerd. En wie ik ben?

Jaap: Dat willen we weten.

coördinator: Gelooft u mij: uw hele politionele organisatie is nu vlijtig doende deze vraag op te lossen. Waarom zou ik hen helpen?

Dirk: Ach, wat zitten we toch te luisteren naar het geklets van die man! Joost, waar wachten we op?

Joost: (kucht)

coördinator: Misschien vraagt de captain zich wel af, heer Dirk, wie bij mijn ontstentenis de microzuilen, die het energiescherm opwekken, moet verzorgen.

Jaap: Je tante. Die hebben geen verzorging nodig.

coördinator: Totnogtoe niet, heer Jaap.

Dirk: Pas op! Pas op, nou probeert ie ons te lijmen.

Jaap: Ja, ‘k had hem al in de gaten.

coördinator: Weet heer Dirk bijgeval hoe de zuilen te monteren?

Dirk: Wat...

coördinator: Ik bied u vrijblijvend aan ze voor u uiteen te nemen.

Joost: Ik wilde dat ik wist waarom u, coördinator - of hoe ik u noemen moet - die bom destijds hebt geplaatst.

coördinator: Maar nog liever zoudt u wensen dit te kunnen bewijzen. Welnu, kunt u dit?

Jaap: Kom maar in m’n netje, zei het spinnetje tegen het vliegie...

Huub: Deze heer die, voor ie zich hier indrong, de echte Thomson heeft laten verdwijnen - besef het goed, Joost - hij vraagt ons een bewijs. Maar laten we de rollen niet omkeren.

Jaap: Ja, u moet bewijzen, meneer, en als u dat bewijs van uw onschuld niet kunt vinden hier, dan ga je dat buiten maar zoeken.

coördinator: Intussen zint uw captain op iets, maar hij kan het zich niet te binnen brengen. Laat ik u ‘ns helpen. Het verschil tussen mij en die ware meneer Thomson is markant, uiteraard, maar wat denkt u van de overeenkomst?

Joost: Die videoforums!

Huub: Ja, de videoforums, Joost. Daar hadden ze ’m al lang moeten herkennen.

coördinator: Een vermomming draag ik niet.

Joost: Ja, tenzij, Huub...

Huub: Ja, ‘t is logisch, Joost: wij wisten niet beter. Iedereen op de basis kende hem als Dr. Thomson.

Joost: Ja, ik begin het te zien. De echte is dus al meer dan een jaar verdwenen. Hoe die d’r uitziet, weet niemand van ons.

Dirk: Van ons? Ja, maar d’r zijn toch ook anderen die de echte moeten kennen. Op Dwingelo! Het observatorium.

Jaap: Ja, ja.

Joost: Dr. Hemelaar natuurlijk, en z’n collega’s.  Die hebben die uitzendingen zeker niet gemist. Maar dan hadden ze toch moeten zien dat deze man niet Dr. Thomson was!

coördinator: Ja, u moest er tenslotte wel op komen, op de overeenkomst.

Joost: Ja, maar dat is... dat is onmogelijk, dat... dat is krankzinnig! U, coördinator, zou dan op Thomson moeten lijken als de ene waterdruppel op de andere.

coördinator: Onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk.

Joost: En dat u bovendien nog dezelfde capaciteiten, dezelfde kwalificaties zou hebben als de echte Dr. Thomson.

coördinator: Ik denk, heren, dat ik zelfs iets meer heb.

Jaap: Daarom hebben ze je ook gesnapt, broer.

coördinator: Uw huidige puzzel lijkt me overigens nog verre van opgelost.

Joost: Het komt me toch voor dat we toekomstige puzzels het beste kunnen oplossen buiten uw tegenwoordigheid.

coördinator: Ah, u wil dus uw vraagstuk, namelijk om de bron van de merkwaardige signalen in deze ringen van Saturnus te ontdekken, zonder mijn assistentie oplossen? Hoe, als ik vragen mag?

Dirk: Hoe!? Hij vraagt hoe! Bent u ineens achterlijk geworden? Hoe? Gewoon, richten op de leidstraal van het signaal. Hier, luister maar. (stem) ‘t Is immers een straalzender.

Joost: ‘Tuurlijk. (stem)

Dirk: Is ‘t duidelijk genoeg? (stem) Zie je? Eind van de band. Over een paar seconden begint het weer. (stem) We hoeven ‘m maar te peilen.

Jaap: Ja, en in de goeie ouwe tijd noemden die radioamateurs zoiets meen ik, eh... vossenjachten.

Dirk: Ja ja, vossenjachten. En we... en we hoeven...

Jaap: Mm?

Dirk: …we hoeven alleen maar... af te gaan op het signaal.

coördinator: Op welk signaal, heren?

Joost: Dirk! Het komt niet terug.

Dirk: Ja, maar hoe kan dat nou? Hoe kan dat nou?! (schakelt) ’t Apparaat werkt. ‘k Begrijp het niet.

Joost: Misschien zijn we uit de straal geraakt.

Dirk: Ineens? Zomaar? Nee, nee nee nee, d’r is altijd wel enige spreiding. De draaggolf zelf is foetsie,

Joost: Ja, maar hoe vinden we dan het baken?

coördinator: Ik denk dat u daarvoor mijn diensten toch nog even zult behoeven, nietwaar, captain?

 

Huub: We zijn nu op een paar kilometer midden boven de ijsring. Wat een uitgestrektheid... Hoe die coördinator, of wat ie is, ooit dat baken moet vinden...

Joost: Ja, dat vraag ik me ook af, Huub. Ik… ik… ik begrijp van die man geen syllabe. Nou is ie beneden een toestel aan het uitdokteren, een soort metaaldetector.

Els: Joost... Hij is daar toch niet alleen, hè?

Joost: Nee, Els, Dirk en Jaap verliezen hem geen moment uit het oog.

Els: Ho, ik ben maar naar boven gekomen. Ik ben doodsbang van die man. Hij is ijskoud. Niets kan ‘m wat schelen, dat heb ik aldoor gevoeld.

Joost: ‘t Is een levend raadsel. En soms heb ik het gevoel..., ja, dat niet wij het zijn de bepalen wat er met hem gaat gebeuren, maar andersom, alsof hij een spel met ons speelt.

Els: Ja, dat is het Joost, dat is het. Toen ie stond te praten daarstraks over... over... over z’n beschaving zus en zo… Hij... hij keek naar jou, Joost, alsof die precies wist wat ze daar vanuit de aarde je stonden te vertellen, of ie alleen maar benieuwd was hoe je d’r op zou reageren.

Huub: Nou, dat is me niet opgevallen. Maar die man is ontstellend knap. En meer dan dat: hij leest als het ware in de toekomst, alsof ie wist dat het baken zou ophouden met zenden.

Els: Nou, ik vind ‘m maar een griezel. En ie slaapt vlak naast mijn scherm!

Joost: Maak je maar niet bezorgd, Els, We stellen weer een nachtwacht in op het woondek. Onze huid is ons te lief.

Huub: Ja, helaas hebben we die man nodig, Els.

Joost: Alleen komen we d’r nooit. Daar, voor ons, kijk ‘ns! Het lijken wel drie enorme langzaam stromende ijsrivieren rond Saturnus.

Huub: Samen meer dan 60.000 km breed, 15 km dik en een buitenste omtrek van bijna 900.000 km. Als daar een uitheems ruimteschip in meedrijft, hoe vinden we dat?

Joost: Ja, nou... als dat schip van donker metaal is, dan… dan vinden we ’t in de binnenring natuurlijk nooit. Dat zijn allemaal drijvende rotsblokken.

Huub: In de ijsring is het nog moeilijker: schittert te veel. De kleuren in dat flauwe zonlicht zijn wel mooi, maar erg verwarrend.

Els: Maar... maar als jullie d’r tussenin gaan, dan zien jullie toch veel meer.

Joost: ‘Tuurlijk niet Els, het... het zou net zijn alsof we... alsof we duiken in een inktzwarte doorzichtige zee, met omhoog en omlaag, over een spreiding van vijftien kilometer, een baaierd van ijsschotsen, blokken, bergen, plateaus, allemaal verblindend wit. Ja, hoe vinden we daarin een donker object?

Huub: Die man heeft zich wel onmisbaar gemaakt.

Els: Ik heb het idee... dat we hier gewoon heen gelokt zijn.

Joost: Ja, ik weet niet wat ik er van zeggen moet. Op aarde is een kleine groep mensen die alles heeft bewogen om ons hierheen te brengen. Een andere partij, waarvan de coördinator de exponent is, probeert dat alles voor eigen oogmerken uit te buiten. Maar ja, goed, we zijn hier, dat is het voornaamste. Kijk nou ‘ns: als je naar dat uitzicht kijkt, hè, die onmetelijke ringen, dan… dan wordt al dat menselijk streven en machineren onbelangrijk en klein. Als ik dit zie, hier onder ons, dan krijg ik een gevoel dat... dat het er niet toe doet of we ooit terugkomen, of ik ooit terugkom. Alleen... alleen het uitvoeren van onze taak is... is nu nog van belang, en onverschillig of we ons daarbij bedienen van een misdadiger, het project gaat voor.

 

coördinator: En het is dus zo, captain, dat de detector tot een bereik van 60.000 km, dus ongeveer de breedte van het gezamenlijk ringenstelsel, op een metaalmassa kan reageren. Een geluidssignaal waarschuwt u tijdens een ongestoorde slaap.

Jaap: Ik verzeker je anders, broeder, dat we nou uitgeslapen zijn, hoor.

Dirk: Zo is ’t maar net, Jaap.

Jaap: Haha.

Joost: Bovendien moeten we nu eerst onze watervoorraad gaan aanvullen. Kijk, we duiken langzaam in de ijsring. De snelheid lijkt me al aardig aangepast, Huub.

Huub: M’n berekeningen waren dus goed. Daar komen de eerste ijspieken. Als nu de stuurtape correct is, dan... (ontbranding)

Els: W-wat gebeurt er?

Huub: (lachje) De zoveelste correctie. Jij dacht zeker dat we zo dwars die ijszee in staken? (lacht)

Els: Ik schrok, ik dacht helemaal niets.

Dirk: Zoals gewoonlijk. Hè?

Els: Hè, da’s weer Dirk, hoor.

Joost: Correctieraketten in de neus van het schip, Els.

Els: Oh...

Joost: Huub, we zijn d’r tussen. Kijk, daar drijven twee kolossen. Ze glinsteren in kleuren.

Huub: En daar komen d’r nog meer. Imposant is het zeker.

Dirk: Ja, maar ik vind ‘t ook dreigend, hoor. Eén stootje van die mammoets en krak!

Els: En wat zullen we daar nou vinden in die ijszee?

Jaap: Nou, dat kun je immers toch wel raden: een oud wrak met een paar ijzeren robotten die zich stierlijk zitten te vervelen.

Els: Ach, jij met je onzin!

Huub: Joost, snelheid en richting geheel aangepast.

Joost: Juist. Zie je, we lopen schuins en heel langzaam dat ijsplateau achterop. Dat wil zeggen: als het ijs is.

Dirk: ‘t Is een raar gezicht, hè, zo’n massief eiland... zo’n massief eiland door de lucht te zien zweven. Hè, d-d-d-daar! Daar nog een veel groter. En daar. En daar!

Jaap: Ja ja. Ja, je kan hier wel terecht, hè?

Joost: Ja, da’s ook de bedoeling. Nou, we gaan nu eerst ijs innemen en daarna duiken we weer voorzichtig op uit deze ijszee en gaan dan in een elliptische baan om Saturnus tot we de hele ring onder ons hebben gecheckt. Overigens, Huub, gaan we niet te hard op dat ijsplateau aan?

Huub: Nee, we missen het bij een fractie.

Joost: Goed. Daarna nog een kleine correctiestoot en dan is ’t nog maar een kwestie van centimeters.

Els: Die ijsschol daar, die fonkelt in alle kleuren! Groene en blauwe. Zouden daar diamanten in zitten?

Huub: Het zijn kristallen van verschillende ijssoorten... Verschil in brekingsindex.

Els: Oh...!

Dirk: Zeg, dat ijsplateau zit anders wel vol kloven en scheuren en bulten. Als een klomp eh... kandij.

Joost: Nou, we zullen goed moeten oppassen elkaar niet kwijt te raken. Eh... ik heb het volgende bedacht: we spannen vanaf de luchtsluis een kabel, die we over al die knobbels en prisma’s heen leiden en van meter tot meter verankeren door het inslaan van pinnen. En aan die grondkabel haken wij onze ankerlijnen. Gesnapt?

Huub: Ja ja.

Jaap: We hebben gelukkig de spullen d’r voor. Ik zal ze bij de luchtsluis klaarleggen. Haken, kabels, pinnen, de hele santenkraam.

Els: ‘t Lijkt wel of jullie bergen gaan beklimmen. Waarom moeten jullie je vastleggen? Je kunt toch hier niet vallen?

Jaap: Erger, meisje, erger: je kunt hier een duw krijgen, wegzweven, onzichtbaar worden, ...wegraken.

Dirk: Allemaal onder leiding van de coördinator.

Jaap: Ja ja.

Els: Gaat… gaat die mee? O nee, dan blijf ik hier.

Dirk: Niemand heb jou anders meegevraagd.

Els: Oh.

coördinator: Zoals het de jongedame belieft, ik vergezel deze heren louter op hun verzoek.

Els: Wat!? In plaats van mij nemen jullie nog liever... liever die...

Joost: Noodzaak, Elsje! De coördinator wijst ons tussen al die ijssoorten de stukken aan die we nodig hebben.

Els: Hè, kan… kan… kan Huub dat dan niet doen? Die heeft toch scheikunde?

coördinator: Maar helaas geen instrumentarium. Vroeger heb ik ‘ns een eenvoudig instrumentje ontwikkeld, een soort refractiemeter.

Els: Nou, dan… dan nemen jullie die toch?

coördinator: Ziet u, jongedame, de captain vertrouwt mij zodanig dat hij dit tere instrumentje alleen door mij wil laten bedienen. Hoe kan ik het dan uit handen geven?

Els: Joost? Joost, waarom zeg je niks? Merk je dan niet z’n bedoeling? Hij wil jullie buiten het schip hebben, daar! O, laat me toch niet hier alleen! O, wat moet ik doen als jullie... als jullie niet terugkomen?

Dirk: Nee nee, nee, we kijken wel uit onze doppen, hoor.

Joost: Reken maar, Els. Trouwens, Jaap blijft in ieder geval hier binnen om de installatie te veranderen. Kijk, dat ijs moet eerst worden gesmolten en dan gezuiverd van alle bijmengsels.

 

Jaap: Zeg, Els, hoe is de stand boven?

Els: Ik zit te kijken naar de ijsschots.

Jaap: O, ik bedoel eh... kun je ze zien, hè? ‘t Zou geen kwaad kunnen als je je daarop concentreerde.

Els: Dat doe ik ook, Jaap. ‘k Vertrouw die coördinator voor geen credit.

Jaap: Mm. Ik wel. Ik wel, zolang ik hem tenminste kan zien.

Els: Maar... dat is juist zo moeilijk.

Jaap: Hoezo?

Els: Nou, in die... in die pakken zien ze d’r allemaal hetzelfde uit, allemaal! Eh... Jaap? Wat doe je eigenlijk in ‘t woondek?

Jaap: Wat?

Els: Wat doe je eigenlijk in ‘t woondek?

Jaap: O, ik eh... ik verander het circulatiekanaal.

Els: Oh...

Jaap: Ja, dat eh... dat ijs dat ze daar beneden binnen brengen, hè, da’s eh... onzuiver. Daar zit eh... ammonia in, methaan en stikstof en nog een paar van die leuke dingen. Daar nemen ze nou de beste stukken, hè. Die motten eerst gaan smelten en verdampen, en dan wordt dat door een eh… een aftak van de klimaatmachine geleid, waar de waterdamp wordt gecondenseerd. Voel je wel?

Els: ‘k Geloof het wel.

Jaap: Da’s fijn.

Els: Maar eh... als ‘t nou smelt… Beneden zweeft het toch overal rond! Dat gaat alles roesten.

Jaap: Oh, daar wordt best voor gezorgd, hoor. Hoe is ‘t buiten?

Els: O, moeilijk om alles goed te zien. ‘t Is zo vreselijk piekerig op dat plateau. Dan zie je d’r een, en dan een ander, maar wie is wie?

Jaap: Je kan ze toch ook horen? Dirk heeft toch de radio op hun talkies afgestemd?

Els: Ja, dat wel.

Jaap: Nou dan?

Els: Eh… ik zie d’r twee die met hun vuurstraal iets doen aan... aan van die ijspunten en zo. Huh... waarom nemen ze geen bijlen?

Jaap: Waarom nemen ze geen bijlen... Omdat dat niet kan. Kijk ‘ns: die brokken, hè, die zouden in het heelal verdwijnen, behalve de stukken die hun helmvenster aan diggelen sloegen. Ze snijden dus die… die blokken uit met hun vlampistolen.

Els: (lachje) Die zijn ook overal goed voor!

Jaap: O ja.

Els: Alleen, waarom ankeren ze zich nou aan pinnen vast? Ze vallen toch niet van dat plateau af? Ze worden even goed aangetrokken door Saturnus als dat plateau.

Jaap: Even goed, ja. Ja. Ja, en evenveel dan, hè. Kijk ‘ns, ten opzichte van mekaar... van mekaar hebben ze geen aantrekking.

Els: (zucht) Begrijpen doe ’k het niet.

Jaap: Moet je luisteren. Het is elementair, hè: als je... als je nou twee stenen samen wegkeilt, dan kleven ze toch ook niet aan mekaar vast? Moet je je voorstellen dat wij en dat plateau, nietwaar, wij zijn als twee stenen gekeild om Saturnus. Gesnapt?

Els: Ja.

Jaap: Dat werd dan de hoogste tijd, want ik heb hier wel want anders te doen dan kleuters dit wijs te maken.

Els: Dank je.

Jaap: Laat maar zitten.

Els: Zeg, Jaap?

Jaap: Alweer de baby. Ja?

Els: Ja, daar verder, daar is ook zo’n ijsberg. Ik zie ‘m al een tijdje.

Jaap: Let maar liever op deze.

Els: Ja, alleen… het lijkt of... of die andere groter geworden is. Kan dat kwaad, Jaap?

Jaap: Mm? Zo... Nou, ik kom straks wel ‘ns effe kijken. Nou hier maar ‘ns effe de zaak opengooien. Dan kunnen we zien wat wat is, voor we een splitsing in het systeem gaan maken.

 

Joost: En, Huub, wat zeggen de blokken daar bij jou in ‘t machinedek?

Huub: Dat ze niet al te stevig op de vloer willen blijven liggen, maar ik hou ze wel binnenboord. Zeg, Joost, wil ik soms Dirk op jouw plateau komen aflossen? Die moet ze allemaal lanceren.

Joost: Ja, dat lanceren moet stuk voor stuk gebeuren. We kunnen ze hier niet opslaan. Ze zouden gaan wegdrijven. Gaat het nog, Dirk?

Dirk: O, ik ben nog allang niet moe. Ik hou mijn dubbele functie wel, als je me voelt.

coördinator: Uw diligent toezicht vereert me, heer Dirk. Ik zou nauwelijks een verdachte beweging kunnen maken.

Dirk: Nou, als je ‘t maar weet, hoor. Daar komt er weer een, Huub, recht op het luik aan. Pas op je vensterplaat, die kunnen we niet direct repareren.

Huub: Ik moet tenslotte ook wat risico lopen.

coördinator: Probeert u deze formatie, captain. Kunt u erbij met dat pistool?

Joost: Nee, ik eh... ik kom iets verder die kant op.

coördinator: Hecht uw ankerlijn dan vooral stevig vast.

Dirk: Ja ja, en ik blijf wel in uw buurt, hoor, coördinator.

Joost: Nou, ‘t is hier met recht berg en dal. Nah, dat vlampistool, Dirk. Zo, jij zo en ik zo... Dan snijden we dat blok d’r netjes uit.

Dirk: Ja.

Joost: Waar hebt u eigenlijk de principes van dat instrument geleerd, eh… nou ja, wie u dan ook bent.

coördinator: Houdt u het op coördinator. Die titel heb ik zelf verworven. Dit instrumentje dateert uit het practicum van mijn studietijd.

Joost: Zo? Aan wat voor hogeschool hebt u college gelopen?

coördinator: Een hogeschool waarnaar sinds enige tijd de recherche over de hele aarde naarstig op zoek is.  Een andere van mijn proefstukken was de toepassing van iets dat uw theorie kent als “Maxwells demon.”

Joost: Mijn theorie? Nou, ik in ieder geval niet. Dirk, ja, dat blok is er. Zo. Richt het goed dat het niet naast het luik komt.

Dirk: Nee. Gaat ie al. Netjes over die ijspieken heen. Ja. We zitten bijna buiten zicht van ‘t schip. Weet je dat?

Joost: Nou, nog niet helemaal.

coördinator: Neemt u nu... ja, dat blok. U kunt er nog wel bij vanaf deze pin.

Joost: Ja, we kunnen beter onze lijn wat opschuiven, hè? Anders hebben we geen armslag als het blok, na lossnijden, van ons af drijft.

Dirk: Ja, maar we kruipen over de gezichtsgrens en het is hier toch al één piek al piek.

Joost: Ja, het zal moeilijk anders kunnen.

coördinator: Maxwells demon. Het idee is ontleend aan een soort eigenaardig bovenzinnelijk wezen dat aan uw open raam plaatsneemt en ofschoon het buiten vriest, de snelle luchtmoleculen naar uw huiskamer dirigeert en de langzame terugzendt.

Joost: Nou, het idee is aantrekkelijk. (lachje) De snelle moleculen zijn heet en de langzame, de kouwe moleculen, blijven buiten de kamer. Krijg je ‘t aan de pool smoorheet met open ramen.

Dirk: Ah, sprookjes! Fantasie. Huub, weer een blok, 'k stuur ‘m weg. Huub!

Huub: Ja, ik zie hem.

Joost: Wat zegt uw instrument van die formatie, hier opzij, coördinator?

coördinator: Die andere, verderop, is beter: bevat meer H2O.

Joost: Goed. Dan maar weer iets verschuiven, hè.

coördinator: Maxwells fantasie is uitvoerbaar. Elke temperatuur, zelfs lucht van dertig graden onder nul, is immers een gemiddelde. Tegenover vele langzame, dus koude moleculen, van soms tachtig à honderd graden onder nul, zijn er ook een aanzienlijk aantal van veel hogere temperatuur, zelfs honderden graden boven nul. De kunst is die snelle van de langzame te scheiden.

Joost: En u kent de methode? Nou, die zou ik graag weten.

Jaap: Hé, Joost! Joost! Waar zit je?

Joost: Wacht, da’s Jaap. Hier! We zijn okay: over de hoge richel in het midden.

Jaap: We kunnen jullie drieën niet meer zien.

Joost: Nou, we komen zo dadelijk terug.

Jaap: Nou, daar zou ik daar maar niet te lang mee wachten als ik jullie was, want eh... van hieruit zien we een joekel van een ijsmassief op ons afkomen.

Joost: Hoever nog?

Jaap: Nou ja, da’s… da’s moeilijk te schatten, hoor.

Joost: De proxy, kijk daar dan op.

Jaap: Da’s buiten m’n specialiteit. Eh... ja... nou, eh.. een kilometer of eh... anderhalf. Zou dat kunnen?

Joost: Nou, hoe kan ik dat nu beoordelen? Van hieruit kan ik dat massief toch niet zien?

Jaap: Ja, maar gaandeweg wordt ie toch groter, tenminste, lijkt het ons. Volgens die parallax op de proxy heeft ie niet meer dan voetgangerssnelheid.

Dirk: O, is dat alles?

Joost: Ja, maar voor een voetganger van 100.000 ton moeten we toch oppassen, Dirk.

coördinator: Dat ben ik volkomen met u eens, captain.

Dirk: ‘t Is ons onverschillig, coördinator, wat u al of niet met ons eens bent.

Joost: Ja ja ja, Dirk, ‘t is al goed.

Dirk: Ja ja!!

Joost: Als dat gevaarte tegen ons ijsplateau aankomt, dan blijft er geen gruzelement heel. Jaap?

Jaap: Mm?

Joost: Hoe ligt het schip? In de lijn van de botsing?

Jaap: Nee, gelukkig afwaarts. Eh… lijzijde zou je kunnen zeggen.

Dirk: O, die glijdt tenminste aan de veilige kant.

Joost: Nou, vergeet dat maar. Wanneer al die gekraakte blokken met hun scherpe kanten het schip in de flank komen, dan zijn we gepiept! Enfin, we snijden nog een paar blokken uit en dan hebben we wel genoeg. Jaap?

Jaap: Mm?

Joost: Hou dat massief in het oog.

Jaap: Als een medeminnaar.

Joost: Zeg, Dirk?

Dirk: Mm?

Joost: Daar kunnen we nog een hap uit nemen.

Dirk: Ja, da’s goed. Ik eh... ik snij vertikaal, is ’t goed?

Joost: Ja, dan ik horizontaal. Waar gaat u heen, coördinator?

Dirk: Zeg, hé, kunt u niet luisteren?

coördinator: Waarom nerveus, heren? Ik wilde eigenlijk vast het verste uiteinde van de grondkabel losmaken. Daar komt u nu toch niet meer.

Joost: Nou, voor mijn part... Maar houdt u dan tenminste zelf de kabel vast.

Dirk: O, u mag ‘m even goed loslaten, hoor. Zeg, dit terrein lijkt wel op de... op de grafiek van een gek geworden oscilloscoop.

Dirk: Ja. Ja, dat heb je goed bekeken, Joost. Een grondkabel overal met pinnen op de toppen van die kristalhopen. Ja, en dan de sluithaken van onze ankerlijnen om de kabel. Ja, dat is prima.

Joost: Ja ja, we glijden als de gordijnen over hun rails. Zo! Dat blok is los.

Dirk: Let op. Let op, Huub. Huub! Komt ie aandrijven. Overigens, we zijn buiten zicht van ‘t schip.

Joost: Nou, dan nu maar stoppen en terug.

coördinator: U neemt mij niet kwalijk als ik nog even achterblijf? Die ingeslagen pinnen losmaken vordert enige tijd.

Joost: Goed, coördinator, dan gaan Dirk en ik vast terug naar het schip. Als u de kabel hebt ingehaald, komt u dan via de luchtsluis naar binnen.

coördinator: Zoals u wilt.

Dirk: En niet eens bang, broer, dat wij zonder je zullen vertrekken?

coördinator: Hoegenaamd niet, heer Dirk. (klik)

Dirk: Asjeblieft! Sluit ie z’n talkie af. De hork!

Joost: Kom, Dirk, voorzichtig langs de kabel. Van piek tot piek.

Dirk: Tja. ‘t Is gek, hè, die coördinator, hè, dat moet nou een menselijk wezen voorstellen.

Joost: Ja, ik heb geen idee wat die man denkt, hè. Ja, weer een pin... d’r omheen.

Dirk: Ja. Of wat ie daar nou aan het eind van die kabel zit uit te dokteren.

Joost: Ja, Els is ronduit bang voor ‘m. Pin! We komen over de richel.

Dirk: Mooi. Bang? Ja, ja.

Dirk: ‘t Enige van die griet waar ik het ermee eens ben.

Joost: Ach joh, dat kind is toch pas zeventien... Je moet toch wat kunnen vergeven.

Dirk: Ja, laten we nou maar maken dat we binnenkomen.

Jaap: Joost? Dirk?

Joost: Ja, wij zijn het.

Jaap: Ja, nee, ik eh... ik vroeg het maar, want eh... in die pakken zien jullie d’r allemaal hetzelfde uit. Zeg, waar... waar is die kerel?

Joost: Die laten we de grondlijn inpalmen. (lachje) Kan ie geen kwaad.

Jaap: (lachje) Da’s goed bekeken. Nou, zie je ‘t nou, dat massief. Mm?

Joost: Ja, net. Nou, het is nogal wat.

Huub: Zeg lui, hier vanuit het open luik heb ik op dat massief een magnifiek uitzicht. Alleen het inzicht ontbreekt er nog maar aan, want ik heb geen idee waardoor het op ons af komt.

Joost: Ja, ik geloof eerder dat wij het zijn die dat massief inhalen. We zijn zijwaarts gemeerd aan ons plateau. We hebben een klein momentum in binnenwaartse richting van de binnenkant van de ring. Dan gaan we sneller om Saturnus draaien en halen ‘m in.

Huub: Onmogelijk, Joost! Want dan komen we toch immers in regionen die ook sneller draaien, dan moet alles hetzelfde blijven. We halen dus niets in. Elementaire mechanica.

Dirk: Nou, dan snap ik er ook niks van.

Joost: Nou, ik evenmin. Ja, pas op, daar komt de volgende pin.

Dirk: Ja.

Joost: Op één na de laatste... Hoe dichter je om een vast hemellichaam wentelt, hoe sneller je gaat... Ja, en dat geldt voor alle voorwerpen. Dat wij hier dat massief inhalen of, andersom, dat massief ons, is dus een onmogelijk feit...

Dirk: Net als die demon van Maxwell, met z’n kouwe en z’n warme lucht.

Joost: Kom, we moeten voor de bui binnen zijn.

Dirk: Ja.

Joost: Oversteken naar het laadluik. Hup!

Huub: Goed gemikt.

Joost: Ik ben binnen. Dirk?

Dirk: Present.

Huub: Luiken dicht.

Joost: Knop voor de atmosfeeropbouw... Wat een geluk, hè, dat onze algen tegen het vacuüm kunnen.

Dirk: Tja. Anders zaten we mooi slecht, want die algen in het woondek, nou, die zouden ‘t alleen niet redden, hoor.

Joost: Ja, de opbouw van de atmosfeer hier duurt heel wat langer dan in de luchtsluis. Onze koudbloedige vriend zit dus waarschijnlijk al binnen. Jaap?

Jaap: Ja?

Joost: Ik zou, als ik jou was, nu maar verder gaan moet die luchtcirculator. Die blokken ijs drijven hier in het machinedek overal rond.

Jaap: Ja, alleen eh... ik ben hier nou effe aan ‘t kijken... Je moet weten, die... die... die grondlijn op dat plateau ligt

er nog, maar… waar blijft die kerel?

Joost: Is die nog niet in de luchtsluis?

Jaap: Nee.

Joost: Da’s vreemd... Zo. We hebben weer druk. Lui, de helm kan los.

Dirk & Joost: (zuchten)

Huub: Zo. Das beter dan die ingeblikte lucht.

Dirk: Nou.

Joost: Ja, hou de pakken nog maar aan. Eerst ‘ns naar boven die ijsmassieven bekijken.

Huub: De aflezingen van Jaap zijn er natuurlijk naast.

 

Els: Ik geloof dat ik ze hoor, Jaap.

Jaap: Dat wordt dan hoog tijd. Eh... wij moeten de prut uit voordat die twee ijslolly’s het met mekaar gaan uitvechten.

Joost: Zo, hier zijn we. En?

Jaap: Zeg, Joost, dat massief, ‘t is vlakbij.

Huub: O nee. Veel verder weg dan je dacht, Jaap: tien kilometer. Maar helaas, met de snelheid heb je je ook verrekend: een decimaal vergeten... Geen vijf maar vijftig kilometer per uur minstens. Maar dat is volslagen onmogelijk!

Joost: Ja, onmogelijk of niet, we moeten maken dat we wegkomen! En waar blijft die coördinator nou? Ik begrijp het niet. Dirk, roep ‘m op.

Dirk: Hè? O, nou ja, mij best hoor. (schakelt in) Hallo. Hallo!! Hé jij? Wou je daar overnachten?

Joost: Overnachten? Dat is waar ook: de zon is bezig achter Saturnus te verdwijnen.

Huub: Heel normaal. We gaan over de terminator. Dadelijk komen we in de schaduwkegel van de planeet.

Dirk: Nou, hij geeft geen antwoord!

Joost: Ja, maar waarom niet? Is die man dan gek? Hij kan toch wel zien dat de tijd dringt!

Huub: Misschien is er wel wat met ‘m gebeurd.

Dirk: Aah, een schurk minder. ‘t Spaart ons de moeite.

Jaap: Zo is het. (schakelt uit)

Joost: Nou, nemen jullie dan maar vast je plaats in. Els, dito. En gesp je allemaal vast. Voor de nacht valt, moeten we hier weg zijn en zeker voor dat ijsmassief ons verbrijzelt. Jaap, maak bij jou alles startklaar, en dan, ga dan voor het paneel van de motorsectie en zet ‘m stand-by op 1-A zwart. Dan kunnen we met een klein stootje uit de buurt komen. Ja, gelukkig ligt het schip tegen de botsrichting in.

Jaap: Ik zit. (schakelt)

Joost: Mooi. Alles groen. Mooi, Jaap.

Joost: Generators op knop 31, Dirk.

Dirk: 31.

Joost: Vier seconden. Eén tiende G. Start!... (drukt op de knop) Hè? Wat is dat? Wat is dat? M’n knop doet niets!

Dirk: Hij staat op 31.

Joost: Ja, het licht brandt, maar d’r gebeurt niets!

Huub: Je bedoelt dat de generatoren niet reageren, Joost?

Joost: Ja, ik druk en ik druk... maar niets!! Hoe komt dat?

Dirk: M’n meters staan nul! Hier! Het 1000 volt-net, da’s stroomloos! Er is geen spanning!

Joost: Dus daarom maakte die coördinator zich geen zorg dat we ’m zouden achterlaten!

Dirk: Bij Kijenkivics!! Hij heeft aan het net geknoeid!

Huub: Wat moeten we nu doen?

Els: Kunnen jullie ‘m nog gaan halen?

Joost: Ja, dan moet ik wel duvels gauw zijn.

Jaap: Jij alleen gaan? Nee nee nee, niks d’r van.

Dirk: Hij heeft een val klaar gemaakt.

Jaap: Hij wist dat we moesten terugkomen!

Joost: Ja, geen tijd. Wat kan ik anders doen? Maar jullie blijven waar je bent, houd alles stand-by. Ik kom zo terug.

Huub: Nog vier minuten schat ik voor de botsing. Dat massief is vlakbij! (luchtsluis) Kun jij niet wat doen, Dirk? Aan dat net?

Dirk: Zo gauw, nee, dat kan ik niet. Joost is al in de luchtsluis. Ik kan het niet in vijf minuten!

Huub: Nog drie een halve minuut...

Jaap: He... jij... jij moest je als chronometer gaan verhuren.

Els: Daar gaat ie! Kijk, op het scherm. Joost kruipt langs de lijn. O, als er maar niks gebeurt! O, hij is gewoon geweldig!

Huub: ‘k Denk dat die coördinator in een spleet geraakt is, aan de andere kant van het plateau. Misschien is z’n talkie beschadigd.

Dirk: Dat ie het net heeft afgeschakeld, de beroerling! Nou moet Joost z’n leven wagen.

Huub: Nou is ie over de richel. Drie minuten voor de botsing.

Jaap: Jongens, jongens, laten we duimen. Joost komt... komt terug. Heus. En met die vent, reken maar. Maar... wanneer, hè? Een wedstrijd tegen de klok is dit... Als... als we dat verliezen...

Huub: We kunnen het massief nu van hieraf niet meer zien. Laten we hopen dat de tijd meevalt. Onze berekeningen afgeleid van het scherm zijn tenslotte benaderingen.

Dirk: Schattingen! Schatting? Dus… dus je weet nog niet eens zeker dat...

Els: Daar heb je ‘m! Roep ‘m, Dirk! Hij is alleen.

Dirk: Hij is alleen!... Hij heeft die vent niet gevonden! En nu... (schakelt in) Joost! Joost!

Jaap: Ja, daar staan we mooi op, mensen.

Els: Waarom geeft Joost geen antwoord?

Dirk: Hij zwaait met z’n armen. Joost! Joost! Geef antwoord. Hoe moeten we nu? Nog een paar minuten!! Geef toch antwoord!!

Huub: Daar gaat ie de luchtsluis in!

Jaap: Ach, het maakt niks meer uit, Dirk. Hier, bekijk jij die circuits maar.

Dirk: Het doormeten sectie voor sectie? Tot we ’t gevonden hebben? Nee, dat… dat kost een uur!

Huub: Dat heeft geen enkele zin, we zitten vast. Die ellendeling heeft ons dit bezorgd. (luchtsluis) De zon gaat onder...

Jaap: Saboteur. Heeft ie ons toch nog te grazen gehad.

Huub: Over twee minuten weten we ’t zeker. (luchtsluis) Of er moet een wonder gebeuren. Daar is Joost! Hij komt naar boven.

Els: Joost!

Dirk: In ieder geval zijn we bij elkaar.

Huub: We hebben tenslotte ons best gedaan. Joost! O, ik zie het: z’n antenne was defect.

Els: Joost! Joost! O Joost, Joost, ik help je die helm afzetten. Zo.

Jaap: Tjonge jonge jonge

Els: Die klep los...

coördinator: Wel, heren, daar zijn we dan.

Els: (schrikt heftig)

Dirk: Wat! Jij!! Jij!!! Waar is Joost? Wat heb je met ‘m gedaan?

Jaap: Waarom heb je ‘t net gestoord?

Dirk: Zeg op! Of ik draai je je nek om voor we aan splinters gaan.

coördinator: Pardon? Ik heb uw captain niet gezien, ook niet gehoord. Ik zie de oorzaak nu: mijn helmantenne was afgebroken.

Jaap: Maak het net in orde, dat we kunnen starten. Je hebt eraan geknoeid!

coördinator: Gemanipuleerd, ja.

Jaap: Geknoeid!!

coördinator: Zinrijke voorzorg is mijn specialiteit, u moest dat weten.

Dirk: Kom, kom Huub, kom Jaap.

Jaap: Ja.

Dirk: We gaan ‘m halen.

Jaap: Ja, ‘k ga met je mee. Joost is daar buiten in het donker en die rotvent heeft de lijn ingehaald!

Huub: Binnen een minuut... Het is nu te laat, nog 45 seconden.

Dirk: ‘t Kan me niet schelen. Jaap!!

Jaap: Ja, ik ga mee, Dirk.

Els: Nee, nee, nee, Dirk, nee!

Dirk: Els, ga weg!

Els: Nee...

Dirk: Ga weg, voor de duivel, ga weg!

Els: Nee! Nee!

Dirk: Schiet op! Schiet op, zeg ik je!

Els: Dacht je dat ik jou ook dood wilde? Nee!! (heftig geluid)

Dirk: O, Horvath! Daar komt 't... en Joost is buiten.

Huub: Coördinator! Start de generatoren.

coördinator: Bijna startklaar. Nog vijftien seconden, heer Huub.

Jaap: We zijn te laat!... De lawine!!... De ijslawine!!!

Els: (gilt het uit)

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
 


[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831)

[3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936

[4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339)

[6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990

[9] nog geen gegevens