TESTBEMANNING

DEEL 16: DE OVERLEVENDEN

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 14/01/1962 (herhaling: woensdag 02/08/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids]

- ir. Reitsema: Wam Heskes ([2])

- Gerda: Irene Poorter ([3])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4])

- Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6])

- Huub, navigator: Frans Somers ([7])

- Els: Nora Boerman ([8])

- coördinator: Jo Nobel ([9])

technische gegevens: 36’41” - 25,1 MB - mp3

 

Reitsema: Ik weet werkelijk niet, Gerda, waar nu te beginnen.

Gerda: Maar is het eigenlijk nog nodig, nu alles over de hele wereld bekend is? Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan. En vanmorgen was het eerste wat ik deed: naar buiten kijken, naar de zon. Gelukkig waren er wolken voor.

Reitsema: Lieve kind, wolken zullen ons niet beschermen wanneer het komt, als over zeven maanden de zon uiteenbarst. Het is onbegrijpelijk dat er gisteravond, toen alles gepubliceerd werd, geen paniek is ontstaan.

Gerda: Ik durf er niet eens aan te denken. Misschien is iedereen zo.

Reitsema: Ja, iets kan ook te erg zijn voor paniek. En alles gaat normaal door.

Gerda: Wij gaan immers ook gewoon door.

Reitsema: Maar waar nu te beginnen? We kunnen achteraf pas enigszins gissen wat er met de Alpha gebeurd is.

Gerda: Eh… als u eens begon met die laatste twee vreemde radiogrammen.

Reitsema: Dat zou kunnen, maar dan voel ik toch meer voor een reconstructie van de voorgeschiedenis van die tegenstrijdige berichten. Ja, laten we daarmee beginnen. Heb je een Sony-schijf erin?

Gerda: Ja, hij draait, meneer.                        

Reitsema: (schakelt in) “Lezers, vrienden. Nu ondanks de zorgvuldige camouflage van het project Alpha ten slotte toch zeer onverwacht alles openbaar is geworden, en overigens om u reeds bekende redenen tot het uitgeven van verdere communiqués geen aanleiding meer bestaat, moet ik in deze kolom een afscheid van u nemen en overgaan, evenals u, tot de orde van de dag... In dit artikel echter, alsmede in het volgende, zal ik trachten, aan de hand van hetgeen nu is bekend geworden, een reconstructie te geven van het raadselachtige lot dat de Alpha ten slotte heeft getroffen. Wij weten zeker dat de gewaande coördinator samen met de captain en twee andere bemanningsleden het ijsplateau heeft beklommen en door de geopende luiken van het geïsoleerde machinedek de Alpha een hoeveelheid ongezuiverd ijs heeft ingeladen. Voorts dat het ijsplateau in botsing dreigde te komen met een sneller, even omvangrijk ijsmassief. Hoe deze botsing werd veroorzaakt, kunnen we thans wel raden. Wat we zeker weten is dat beide ringfragmenten elkaar verbrijzelden en de Alpha door hun brokstukken ernstig werd beschadigd. De gewaande coördinator had, om niet op het plateau te worden achtergelaten, het hoogspanningsnet van de Alpha geblokkeerd. Na verdere maatregelen te hebben getroffen kwam hij als laatste van de groep terug in de Alpha. Ros, die hem op het laatste ogenblik nog was gaan zoeken, kon niet tijdig terugkeren en vóór de coördinator het net weer in bedrijf kon stellen, vond de ramp plaats. Wij kunnen ons voorstellen met welk geweld de lawine van ijsblokken op de Alpha neer donderde...”

 

Els: (snikt)

Huub: ‘t Is voorbij... We leven nog.

Jaap: (zucht)

Els: Kunnen we... niets meer voor ‘m doen?... Voor Joost?

Huub: Niets... Niets. ‘t Is nacht buiten. Hier op de proxy een miljoen blips… Eén daarvan is Joost, met een kwartiertje lucht. Hem zoeken heeft geen zin. Sorry.

Jaap: Nou ja, hou dan maar op, meisje, hè? Dat gesnotter, dat helpt ook geen mens.

Huub: Eerst het schip uit deze ring, als het nog functioneert.

Dirk: Als het niet heel is, dan is hij het, die moordenaar daar, die het op z’n geweten heeft.

coördinator: Heer Dirk...

Dirk: Ja, moordenaar! Moordenaar! Jij hebt Joost… Jij hebt Joost…

Huub: Jaap, hou ‘m vast!

Jaap: Ja ja ja.

Dirk: Laat me los. Laat me los!!

Jaap: Nee, jongen! Hou nou toch op!

Dirk: Ik zal ‘m met m’n.. met m’n eigen handen…

Huub: Jij zult niets, Dirk. Ik voer nu het bevel.

Dirk: Die ellendeling! Schoft! Wacht maar, wacht maar tot ik m’n handen vrij heb.

Jaap: Kom nou, jongen, kom nou, kom nou, we hebben nou wel iets belangrijkers te doen.

coördinator: U kunt nu starten, heren.

Huub: Gyrotol 1, Jaap.

Jaap: Ja.

Huub: Noordwaarts 15 graden.

Jaap: Ja. Ingesteld. Kom, Dirk, joh, kom, kom,....

Dirk: Groene knop 61-A. Werkt ie?

Huub: (gyrotol start) Ja. Anderhalve minuut.

coördinator: Ik maak hiervan gebruik, heren, door te verklaren dat ik van een eventuele dood van uw captain niets weet en in geen enkel opzicht daaraan schuldig ben.

Dirk: Dat kan jij zeggen. Dat kan je makkelijk zeggen.

coördinator: Vooral omdat het de waarheid is, heer Dirk. Maar vertelt u eens: als ik u niet door het treffen van zekere voorzorgen daartoe had genoopt, zou één van u vieren mij hebben opgespoord?

Dirk: Hè?? Nou, dat-dat-dat-dat...

coördinator: De waarheid, heer Dirk.

Dirk: Nee!

coördinator: Dank u.

Huub: Stop gyro. Nou... motoren een tiende G. Koers ongeblokkeerd zo te zien op de proxy.

Jaap: Stand-by...

Dirk: Knop 1-B.

Huub: Groen, en start. (ontbranding) Vier seconden. Motor af. Dat is dat.

Jaap: Ja.

Huub: Nou de schade. De doorgang naar het woondek heeft zich gesloten. Dus beneden is een vacuüm? Hm.

Dirk: Huub?

Huub: Ja, Dirk?

Dirk: Wat moeten we... wat moeten we doen nou, zonder Joost?

Huub: Wat Joost zou gewild hebben, Dirk, en wat ie nog niet zo... zo lang geleden uitsprak: onverschillig of wij ons daarbij moeten bedienen van een misdadiger, het project gaat voort.

Dirk: Zullen we de aarde oproepen?

Huub: Mm... Nee.

Jaap: Ja, maar Huub, ze moeten toch weten hoe het er hier voorstaat?

Huub: Eerst moeten wij weten of de schade valt te herstellen. Communicatie nu heeft geen zin.

Jaap: Ja... Ja, daar heb je gelijk in, natuurlijk.

Huub: ‘k Verwacht dat het woondek een ravage is. Dan moeten we die zo snel mogelijk zien te herstellen, hoe dan ook.

Els: Maar Huub, hoe… hoe moeten we d’r bij komen? Dat ding zit dicht, dat tussenschot, automatisch.

Huub: Eenvoudig: we decomprimeren dit stuurdek. Dan kunnen we ‘t luik openen en zo komen we beneden, uiteraard in onze luchtpakken. We hebben ze trouwens nog aan.

Els: Ja! Ja, zo gaat het.

Jaap: Dat is nogal eenvoudig, zeg.

coördinator: Inderdaad eenvoudig, als ik het beamen mag, voor de heren Huub, Dirk en mezelf. Maar voor u, heer Jaap, en die jongedame?

Jaap: Hè? Onze... onze pakken, die eh… die zijn... die zijn beneden!

coördinator: Volgens voorschrift geborgen in de kast naast de luchtsluis. En hoe komt u daar bij?

Huub: Ja, dat weet ik voor ‘t moment ook niet.

Jaap: Ja, Joost, Joost die zou het wel geweten hebben.

Dirk: Ja, ja.

Huub: En onze hele leefmogelijkheid staat of valt met de vrije beschikking over het woondek.

Dirk: Ja, dat-dat-dat-dat-dat weet ik evengoed!

Huub: We zitten dus in een vicieuze cirkel: eer we ’t woondek kunnen openen, moeten we hier een vacuüm toelaten...

Jaap: Moet jij ‘m horen...

Huub: Om Jaap en Els daartegen te beschermen moeten ze een luchtpak hebben...

Jaap: Nee toch...

Huub: Die luchtpakken zitten in het woondek...

Jaap: ...woondek. Ja ja ja!! Ga ons het een beetje uitleggen, hè...

Huub: Ja, je moeten nou beginnen een probleem duidelijk te stellen. Zonder dat bestaat er geen kans het op te lossen. Ja, we zitten nu aan de nachtzijde van de ring en zijn dus buiten onmiddellijk gevaar. Ik stel daarom voor eerst te gaan slapen. Daarna zijn we misschien helder genoeg om toch nog een oplossing voor het vraagstuk te vinden. Momenteel zie ik er geen.

Dirk: Ja... da’s misschien ‘t beste, ja. Ja, als we slapen kunnen.

Jaap: Ach... we zijn allemaal leeg, Dirk. ‘t Zal niet meevallen te slapen in die veerstoelen. Ja, we kunnen het proberen.

Dirk: Eerst hebben we nog wat anders te doen.

Jaap: Wat?

Dirk: Die daar.

Jaap: Aha.

Huub: Oh ja, we moeten die seigneur secuur vastmaken. Maar hoe?

Jaap: Heel goed ingespen, en de sluiting op de rug van de stoel. Eenvoudig.

coördinator: Ha! En zou er iets gebeuren, dan ben ik ditmaal gedechargeerd, mag ik aannemen? Ga dan uw gang heren, ik zit.

Jaap: Fijn. Best mogelijk dat we wat onbeleefd zijn, coördinatortje, maar... zeker is... zeker, en dat is dat.

Huub: Zo. En laat nou ieder proberen te slapen zoals ik, en niet denken. Dat leidt nu tot niets. Eh... we vinden er iets op, gegarandeerd.

 

Els: Jaap... Slaap je?

Jaap: Nee.

Els: Ik ook niet. (zucht) Hoe hij slapen kan, Huub...

Jaap: Mm. Het heeft ‘m ook aangepakt, maar eh… hij kan slapen, omdat ie wil. Het commando is op Huub overgegaan.

Els: Maar het schip is wakker. Het schip slaapt nooit. Je hoort altijd dingetjes snorren en tikken.

Jaap: Ja.

Els: Jaap...?

Jaap: Mm?

Els: Ik voel me zo ongelukkig.

Jaap: Luister ‘ns, poppie. Gaf jij eh... gaf jij werkelijk om ‘m?

Els: ‘k Weet het niet.

Jaap: Je voelt je schuldig, is ‘t niet?

Els: Ja. Erg. Omdat... Hij was zo gevoelig, daarom.

Jaap: Mm. Misschien is het voor hem tenslotte zo... hm... nee.

Els: ‘t Beste? Wou je dat zeggen?

Jaap: Zijn vader, hè, zijn vader was testpiloot. Dat was eh… op Ypenburg. Vroeger was dat een vliegveld bij Den Haag. Zij woonden op Scheveningen. Maar z’n moeder, hè, z’n moeder zat altijd in angst. En al probeerde ze die angst te verbergen, iets daarvan moet toch op hem zijn overgebracht. Om daar nou tegen in te gaan, werd ie misschien hetzelfde als z’n vader: testpiloot.

Els: Waarom dan?

Jaap: Tja, waarom dan, waarom dan? Om iets te overwinnen, denk ik. Moed, hè? Moed is het bedwingen van angst. Komt heel vaak voor, ja. Hij was moedig, sympathiek, menselijk, hè. En toch, ergens had ie een eh... reserve. Hoe moet ’k dat nou zeggen, een schermpie, een scherm! Hè? Een scherm om een zwakke plek.

Els: Nee, ik voel dat anders.

Dirk: Ik voel dat... dat jullie maar allebei ‘t best je mond kon houden.

Jaap: Nou nou nou nou.

Dirk: Ga slapen.

Els: Maar... ik… ik kan het niet, Dirk.

Dirk: Ik wel soms? Ga slapen...

Els: (zucht) Slapen.. slapen... slapen... Hoe? Terwijl je je eigen adem hoort, je eigen adem hoort, terwijl je zit in de stoel van Joost Ros, in zijn stoel. Omdat je niet naast die griezel daar durft te blijven. Joost! Joost... Wat moet er van ons worden?... Van mij worden? (stappen)

Joost: Waar ben ik? Hoe kom ik hier?

Els: Joost! Je bent... teruggekomen?

Joost: Wie is hier? Wie is hier? (zucht) Niemand...

Els: Staar me niet zo aan! Ik ben het! Ik ben het! Hoor me dan toch. Ik!

Joost: Niemand.... Ik ben alleen...

Els: Kom niet naar me toe! Raak me niet aan! Waarom zie je me niet?

Joost: Niemand... Er was nooit iemand, er is nooit iemand geweest die...

Els: Dit... hier... is... is jouw stoel. Ik... ik had er niet in mogen gaan zitten.

Joost: In deze stoel? Ja... zitten... een mens alleen... En daar: een lege stoel van Huub... van Jaap... van Dirk... van Els...!

Els: Ja!... Joost!

Joost: Els?... (zucht) Niemand... Wat is er gebeurd? Hier?... En buiten? Daar! Daar!!

Els: Joost! Wat zie je?

Joost: Daar! Alles! Ik begrijp alles. Ze zijn buiten, allemaal buiten. Nog een halve minuut en het schip kan niet wachten. Ik moet weg. Mannen! Mannen, kom toch, kom, vooruit mannen, red je! Het ijs! Luister dan toch! Het ijs komt, het ijs! Red je!

Els: (gilt) Het is... het is een droom... Maar een droom. Ik eh... Hè? Waarom... waarom kan ik niet bewegen? Wat heb ik? Ik... ik... ik voel niks!  Dirk!! Dirk!! Jaap! Huub! Dirk!!

Huub: Ik ben haast helemaal verstijfd!

Jaap: Zeg, het is hier... het is hier ver onder nul. O! Au! O, ik kan me haast niet meer bewegen. Aiai… Opstaan, rijzen, Dirk, ooo...

Els: Maar... hoe komt het hier zo ontzettend koud? Ik... ben helemaal dof.

Huub: Onze klimaatregeling is natuurlijk ad patres.

Dirk: Och, ook dat nog.

Jaap: Kapot? Zou het? Ja, maar dan is het toch niet ineens... Hoeveel? Dertig onder nul!?

Huub: Of... we zijn onze buitenisolatie kwijt!

Els: Natuurlijk! Daarom droomde ik zo verschrikkelijk van het ijs! Het kwam opnieuw, en opnieuw.

Dirk: Het... het ijs, Jaap! De luchtcirculatie! Hier... voel ‘ns wat er uit die buizen komt!

Jaap: Jongens, die vorst komt uit het machinedek.

Els: Ja, maar hoe kan dat nou?

Jaap: O, dat is allemaal mijn stomme schuld! Ik had het kunnen weten! Ik heb er helemaal niet aan gedacht: d’r ligt wel twintig ton ijs van bijna 270 graden onder nul!

Huub: Ja, laat nu maar, we komen er toch niet bij.

Jaap: Ja…

Huub: Het veiligheidsluik is immers vergrendeld. Het ging allemaal te snel.

Jaap: Ja, we hadden niet moeten gaan slapen. Als Els ons niet had wakker gemaakt, dan...

Huub: En iets anders nog: als straks het methaan uit het ijs ook nog gaat smelten... We moeten direct in het woondek. We moeten hier onmiddellijk iets aan doen.

Els: Maar we kunnen d’r niet in.

Huub: Toch zal het moeten. De thermometer daalt. We zitten muurvast.

coördinator: Ditzelfde lot, heren, onderga ik eveneens, zij het dan vastgebonden, weliswaar met de soepele banden van uw voortreffelijk nylonplastic.

Huub: Ja, die zijn nu overbodig. Maak de coördinator los, Jaap.

Jaap: Mot dat?

coördinator: Merkwaardig... dat u door middel van dit soepel nylonplastic zich tegen de verkeerde vijand dacht te beschermen.

Jaap: Nylonplastic...

coördinator: En wat nu de kwestie van uw tekort aan luchtpakken aangaat...

Jaap: Ja, wacht ‘ns even, wacht ‘ns even... nylonplastic zegt u. Luchtpakken... Wacht ‘ns even, we hebben nylonplastic, jazeker, zelfs hier. Huub, die eh... die eh… weet je wel, die zakken die eh... die moeten dienen als eh...

Huub: O, die... ja ja, dat kan wel, ook al zijn ze niet bestemd voor levenden. Ze moeten de juiste maat hebben uiteraard.

Jaap: (opent een kist) Nou hier, kijk maar: twee. Een voor haar, en een voor mij.

Els: Moeten we... daarin?

Jaap: Ja ja, laten we hopen dat het eh... (lachje) voor tijdelijk is. ‘t Is wel geen opwekkend idee, maar ja, goed, we nemen allebei een eh... een luchtfles d’r in mee.

Els: Nou dan eh... dan moet het maar. Maar ik vind het maar vreselijk eng.

Huub: Wacht nog even, allebei. We moeten dit zaakje timen. Luister. Jullie twee gaan er nu in…

Jaap: Mm.

Huub: …trekken de sluiting naar binnen en sluiten ‘m hermetisch. Daar is ie is sowieso op gemaakt.

Jaap: Ja, dat wisten we al.

Huub: Jullie hebben dan lucht uit de fles, maar je kunt het koolzuur niet kwijt. Jullie moeten er dus zo kort mogelijk in blijven. Dus wij maken ons eerst klaar. Dirk en u, coördinator, eerst de pakken aan en de helmen vast.

Dirk: Ja, en daarna evacueren we het dek. Ja.

Jaap: Zeg, ja, en als onze luchtblazen beginnen op te zwellen, laat er dan geen lollige broek bij zijn die d’r een prik in geeft, als je begrijpt wat ik bedoel?

Dirk: Ja, we zullen opletten.

Jaap: Ja, ik ken je.

Dirk: Ja, ik beloof het je.

Huub: Ja, we zullen nog voorzichtig moeten vervoeren bovendien. Overigens, als die zakken het maar houden, onder een binnendruk van één volle atmosfeer...   

Jaap: Ja, ze moeten d’r op berekend zijn, hè? Nou, gaan we? Gaan we? Ik voel me alsof ik m’n eigen begrafenis meemaak.

Huub: We deponeren jullie in de luchtsluis...

Jaap: Heb je nog meer van die leuke ideeën?

Huub: Natuurlijk eerst twee luchtpakken erin, uiteraard.

Dirk: Ja, komt er nou nog wat van? ‘t Is hier niet om uit te houden van de kou. Zelfs in m’n luchtpak krijg ik het koud.

Jaap: Nou, zet dan je helm op je hoofd en doe je verwarming aan. Nou, Elsje, meid, ...Glück auf!

Dirk: Zeg, wacht ‘ns... Zal ik eh... zal ik in... in haar plaats gaan?

Huub: Nee, Dirk. We hebben je nodig.

Dirk: Mm.

Els: Nou, tot ziens dan maar.

Huub: Helm dicht, Dirk. Coördinator. Over op talkie.

Dirk: Ja... hier ben ik.

Huub: Jaap en Els hebben hun luchtzakken dicht.

Dirk: Ja, als die plastic dingen het nou maar houden!

coördinator: Ik decomprimeer. Bent u gereed, heren?

Dirk: Ja. Maar niet te plotseling.

Huub: Geen tijd te verliezen. Coördinator, de vacuümpompen. Die zakken barsten wel, of ze barsten niet.  

coördinator: (pomp in werking) Ja.       

Dirk: Pas op! Wacht! Ik geloof… Die... die... die zakken zwellen ellendig op!

Huub: Logisch, door de druk van binnen.

Dirk: Ja, dat weet ik ook wel. Maar... maar als het nou nog verder gaat...

Huub: Pak liever aan. We zitten al in een vacuüm… Tussenluiken openschuiven.

Dirk: Ja. Ja! Komt ie. Ja, schieten jullie nou op met die zakken. Ah, die eend weet misschien niet eens hoe ze met die fles moet omgaan! Door het luik! Vooruit nou!

Huub: Zo, ik ben erdoor. Voorzichtig, eerst Jaap. Coördinator, zorgt u voor de luchtpakken, enzovoort?

coördinator: Ja, ik zal er goed voor zorgen.

Dirk: Huub! Hou ‘m in de gaten, dat ie niet kan knoeien.

Huub: Ik heb geen oog van ‘m af. Ik zei Jaap doorgeven, niet Els. Nou ja, maar vlug dan.

Dirk: Hier komt Jaap.

Huub: Voorzichtig, je schaaft de zijkant... Ook alweer goed afgelopen.

coördinator: Ik heb de sluis geopend. Ziet u die pakken daarin?

Dirk: De cilinders. Zijn ze vol?

coördinator: U zou een en ander eerst zorgvuldig moeten controleren.

Huub: U weet heel goed dat onze tijd daarvoor ontbreekt. Jaap begint al onrustig te bewegen. Het mag niet lang meer duren.

Dirk: We hebben geen keus, maar ik zeg je, coördinator: als er nu iets gebeurt...

Huub: Luchtsluis dicht. 

Dirk: Zet liever de pompen aan!

Huub: O ja.

Dirk: Waarom duurt het zo lang? Waarom duurt het zo lang, dat volpompen van de luchtsluis?

Huub: Lang? Welnee.

Dirk: Het duurt! Het duurt! Het duurt!! En de pompen gaan door. Huub! Wat pompen die pompen daar eigenlijk naar binnen?

Huub: Lucht. Natuurlijk niet vanuit dit woondek. Hier is geen lucht. Ja, maak je niet overstuur... Zo, ‘t is voor elkaar. Kijk maar door het glas.  

Dirk: Huh.

Huub: Ze zijn bezig zich van hun plastic zak te ontdoen. Nu doen ze hun pak aan. Jaap helpt Els.             

Dirk: Ah, die eend kan natuurlijk weer niks zelf.

Huub: Nou, ‘k heb al rondgekeken: daar, boven de eetmachine, en daar dwars in Jaaps slaaphok, zijn de punten van het ijsplateau door de binnenromp gedrongen.

Dirk: Ja, maar daarnaast zit ook nog wat. Ja, ze komen uit de sluis.

Jaap: Nou... uit de doden herrezen. Of het scheelde niet veel.

Els: (diepe zucht) Blij dat ik daar uit ben. Maar eh… nou...?

Jaap: Ja, nou, ik geloof wel dat de schade meevalt, niet? Als je ‘t mij vraagt zijn we d’r nog netjes afgekomen, hoor. Met een beetje goeie wil moeten we ’t kunnen dichtlassen.

Huub: We kunnen d’r van hier uit gemakkelijk bij, lijkt me. Als we nu meteen beginnen, zijn we misschien met een half uurtje klaar.

Jaap: Nee, dat dacht je maar, Huub, nee nee. Al we de binnenromp hebben gedicht, dan moeten we naar buiten.

Dirk: Naar buiten?

Jaap: Ja natuurlijk.

Dirk: In die nacht?

Jaap: Waarin anders? Ja, toen, bij die grote meteorenstorm ten minste een laagje buitenhuid afgeschaafd, maar nou (lachje) zulke gaten zitten d’r in! We zijn ons thermosfleseffect kwijt, hè. En dan nog met hyperijs beneden in onze buik. Dat gat alleen van binnen stoppen, dat helpt niks.

Huub: Maar waarmee moeten we die grote gaten lassen?

Jaap: Ja, da’s nou Japie’s geheim. Ja ja. Kijk, daar: met die slaaphokken. Dacht jij dat die bolle boffers die voor ons gemak hadden neergezet? Jazeker, dat kun je net denken. Da’s reservemateriaal! Ik ga ze afmonteren. En hoe het ook mag komen, we zullen het in orde krijgen.

Huub: Al was het alleen al om Joost.

Dirk: Ik help je, Jaap! En we komen er. Ongeacht wie ons een poot wil dwars zetten.

coördinator: Wat mij betreft, heer Dirk, ik heb de opdracht u allen te helpen uw uiteindelijk doel te bereiken.

 

Huub: Nou het hier weer wat bewoonbaar is, lui, moeten we eerst wat eten. Els, druk ‘ns voor de schaaltjes.

Els: Ja.

Dirk: Hè, zeg, die temperatuursectie is nou al afgegrendeld, en... en ik zit nog te vernikkelen.

Jaap: Nou, ik was anders maar graag meteen aan die buitenplaten begonnen, Huub.

Huub: Eerst wat warms eten.

Dirk: Nou ja.

Huub: Die paar minuten nemen we d’r af.

Jaap: Nja, da’s eigenlijk wel een goed idee. Zeg Dirk...

Dirk: Ja?

Jaap: Als Huub en ik nou straks naar buiten gaan, wil jij dan die… die dekplaten even aan de klimator sleutelen? ‘t Staat een beetje netter, hè.

Dirk: Ja.

Jaap: Ha, daar komen de schaaltjes. Doorgeven, Els. Eén… twee… drie… vier… (er volgt een vijfde) O, ja…

Els: D’r is... één over. ‘k Heb er niet aan gedacht...

Huub: Duw het maar verder naar het valluik. Dat schaaltje kan beter ook maar verdwijnen.

Els: Nee, Huub, nee, alsjeblieft... Wegdoen is zo’n verschrikkelijk idee.

Dirk: Eet jij het dan op. Je hoeft nou niet meer zo zuinig te eten.

Jaap: Dirk, doe nou niet zo ellendig tegen dat kind! D’r is toch een grens, zeg.

Dirk: Ja, sorry, maar... Ja. maar als ik eraan denk dat... dat...

Els: Toeteltje is ook dood. En hij daar is de schuld van alles.

coördinator: Over mijn denkbeeldige schuld is reeds gesproken, jongedame. En wat betreft uw kanarie, dat beestje dat zo opgewekt vloog en zong...

Els: Houdt u op! Houdt u op!

Dirk: Ja, dat zou ik maar doen, jij. Ze kan toch al geen hap door d’r keel krijgen.

Huub: Toen ik hieraan begon, toen heb ik mezelf afgeschreven. En dan is het vreemd als je een ander het eerst ziet gaan. Maar luister nou ‘ns allemaal, jongens: op deze manier komen we niet verder. Als we werkelijk aan ons doel willen komen, dan moeten we andere gezichten zetten. Toen we van de aarde vertrokken, hebben we ons leven verbeurd. Wie in deze macrokosmos doordringt, moet z’n hoop op terugkeer laten varen. Er is immers niets denkbaar dat zo vijandig is aan ons organisch leven als het heelal, als dat erbuiten. Daarin zijn we een stofje. Voor rouw en verslagenheid is er nu eenmaal geen plaats. Hij… hij was een goeie vriend. Goed, nu zullen jullie het verder met mij moeten doen. Ik heb nu als opvolger twee orders, waarvan één mede voor mezelf: we staan niet langer stil bij wat gebeurd is. Het beste, geloof me. En jij, Elsje, jij vergist je niet meer in het aantal schoteltjes, mm?

 

Els: Waar ben je aan bezig, Dirk, daar?

Dirk: Hè? Nou, dat heb je toch gehoord? De dekplaten van de klimator d’r weer op zetten.

Els: ‘t Is hier eh... al heel wat warmer.

Dirk: Mm.

Els: Zouden ze ’t buiten erg koud hebben?

Dirk: Hun pakken zijn verwarmd.

Els: Maar... als het ‘ns niet werkt... Ze zouden verstijven. Eh... en dan...

Dirk: Stil!... Stil ‘ns... (stappen op de buitenwand). Nou, je hoort ze toch bezig? Ze zijn de platen aan ‘t lassen buiten op.

Els: We horen stappen, Dirk, maar van wie?

Dirk: Ja. Wacht... (schakelt in) Hé, Jaap! Huub!

Jaap: Present, jochie! Alle drie, hoor! En die buitenplaten komen d’r al aardig op.

Dirk: O, nee nee, dan ’s goed.

Jaap: Monteer jij die sectie nou maar af, Dirkie, op ons hoef je echt niet te letten. Dat doe ik zelf wel.

Dirk: Ja... (schakelt uit)

Els: Ik eh... bedoel... we hoeven niet ongerust te zijn, denk ik.

Dirk: Nee, over Jaap niet. Alleen Huub. Huub heeft geen fantasie, geen greintje. Trapt er zo in.

Els: Maar ze hebben toch eh... eh... magnetische schoenen aan hun pak?

Dirk: Hè, kind, hou me toch niet van m’n werk met je gezeur. (geluid van de luchtsluis) Wie... wie is daar? D’r komt er een door de luchtsluis. Huub? Jaap?

Huub: ‘t Is in orde, Dirk. De coördinator komt naar binnen, we kunnen het nu verder wel alleen af. We hoeven nu alleen maar op onszelf te letten. Over tien minuten zijn we klaar.

coördinator: (komt binnen) Wel, zo te oordelen aan uw gelaatsuitdrukking, heer Dirk, ben ik ditmaal bijna welkom?

Dirk: Mm.

coördinator: En wat dat betreft...

Els: Stil! Dirk, ik hoor niets meer buiten!

coördinator: Uw vlijtige vrienden zullen wel ‘ns even moeten stilstaan. Hun werkzaamheden brengen dit stellig mee. Maar stel u gerust: ze zijn daar werkelijk nog. (stappen) U hebt u eenvoudig vergist.

Els: Nou ja, ‘t is ook geen wonder.        

coördinator: Wat wel een wonder is, was het feit dat u, mejuffrouw Els, daarstraks nog tijdig bent ontwaakt om uw vrienden te waarschuwen voor de temperatuurdaling. Het had heel slecht kunnen aflopen.

Els: Ik kon haast niet wakker worden. Die droom was zo verschrikkelijk echt.

Dirk: Wat heb je dan eigenlijk gedroomd?

Els: Ik heb gedroomd van... van hem.

Dirk: Mm.

Els: En liever praat ik er niet over. Enfin, ik... ik was hier. Ik zat in dezelfde stoel, maar, ik... ik... ik was er niet.

Dirk: Nee, dat zal wel...

Els: Hè, Dirk, hou nou toch ‘ns op met dat gehak! ‘t Is... ’t is helemaal anders dan je denkt.

Dirk: O!...

Els: Ik... ik was hier... Ik bedoel, boven op het stuurdek, en ik lag in... in dezelfde stoel. Zijn stoel. D’r was niemand, de andere stoelen waren leeg. En ik kon tegelijk ook mijn stoel zien, ook leeg. Alles was leeg. Niet alleen in, ook om het schip, en ik zag dwars door de wand naar buiten. ’t Was net als nu, nacht. En toen kwamen d’r voetstappen... Langzaam... en hij kwam binnen en ie zag dat we weg waren, en hij ging zitten in zijn stoel, helemaal wezenloos, en ie keek naar de grond. Maar ineens keek ie op en z’n gezicht veranderde. Hij kreeg een vreselijke uitdrukking en hij wees naar buiten en hij riep: “Het ijs, het ijs!! Op mannen, op!” En hij keek rond, want er was niemand om tegen te roepen. (stappen)

coördinator: Zo werd u dus wakker?

Dirk: Je zat in zijn stoel, vandaar...

Els: Ja... En voetstappen in... in... - hoe heet dat? - nulwicht, die… die kun je niet doen, niet horen...! En toch, het... het... het was zo levend en... verschrikkelijk, en leeg... Alles hetzelfde als hier, maar... ‘t leek als in een andere wereld. Zou d’r een mogelijkheid zijn dat ie misschien... misschien niet...

Dirk: Els, alsjeblieft!

Els: Ja, Dirk...

coördinator: Uw droom doet me denken, jongedame, aan een theorie, namelijk van de parallelwerelden, werelden der mogelijkheid.

Els: Waarom toch direct weer... weer die hatelijkheden. Bah!

coördinator: Ik bedoel precies wat ik zeg. Hoe zou ik anders kunnen? Zoals een kubus theoretisch een oneindig aantal vlakken bevat, bevat noodzakelijkerwijs een lichaam van vier of meer dimensies een oneindig aantal kubussen.

Els: Wij zitten in de narigheid en waar hebt u het over? Over kubussen!...

coördinator: U had het over een droom.

Els: Huub is ook wel eens over die... die... onzin begonnen.

coördinator: Heer Huub althans is ontwikkeld genoeg om deze gedachte te kunnen volgen. Wat u beiden betreft...

Dirk: O, dacht u soms dat ik nooit van die theorie gehoord had?

coördinator: Het is een boeiende theorie, heer Dirk: deze driedimensionale wereld te zien als één van een oneindig aantal parallelwerelden die tezamen een superwereld van zes dimensies vormen.

Els: Maar hoe kan iemand nou zo’n... zo’n superwereld ooit zien?

Dirk: Hè, hou toch op man, zoiets is ook niks voor meisjes.

coördinator: Datzelfde zouden, mejuffrouw Els, ook de wezentjes kunnen zeggen die bijvoorbeeld zouden leven in een plat vlak, bijvoorbeeld in een buitenvlakje van zo’n kubus, zonder enig idee van het bestaan van hun collega’s in het oneindig aantal platte vlakken, en het oneindig aantal laagjes waaruit hun kubus is opgebouwd. Laat staan nog dat ze zich een denkbeeld van het geheel zouden kunnen vormen.

Dirk: Ja, stil nou ‘s even. (stappen) Hè... ‘k wou dat ze maar opschoten daarboven.      

coördinator: Dus, jongedame, op dezelfde wijze zouden wij, die ten hoogste een wereld van lengte, breedte en hoogte - van drie dimensies dus - kunnen waarnemen, ons evenmin een goede voorstelling kunnen maken van het letterlijk oneindig aantal werelden van ons superdimensionaal universum.

Dirk: Nee. En evenmin van het bewijs dat zoiets bestaat. Hoe wilt u dat leveren?

coördinator: Het is geleverd, heer Dirk. Alleen, u zou de bewijsvoering niet begrijpen. Daarvoor ontbreekt het u aan wiskundige kennis, aan opleiding.

Dirk: En wat heb je daaraan? Aan al die wiskunde? Je kunt er alles mee bewijzen, tot het gekste toe! Ik heb gelezen over het statisch wiskundig heelal van Einstein, de hele theorie zakte in elkaar toen eh... hoe heet ie nou ook weer, toen eh...

coördinator: Hubble, bedoelt u?

Dirk: Hè? Ja, ja, Hubble... Toen die met dat uitdijend heelal kwam. En toen dat weer omtaterde, kwam het eh... het cyclisch heelal van Boyd, in de jaren ‘70. Allemaal wiskundig bewezen! Maar de praktijk, hè, de praktijk houdt alleen stand. Bewijs het daarmee!

coördinator: Die praktijk, heer Dirk, houdt stand, en u bent er reeds. Want telkens wanneer u een vrije beslissing neemt, verspringt u immers ongemerkt in een parallelwereld.

Dirk: Ja, wacht ‘ns... wacht ‘ns even, wacht ‘ns even, ik... ik hoor... (stappen) Ja... ja ja.

coördinator: Ze zijn er nog. Ja, u stelt een kwestie. Hebt u dan ook de beleefdheid naar mijn antwoord te luisteren?

Dirk: Ach...

coördinator: Door de macht van uw geest moet u verspringen, want zowel in deze als in elke andere parallelwereld heerst causaliteit, oorzaak - gevolg. Alles in onze wereld ligt vast. Geen vrije keuze is mogelijk. Hij die vrij kiest, verspringt naar een parallelwereld waarin zijn keuze wel in het causaal verband past. Volgt u mij?

Els: ‘k Probeer het, maar… ‘t is moeilijk om het mij voor te stellen.       

Dirk: Wat moet u nou eigenlijk met al dat getheoretiseer? Wat steekt daarachter? Stop ‘ns ... (stappen)

coördinator: Nee, want ik kom nu op de droom van deze jongedame. Elkeen verspringt in zo’n vrijekeuzesituatie - om het zo ‘ns te noemen - automatisch in één van het oneindig aantal parallelwerelden, in één waarin zijn besluit past, waarin alles om ‘m heen hetzelfde blijft, maar alleen de dingen ontbreken die verband houden met zijn andere, nu verworpen keuze. Uzelf, bijvoorbeeld, deed allen kortgeleden nog zo’n keuze, namelijk toen u - u herinnert het zich - allen besloot in de Alpha te blijven. Maar u had ook kunnen besluiten allen naar buiten te gaan om uw captain te zoeken. Ergo, bestaat er wel degelijk een parallelwereld waarin uw ongelukkige gezagvoerder Ros terugkwam in de Alpha en er tot zijn ontzetting niemand aantrof...

Els: U bedoelt, coördinator, dat...

coördinator: Dat hij vanuit zijn Alpha de ijslawine zag losbreken, terwijl u vieren daar buiten waart.

Els: Zo gebeurde ‘t in mijn droom!

coördinator: Juist! Deze parallelwerelden kunnen zeer nauw aan elkaar grenzen, en daarom...

Dirk: En daarom... Tot hier toe, en niet verder, coördinator, want ik doorzie je, je manier, je methode.

coördinator: Tot wat, jonge vriend?

Dirk: Ditzelfde soort getheoretiseer, dat heb je al ‘ns eerder gedaan, en ik weet nu waar: op dat ijsplateau. Je was bezig onze aandacht af te leiden, ergens voor, en nu begin je dit spelletje opnieuw. Jij bent een alibi aan ‘t opbouwen, dat is het. Een alibi voor je volgende...

Els: Dirk! Luister, luister nou...

Dirk: ‘t Is niks, ‘t is niks!

Els: Ja, dat is het, Dirk!

Dirk: Bij Kijenkivics...! (schakelt in) Hé! Hallo!! Huub! Jaap!... Hé! Hallo!! Geef antwoord! Huub! Jaap!

Els: Dirk! O, Dirk, ik ben zo bang! Dirk!!

Dirk: Er is wat gebeurd! Hier, neem dit wapen.

Els: Dirk, laat me niet alleen hier, Dirk alsjeblieft.

Dirk: Mijn pak, mijn pak, help me erin. Schiet op. Schiet nou op! Elk ogenblik kan het te laat zijn. Als het al niet te laat is.

Els: Ja, maar wat moet ik doen, hier?

Dirk: Hou het pistool op ‘m gericht, de derde knop. Laat ‘m niet dichtbij komen... (luchtluis) En schiet. Denk erom: je schiet!

Els: Nee! Nee!! (luchtluis)

coördinator: Nu is hij in de luchtsluis. Dan gaat ie naar buiten, en dan...

Els: Wat is er buiten? Wat is er buiten?!

coördinator: Niets is er buiten, mejuffrouw Els. Niets..., en niemand...

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.

 

 

 


 

[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831)

[3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936

[4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339)

[6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990

[9] nog geen gegevens