|
TESTBEMANNING DEEL 18: LANDING IN DRIEVOUD Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 28/01/1962 (herhaling: woensdag 16/08/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - Huub, navigator: Frans Somers ([2]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([3]) - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5]) - Els: Nora Boerman ([6]) - robotverbinding 1: Alex Faassen jr. ([7]) - robotverbinding 2: Dick van ’t Sant ([8]) - Proctor: Huib Orizand ([9]) - Kliox: Robert Sobels ([10]) technische gegevens: 38’00” - 26,0 MB - mp3
robotverbinding 1: Connectie met Galaxenter via systemen Perasuu, Aôt-i-Zjee-wee en Mörschtt. Galaxenter. Ik groet u voor verbinding. Proctor: Eindelijk! robotverbinding 2: Identificatie alstublieft. Proctor: Ik heb mij driemaal geïdentificeerd, laatstelijk Mörschtt. Checkt u mijn subvocaalpatroon. robotverbinding 2: Neemt u mij niet kwalijk. Vraag is routine. Proctor: Communicatie met Kliox B-17 graag, gesloten kanaal. Kliox: Galaxenter, sectie veldregistratie. Operator Kliox B-17. Ik groet u voor opname. Proctor: Staplastreu B-16, Proctor Senior. Ik groet u voor rapport. Kliox: Vocalisator inschakelen, Proctor Senior? Proctor: Nog even, Kliox. Hoe is mijn declaratie ontvangen omtrent mijn drie verloren roboteenheden? Kliox: Er is een moeilijkheid gerezen, Proctor Senior. Proctor: En die is? Kliox: Het vereiste document 49-B, waarin beroep op garantie door producent werd afgewezen, ontbrak. Proctor: Die robotadministratie is nog meer verstard dan de robotten van communicatie. Zelfs die robotten moeten nu toch weten hoe karig de producenten van Krenybatec zijn met hun garanties, ofschoon niet met hun prijzen. Galaxenter moet toch beseffen dat het testen van zo’n primitief beschavingstype B-5 een riskante zaak is! De destructie van mijn eenheden is naar mijn mening symptomatisch voor hetgeen de Galaxie bij opneming van dit Terraanse ras nog te wachten staat. Ze zijn louter emotioneel! Kliox: Proctor Senior, mag ik, als uw vertrouwde vriend en oud-leerling, opmerken dat uw eigen emotioneel quotiënt sedert het begin van deze testopdracht merkbaar is gerezen? Proctor: Mogelijk. Er is iets aan deze Terranen dat me irriteert. Maar wat? Eh... schakel nu de vocalisator in voor mijn rapport. Kliox: Ga uw gang, Proctor Senior. Proctor: Staplastreu B-16. Proctor Senior aan Galactische Raad voor rapport. Onderwerp: Terra-test. De uitgesplitste groepen zijn thans ingelicht over de test, waarop - zoals te verwachten - slechts emotioneel werd gereageerd. De groep Huub-Jaap, zoals deze Terranen zich noemen, is bestemd voor de standaardtest Mekanistreia. De groep Dirk-Els zal Ypsilon-test ondergaan. Ten slotte blijft over: Joost, in feite geheten Justus of ook wel Ros, voor wie een B-9 testniveau is gekozen, de zogenaamde Pleierta-test. Dit B-9 testniveau ligt ver boven zijn classificatie en dient om het punt te bepalen waarop de doorsnee Terraan met zekerheid bezwijkt. Aangezien deze test een strenge isolatie vereist, is aan Ros geen interniveaukristal of plestrum toebedeeld. Het is hem dus onmogelijk de andere groepen gade te slaan. Hij is de eerste die in z’n testmilieu gaat landen, beter: wordt geland. En de groep Huub-Jaap kan dit gebeuren volgen via het plestrumkristral dat beiden inmiddels aantreffen in hun parallelschip.
Huub: Sinds Saturnus is verdwenen en ik geen koers kan plotten naar een onbekende bestemming, neem ik aan dat we die goeie koers al hebben. Ik wijzig dus niets aan snelheid of richting, Jaap. Jaap: Ja, daar is geen speld tussen te krijgen. Ergens staat er een mooi potje voor ons op het vuur, maar het is de zaak voor die Proctor ons d’r in te stoppen, hè? Huub: Die Proctor heeft anders niet veel fiducie in ons. Jaap: Weet je wat het is, Huub? Wij ergeren die hoge piet... Hij voelt zich eh... opgeknapt met een minderwaardig karwei. Die man is zeker gepasseerd.... Huub: En intussen gaat het om het lot van drie miljard mensen en... Jaap: Ja, ga maar door... Huub: Nee, ik zit te kijken. Wat zweeft daar eigenlijk voor een glinsterend ding rond? Jaap: Wat? Huub: Daar bij de radiosectie. Ga ‘ns kijken. Jaap: Ja. Ja, Japie zal het wel even apporteren. Hé, da’s een gek ding, zeg! Hé, hier, kijk ‘ns: een soort eh... een soort kristal. Hier. Huub: Mm. Een uitzonderlijk grote briljant. Die is niet uit onze bagage. Jaap: Nee. Nou, dan eh... ‘k denk dan eh… komt het uit het stoffelijk overschot van onze robotcoördinator. Die goeie man had iets briljants. Geef ‘ns terug, geef ‘ns… geef ‘ns… geef ‘ns terug… Hé, d’r rimpelen allemaal rare kleuren overheen. Als dat soms een soort talisman van Joost is, zal die ‘m wel missen. Hij zit toch al op z’n eentje. Huub: ‘k Benijd ‘m niet. Jij hebt tenminste nog mij om tegen te praten. Overigens moet toch er een methode bestaan om door die parallelwerelden heen te zien wat de anderen doen en denken. Jaap: Ja, voor die zure Proctor, ja, maar niet voor ons apen en andere primaten. Maar intussen staat Joost overal alleen voor, zonder iemand. (suizend geluid) Huub! Wat gebeurt er? Hoor ‘ns even! We duiken in de atmosfeer van een planeet! Huub: Ten eerste hoor ik niks, en van een planeet is op ons scherm niets te bespeuren. Jaap: Ja, maar ik hoor het toch. Moet ik je soms m’n trommelvliezen lenen? Jongen, dat schip giert in de atmosfeer van een planeet! Huub: Niet het onze. Let op je kristal! ‘t Drijft weg uit je hand. Jaap: Hè? Hé, is dat effe raar. Nou hoor ik ook niks meer. Maar ‘k dacht toch werke... Jongen, dat geluid, dat resoneerde dwars door m’n kop heen. Huub: (lachje) Geef dat kristal ‘ns. Jaap: Nou, hier... hier. Huub: Merci. Het zal wel van Joost moeten zijn. Overigens, hoe moet Joost zonder mij z’n schip manoeuvreren? (suizend geluid) Zeg... Jaap: Wat? Huub: Wacht, Jaap, nou hoor ik het. Jaap: Aha. Huub: Alsof iemand een landing maakt, ergens dwars door een atmosfeer en met veel te grote snelheid, en zonder remraketten. Tja, maar... maar dit kristal... Hou je duim en wijsvinger ‘ns op die twee vlakken... Jaap: Ja... ja ja ja.... Het is het kristal, Huub! Huub: In elk geval, bij ons is er gelukkig niets aan de hand. Jaap: Zeg, en als ik het zo hou, dan... dan zie je... heel vaag... Wacht even, wacht even! Het klaart op. Joost! Ik zie Joost in z’n schip. En ik hoor ‘m! Huub: Ja, maar wacht even, wat bedoel je? Jaap: Dat zeg ik je toch: de Alpha van Joost in zijn wereld. Helemaal gloeiend schiet ie naar beneden door de atmosfeer naar een planeet. Huub: Hoe kan dat nu? Jaap: Het gebeurt, koei. Mach 7 of 8. Da’s toch een krankzinnige snelheid, met de neus naar beneden! Joost heeft geen schijn van kans! Huub: Zie je dat werkelijk? Jaap: Via dit kristal, begrijp dat dan toch. Hè, wat gebeurt er nou? Oh... Joost, Joost ligt op de vloer van z’n stuurcabine. Hij beweegt niet, hij is... is bewusteloos. Nou ja, da’s misschien maar gelukkig, want d’r is niks meer aan te doen. Hij valt te pletter! Hij komt steeds dieper in de atmosfeer. Het schip staat gloeiend! Huub: Tja, de buitenhuid moet een temperatuur van duizenden graden Celsius hebben. Hoe lang nog? Jaap: Hè? Een seconde of vijftien, twintig. Nou zie ik de grond, vaag. Een grasachtige planeet, maar alles is groen en blauw en rood. Huub: Zijn we nu aan het einde van alles? Jaap: Het einde van de hele test. We moeten allemaal levend terugkomen. Levend, zeg ik je. Huub: Maar dat is niet logisch Jaap. De test kan niet het onmogelijke verlangen. Jaap: Wacht! Wacht, wacht! Joost komt bij. Huub: Roep ‘m dan. Jaap: Joost! Joost, overeind! Je valt! Je valt! Hij hoort niks. Eénwegstelefoon. Huub: Het enige dat ie kan proberen is in z’n veerstoel te komen. Al zal het weinig helpen. Jaap: Joost! Joost!! Je veerstoel! Je veerstoel! Nee, het heeft geen zin!! Joost: Ha... Wat… wat een lichten... wat... m’n ogen... wat een lichten... Vier-vijf zonnen op de proxy... Hoe lang... hoe lang ben ik bewusteloos ge... Wat is dat voor een geluid?? Het schip!! Door een atmosfeer! Ik kan niets meer doen! Het einde! Voor de anderen, voor de aarde. Ik moet doen wat ik kan. De veerstoel... Die vlakte... die vlakte moet me... die vlakte moet me daar maar opvangen. Jaap: Echt Joost, hè? Het eerst dacht ie aan ons. Hij gespt zich nou vast, Huub. Hij verzucht dat die vlakte hem daar maar moet opvangen. Huub: Jammer dat er geen wonderen kunnen gebeuren. Onlogisch en misdadig, een man alleen zo te laten neerkomen. Als wij het nou waren, wij zijn tenminste nog met z’n tweeën. Jaap: Ja. Huub: Een test van robotten voor mensen, berekend op wonderen. Jaap: Ja, ja, waren wij het... Huub, hou ‘ns dit kristal vast, hier, samen met mij. D’r gebeurt wat, op de grond... Huub: Met de grond? Joost komt onder een hoek van 60 graden naar beneden... En kijk ‘ns die vlakte Jaap: Die grasvlakte, die is niet vlak meer, die welft zich naar boven, maakt een golf. Hoe kan dat? Huub: Om je eigen woorden te gebruiken: het gebeurt. Jaap: Die planeet gaat ‘m opvangen! Ze maakt een helling als een gebergte, en in diezelfde hoek waaronder Joost naar beneden komt. Huub: Niets zo glad als een helling van gras. Ik schat een twintig-dertig kilometer lang. Zelfs de kromming is nog goed. Jaap: Daar komt het schip! Huub: Joost heeft kennelijk geen idee wat er gebeurt. Joost: Wat... wat doe ik? Wat doe ik? Zit ik... zit ik hier nu in een remmende sneltrein? Wat... wat doe ik? M’n vloer is vertikaal geworden. Ik... ik hang er met m’n stoel tegen aan. Dat wil zeggen: een buiklanding...! Maar dat is apert onmogelijk... En m’n staartvinnen, die gaan in puin op die manier. Huub: Dat zijn ze al. Jaap: Joost denkt zowaar nog al aan een volgende opstijging. Ja, vergeet het maar broer!! Huub: Dat hoort Joost toch niet. Jaap: Dat merkt ie nog wel. Nou, het ding ligt stil. De planeet heeft ‘m opgevangen! Joost: Ooooh... Ik... ik voel me gekraakt. Aauuuw... Hoe kom ik hier uit...? Ik... ik bungel in die gordel... aah... als... als een zwemleerling aan de hengel. Huub: Met dit merkwaardige kristal kunnen we zelfs horen wat Joost denkt! Jaap: Ik zag het zo werkelijk alsof ik daar zelf buiten op die grasvlakte stond. En die... die... die hele enorme helling begint weer langzaam in te zakken! Wat is dit voor een fantastische planeet, Huub? Huub: Natuurwetten schijnen daar te zijn opgeheven, Jaap. Neem bijvoorbeeld dat systeem van zonnen: één is net onder de horizon, zo te zien wit-geel; die rooie reus daar lijkt me van het spectraaltype M-2 of -3; die snelbewegende blauwe moet een zeer kleine begeleider zijn. De combinatie is onbegrijpelijk. Goed, maar die groene zon daar is zelfs onbestaanbaar. Jaap: En daarom probeert ie zeker zo gauw mogelijk onder te gaan? Huub: ‘t Is een waanzinnig stelsel, want die rode zon gaat nota bene in tegengestelde richting op! Jaap: Ja, maar als die andere twee ondergaan, dan zal het hier een nachtmerrie van bloed worden. Wacht, daar komt Joost. Hij heeft de luchtsluis open gekregen. Die ligt natuurlijk ook op z’n kant. Moet je ‘m gek zien kijken. Joost: Wat? Een grasvlakte... Een hele planeet van gras, met een akelig, roodgroenblauw licht. Zo... Hier ben ik dus geplaatst... Dus alleen weer, in een hele wereld, mijn testwereld, in een paralleluniversum. Gras... gras... D’r is hier niets dan gras... Nou ja, dat moet ook zo zijn. Ik ben eigenlijk altijd alleen geweest... Huub: Eigenlijk is het onoorbaar, Jaap, te luisteren naar wat iemand denkt. Neem jij het kristal maar alleen. Jaap: Joost is een vriend en dan is zoiets heel wat anders. Ja... ja, daar gaat ie weer naar binnen, om uitrusting te halen. Huub: Hij kan moeilijk in het schip blijven. Jaap: Hij klimt naar het onderschip... Onderschip, nou ja, ‘k kan beter zeggen het achterschip, nu. Huub: Zeker voor het gereedschap dat ie wil meenemen. Jaap: Nee nee nee nee, nee nee, hij blijft staan. Hij blijft staan, d’r is iets niet in orde. Joost: Dat gekrak! Wat is dat voor gekrak? Wat...? Ach natuurlijk, dat gekrak is de buitenhuid die normaal afkoelt. Maar… ja, maar waar komt die golf van hitte hier binnen vandaan? Jaap: De doorgang naar het achterschip, Huub! Het tussendek begint te smelten en ie wil toch naar... z’n uitrusting... Laat dat, Joost! De zuilen! De atoomzuilen! Huub: Jaap, hij hoort je immers niet. Jaap: Maar de kernzuilen! De dempers zijn eruit. Kijk, hier, hier, hier, van buitenaf, het machinedek is witgloeiend, de hele staart begint af te smelten... Gelukkig, daar heb je ‘m. Huub: Wie? Jaap: Joost natuurlijk! Hij springt nou uit het schip. Joost: Dekking... Dekking... Ik moet dekking zoeken... ik moet dekking zoeken en d’r is nergens dekking. Lopen lopen lopen! Lopen!! Lopen, want elk ogenblik... elk ogenblik kan... kan... exploderen kan... kan de explosie... de dempers... de dempers zijn uit de kernzuilen. Dekking! De dempers... Hoe kan dat? Huub: Wat doet Joost? Is die eruit? Jaap: Pak dan zelf dat kristal bij vast, dan kun je toch zelf... Nou rent ie voor z’n leven om van dat schip weg te komen. Joost: Maar... maar d’r is nergens dekking... D’r is nergens dekking, dekking... een gat... een kuil... D’r moet hier toch iets zijn... D’r moet hier toch iets zijn... Oh... Oh. Jaap: Hij smakt in een uitholling, Huub, op een halve kilometer. Gelukkig is de afstandswerking van die microzuilen niet zo... niet zo groot. (explosie) Joost: Ach... En... en alweer... alweer leef ik nog... En hier sta ik nou... In het gras... Alleen maar gras... Van een planeet... Alleen... Zonder iets... Niets... Alleen... Met lege handen... Jaap: Wat denkt een mens toch vaak veel minder zeker dan ie in z’n woorden uitdrukt, hè? Het is trouwens een onbegrijpelijke situatie: op het ogenblik dat ie denkt aan een kuil voor dekking, valt ie d’r pardoes in! Huub: Ja toch... Ergens is er een latente logica aanwezig. Dat opvangen door die planeet... Jaap: hè... Huub: ...Misschien zitten er superintellecten onder de grond... Jaap: Ha... onder de grond. Die hebben hun rug opgezet en die maken daarmee een glijbaantje voor Joost, ach kom nou. Huub: Nou, da’s onzin natuurlijk. Nee, ik voel dat mij een essentieel feit ontgaat… Tja! Wacht! Coïncidentie. Jaap: Coïncidentie? Huub: Inderdaad, coïncidentie. Wat zei Joost? Dat die planeet ‘m dan maar moest opvangen... en de planeet heeft ‘m opgevangen. Coïncidentie! Jaap: (lacht) En ‘m een dekking bezorgd tegen ontploffing toen hij die bestelde? Huub: Juist! Jaap: Ach kom... Huub: En het zijn merkwaardige coïncidenties: zij correleren! Jaap: Of ik wijlen onze coördinator hoor. Huub: De verklaring ontbreekt ons. Daarentegen was die explosie zelf bepaald doelmatig ten opzichte van Joost. Jaap: Jazeker, daar werd ie rijk van. Huub: Omgekeerd, Jaap! Daardoor kwam Joost met lege handen te staan. Jaap: Ha... lege handen... Lege handen... Maar dan heeft die Proctor ‘m dat geleverd. Verdraaid, Huub, dat zal ie ons niet lappen. Huub: En als wij nu ‘ns, bij wijze van contrast, in een metropool landen? Jaap: Al was het bovenop op m'n tante Sofie, spullen moeten we hebben en ik ga ze nou zoeken... Ik ga ze nou bij mekaar zoeken. Huub: Ik zou misschien kunnen meegaan naar beneden. We hebben toch voorlopig niks... Hé! Jaap: Wat? Huub: Jaap! Hier, dat scherm. Jaap: Wat? Een schijf? Een schijf... Wat nevelig... Huub: Een hemellichaam, uit het niet te voorschijn gekomen. Jaap: Aha... dat wordt dus onze... speelplaats... Huub: Maar we zullen eerst moeten landen. En één ding bevalt me niet: het scherm staat op panorama, dus oneindig zicht. Maar ineens verschijnt deze enorme schijf vlakbij. Zeg, Jaap... Jaap: Mm? Huub: Functioneert het scherm wel goed? Jaap: Nee, dat doet het niet: het beeld trilt. Maar ja, goed, daar kunnen we nou niks meer aan veranderen. Reden te meer om gauw m’n spullen te gaan pakken. Huub: ‘k Vind die planeet er zonderling uitzien. Vlekkig, of liever: blokkerig. En we naderen zeer snel. Jaap: Verzamel dan alle gegevens, terwijl ik beneden m’n best doe.
Jaap: Hier is dan de hele zwik bij mekaar, in twee rugzakken. Even kijken: voedselpakketten - da’s eten en drinken tegelijk - extra cover-alls, werktuigen, flinke schroefsleutel met hamer - laat ik die niet vergeten. Ja... zo, schroevendraaiers, vlampistolen - ja, goed voor van alles en nog wat, gevuld en wel. Wat heb ik... O ja, dit nog. Ja, dat mee. Ja... Hebben. Huub: Heb je alles, Jaap? Jaap: Ja, alles, behalve een kurkentrekker. (lachje) ‘k Kom d’r aan, hoor!... Zeg, stel je nou ‘ns voor, hè, dat we... dat we straks met die hele mikmak door een jungle moeten sjouwen. Stel je voor, in een oerwereld zonder schroeven en moeren. Zeg, zo tussen dat wolkendek door lijken het wel enorme akkers, hè, die lichte en donkere velden? Huub: ‘k Kan er niks van maken. Wel heb ik intussen het schip omgekeerd. De staart wijst vooruit. De koerstape is bijna berekend. Alleen nou nog de atmosferische dichtheid... Jaap: Zeg, Huub, zouden wij ook zo’n eh... makkie krijgen, zoals Joost? Huub: Zo’n makkie? Niet graag. ‘k Doe die landing liever zelf. En als we niks bijzonders krijgen... Jaap: Nou, daar heb je ‘t al. Huub: Wat heb ik al? Jaap: Daar, dat ding, de proxy is uit. Huub: Uit? Jaap: Ja! Asjeblieft. Huub: Ja, ‘t scherm is donker. Hoe komt dat nou? Jaap: Vraag het onze Proctor. Nou, maak je borst maar nat, Huub. Test nummer één: blindlanding. Huub: Zeg, kan je niks aan dat proxyscherm doen? Jaap: Ja, d’r een lantarentje bij houden, is ‘t nou goed? Je zou onze koers kunnen veranderen, dat we die planeet missen. Huub: Niet logisch. Dan zijn we beslist verloren. Weten we helemaal niet meer waar we terecht komen. Nou nog wel. Jaap: Ja ja, in een gat in de grond van een kilometer diep, een soort negatieve grafzuil. (zucht) Hoe lang kunnen we ons schietgebedjes doen? Huub: Zo, de koerstape draait. Jaap: Hoe lang? (ontbranding) Huub: Hoe lang... ‘n Kwartier ongeveer. Jaap: Weet je, dat “ongeveer”, dat bevalt me niet, hè. Huub: Mij nog veel minder, Jaap. Jaap: Je hebt toch alle gegevens? Huub: Ja, behalve de densiteit van de atmosfeer. Hoe dichter de atmosfeer, hoe sterker de afremming. Hoe ijler de atmosfeer is, hoe minder onze afremming. Bij die enorme snelheid, wanneer we naar beneden komen, is die factor beslissend. Jaap: Zo zo, we weten dus niet of we met onze derrière op een dikke of op een dunne luchtmatras terecht komen. Maar wel dat er een stenen vloer onder zit. Huub: Ja, populair uitgedrukt, maar exact juist. Het remeffect van de atmosfeer moet ik dus kennen om de afremming van onze motor ernaar te regelen. Daarvoor moet ik die atmosfeer spectroscopisch kunnen onderzoeken, maar het proxyscherm is uitgegaan. En wat nu? Jaap: Wij zullen d’r wat op moeten vinden. Huub: Of ons testament maken. Jaap: Nee, liever niet, ik hou het liever op het eerste. Huub: Maar hoe moeten we d’r iets op vinden? We hebben geen zicht, we zijn blind. Jaap: Blind? Ja ja, blind, maar nog niet doof. Huub: (schamper lachje) Jij wou de atmosfeerdichtheid horen? Nee, dat kan niet. Jaap: Jazeker, toch wel. We zullen die straks horen, als een orkaan. Je begrijpt me niet, hè? Moet je ‘ns luisteren... Huub: Ja. Jaap: Als je op aarde in een robo zit, nietwaar, en d’r komt een flinke windstoot, kun je die zelfs aflezen... Op je speedometer, uil, als vertraging: je vaart mindert toch! Huub: Oh, het loeien van de tegenwind, als graadmeter van de luchtweerstand? Jaap: Precies... Huub: Casu quo: de vertraging. Jaap: Precies, juist. En als jij nou ‘ns begon met een tweeassig coördinatenstelsel uit te zetten, x- en y-assen en zo, hè? Huub: Tweeassig? Jaap: Ja. Huub: Met al die variabelen? Een standaard aantal decibels ruis, toenemend met de dichtheid van de atmosfeer, tegelijk afnemend door remwerking van de raketmotoren? En dat hele stelsel dan nog op een derde as? Jaap: Wat zou dat nou? Daar staat toch immers je calculeur. Terwijl jij cijfert, zorg ik voor de aflezing van je decibels ruis. Huub: Hoe? Jaap: Hoe? De rompmicrofoons pikken die ruis op en zetten ze om in elektrische stroom, nietwaar. Een ampèremeter shunt ik over de output, nou, en met die normale ruis van een versterker ijk ik die meter tevoren tot de decimalen, tenminste dat eh... hoop ik. Huub: Stil nou. (getik) Wat is dat? Jaap: Hè? Weet je dat niet? Ik probeer even de rompmicrofoons. Dit zijn onze ouwe kennissen: de micrometeorieten. Huub: Ja, da’s te verwachten in de buurt van een hemellichaam. Jaap: Mm. Ik heb nog steeds wat tegen micrometeorieten, al was het alleen maar tegen die onmogelijke naam.
Jaap: Zeg, ben je nou nog niet klaar met dat gereken, Huub? We kunnen nou elk ogenblik die atmosfeer raken. Gesp je in elk geval in. Huub: Ja ja, nog even Jaap. Bijna... Jaap: Nou nou nou, kom nou, kom nou, kom nou! Huub: Zo. Zo, eindelijk heb ik de tabel. En als jij de aflezing van je decibels nou goed geijkt hebt, dan is er althans een kans dat we levend beneden komen. Jaap: Of je nooit uitgecijferd kwam, zeg! Nou, wacht dan maar, hè, met de vingertjes gekruist, ja, en onze teentjes ook. Huub: Je moet hiermee niet spotten, Jaap. Jaap: Doe ik ook niet. Huub: ‘t Gaat om veel meer dan ons eigen leven. Als ik denk aan de aarde, dat hun lot van onze testproef afhangt. Jaap: Man schei uit, ik heb toch al de zenuwen, denk er ‘ns even aan wat er kan gebeuren als we daar op de top van een berg terechtkomen. Hoh! Of als er in de troposfeer een of andere storm woedt. Jazeker, we meten dan wel een boel ruis extra, alleen niet de goeie, en dan remmen we ons ongelukkig en landen 1000 meter boven de begane grond. Hoohoh... (suizend geluid) Hier komt de atmosfeer, Huub. Eén tiende decibel. Huub: Ik heb ‘m op manuaal. Goed. Tabel afstand 500 kilometer. Constante is ... Jaap: Huub! Luister even, Huub, we hebben een fout gemaakt! De motoren! Die zijn we vergeten mee in het geruis op te nemen in die tabel. Huub: Jij misschien, maar ik niet. ‘k Zei het toch al dat het niet zo eenvoudig was. Jaap: Hoh! 20... 30... Ooh!... Ooh!... Alle mensen, ik word gekraakt, door m’n gewicht. Houden zo, Huub. Huub: Wat? Jaap: Houden zo, zei ik. (hoest) Nee nee, hij zakt 8... 28... Hè... m’n wijzer loopt terug. We hebben het ergste gehad. 20... 17... 18... (hoest) 16... 14... Hoeveel kilometer nog? Huub: Afstand? Geen idee. Jaap: En wat doe je dan met die raketten? Verdorie, je zit er toch geen biefstukken mee af te wegen. 15! ...15.5... Huub: Nee, ik doseer de raketstoten volgens een wiskundige kromme. Alle gegevens zijn geïntegreerd. Jaap: 12! Huub: Onder de 10 graag decimalen, Jaap. Jaap: Komen ze dan: 8,3... 5,7... 2,8... 0. Huub: Einde van de schaal. Decibels nul. Nog één stoot van 2G. Klaar... Jaap: Ik voel geen landing, Huub. Weet jij veel of we hangen nog tien kilometer in de lucht op een wolk. Hè? Hé, wat is dat? Huub: Jouw wolk. Jaap: We zijn er Huub, we zijn er. Huub: Nog niet helemaal! De staart kraakt in mekaar, hou je vast. Jaap: Ho ho hoho .... ! Ah! Ah! Hoooo.... hier... Mm... Hè... dat schip ligt op z’n buik, en we hangen ook op onze buik. Zo, voorzichtig losknopen, en gespen... zo... Hèhè... Zo... Voorzichtig klauteren, hoor, voorzichtig. Tjonge jonge jonge, wat een ravage!! Naar het woondek, of wat er nog van over is. Huub: Die veiligheidsgordels waren wel zeer nuttig! Jaap: Ja, nou... ik eh... ik voelde me net een paard, weet je wel, dat in zo’n… zo’n broek uit een schip wordt geladen. Tussen haakies, hij is opengescheurd. Huub: Ja, waar heb je ‘t nou weer over? Je gordel? Je broek? Jaap: Nee, niks broek, het schip... het schip. Kom ‘ns kijken, kijk es even... Hier zo. Huub: Mm? Jaap: En aan de stand zul je ook effen moeten wennen. De eetmachine staat nou schuin omhoog, en de rest is navenant. Oooo! oooh! en zwaar dat ik me voel. Huub: De hele romp is opengebarsten. Ooit nog starten is wel uitgesloten. Jaap: Zeg, wat anders, Huub: zo te zien zijn we in de schemering terecht gekomen. Het wordt buiten donker. Huub: We maken wel licht. Jaap: Nee, niks, we maken niks. Ons elektrisch net is er geweest. Trouwens, ik wil nou niks meer doen ook, Japie heeft een hoofdpijn van duizend decibels. Huub: Dan moet je plat gaan liggen. Jaap: Ja, plat, als jij me zegt waar! Huub: Inderdaad. Jaap: Hèhè. Huub: Zoals het schip nu ligt, is er geen horizontaal vlak te vinden. Jaap: Nee, ‘t lijkt meer een schilderij uit de jaren ‘60, vind je niet? Huub: ‘t Is buiten doodstil. Hoe zou het daar zijn? Jaap: Dat weet ik niet. Huub: Door die barst zie ik alleen een strip zand. Jaap: Wacht even, wacht even, ik kan wel door die spleet heen komen, wacht even… Ja, ‘k sta buiten. ‘t Is eh... zand. Huub: En wat nog meer? Jaap: Nou, kom zelf maar even kijken. Tjonge jongens, één fabelachtige zandbak. Huub: Zand? Tamelijk wit. Zandbak? Jaap: Ja, bak. Huub: ‘k Zie helemaal geen bak. Jaap: Mogelijk, maar eh... de kleuters die hier aan het scheppen zijn geweest, hebben toch behoorlijke kuilen achtergelaten, zeg. Huub: Kuilen? Jaap: Nou. Huub: Lieve mensen, het lijkt meer een apocalyptische verwoesting: kraters, zeg, overal. Tientallen meters breed en ik weet niet hoe diep! En daar, mm, wat steken daar uit? Jaap: Ja, dat eh... zwartmetalen slurven lijkt me. Hier rechts voor ons ligt een overbouwde broodtrommel ondersteboven. Met zes of acht van diezelfde slurven op z’n buik. Huub: En daarginds. En nog verder. Zeg, Jaap, weet je waar we zijn? Jaap: Ja, uitgerekend op een slagveld. Een voormalig dan. Boffen we nog. Huub: ‘t Wordt hier snel donker. Als we nou binnen niet kunnen slapen, laten we ‘t dan in een dichtstbijzijnde kuil gaan doen. Jaap: Ja, da’s goed. Nou, wat zou je zeggen van deze, hè? Dicht genoeg bij ‘t schip. Die woestijn is toch verlaten. Jup! Oooh! Zo, ik lig. Huub: Nou, eerlijk gezegd, mijn ogen vallen ook bijna dicht. Jaap: Hèhè. Zeg, ik lig te denken, Huub: we zijn hier toch eigenlijk op een soort kerkhof, hè? Het veiligste zou toch eigenlijk zijn ons hier lekker dood te houden. Voor ons tweeën hebben we... hebben we water en proviand voor een half jaar zeker. Huub: Zeg, stil ‘ns even... (klokkend geluid) Jaap: Mm? Jaap: Ik hoor wat. Jaap: Hé? Hé, wat is dat geklok vlakbij? Huub: Dat lijkt wel... water. Jaap: Kom mee! Kom mee! De tanks lopen leeg!! Al een hele tijd. Ze zijn gekraakt. Redden wat er te redden valt! Huub: Daar komt het uit. De stroom wordt minder. Jaap: Hier. Hier... ligt iets, da’s een soort metalen koker. Wacht even, ‘k zal ‘m openschroeven. Ja, zo, kijk zo, zo is ‘t een eh… fles. Nou een liter of drie gaat er wel in, zo te zien. (vult de fles) Asjemenou! Het houdt al op! En onze fles is nog niet eens halfvol! Huub: Jouw idee om hier te blijven is niet zo goed als het leek. Jaap: Nou ja, goed, hier slapen we dan maar. Zien we morgen wel verder, mm? Benieuwd wat we hier voor tests zullen moeten doen. IJzeren torren repareren of zo? Huub: Hier in deze kuil liggen we niet kwaad. Jaap: Nee. Huub: Draaglijke temperatuur, geen wind. Jaap: Joost, die heeft het in dat opzicht ook niet te gek getroffen. Gras... Kun je heerlijk in maffen. Huub: Ellendig dat ie zo alleen is, hè. Dirk heeft tenminste nog aanspraak. Jaap: Ja. Gelukkig heeft ie Els om zich aan te ergeren Huub: Zie je nog iets in je kristal? Jaap: Ja, ‘k heb het al geprobeerd, maar eh... nee, niks, noppes. Huub: Beschadigd misschien? Jaap: Nee, éénwegstelefoon. ‘t Ander eind is bezet, denk ik. Huub: Kijken Dirk en Els misschien wel naar ons? Jaap: Ja, (lachje) hoe we netjes in ons bedje liggen. Nou, sterkte en maf ze.
Els: Dirk... Dirk: Mm? Els: Dirk, geef mij nou ‘ns dat kristal. Dirk: Nee. Nee, ‘k wil zien wat Huub en Jaap doen. Els: Slapen, dat zei je toch. Wat... wat valt daar nou aan te zien? Dirk: Nee, ze hadden ‘t over ons. Els: O ja? Dirk: Ja. Els: Over mij? Dirk: Over jou, ja. Ja, over jou... Dat jij hier alleen maar dient om mij ergernis te bezorgen, ja. Huh! Wacht ‘ns... Nee... O nee, ‘t bevalt mij niks daar. Els: Wat is daar dan? Komen d’r eh... wezens aansluipen... Bewoners of zo? Dirk: Nee nee, nee.. .’k zei je toch: een verlaten zandvlakte, vol kuilen, oorlogswrakken. Nee... ’t is iets om het schip: allemaal kleine bolletjes groeien uit het zand. Els: Paddenstoelen? Dirk: Nee nee, bolletjes op smalle steeltjes. Ze gaan heen en weer, en toch... Els: Wat? Dirk: … toch is het windstil. En ze groeien. Je kunt ze zelfs zien groeien. Els: Laat mij ‘ns kijken! Hè toe, Dirk. Dirk: Nee!! Nee! Ik heb het kristal. Els: Hè Dirk, geef nou hier. Dirk: Nee, je blijft eraf... Wacht ... Zo. Auuw! Els: Nou heb ik ‘m lekker, nou heb ik ‘m. Zo. (zoemer) Dirk... wat is dat? Dirk: Dat signaal, dat die robotcoördinator had geïnstalleerd. Om dat baken te ontdekken waar we naar op zoek waren. Els: Ooo... dat! Dirk: Nou, ‘t is een mooie grap: hier in onze parallelwereld geen Saturnus, geen ringen van Saturnus, en dus geen baken, maar wel het waarschuwsignaal. Els: Dan moet er toch buiten iets zijn. Dirk: Neen, maar op dat proxyscherm daarboven is toch niks te zien, kind. Els: Maar jij kijkt toch met dat proxyscherm maar één kant uit. Dirk: Hè? Els: Ja. Dirk: Nja... Nou... (schakelt) Nou, goed. Achterzicht. Els: Hè... Wat... wat is dat voor een ontzettend donker ding op dat scherm? Dirk: Ja... als een groot zwart gat in de sterrenlucht. Wat zegt het scherm van de proxyradar? O, nee, ’t blijft hetzelfde. Een blip als een enorme schijf. Els: Van metaal dan zeker. Daarop werkt dat machientje toch? Dirk: We drijven er achterwaarts naartoe. Die schijf wordt steeds groter. Els: Ja, maar kunnen we niet botsen? Dirk: Ja, da’s mogelijk. Els: Maar doe dan wat, Dirk! Dirk: Ja, maar wat... wat... wat... wat nou? Wacht ‘ns, ik eh... ik zou een heel kleine tegenkracht met de motor kunnen geven. Ja, dat vermindert in elk geval de snelheid. Eens even kijken hoor... Ja... ja, deze knop, ja... Nee, dat is de gyrostop. Nee. Els: Mooie ruimtevaarder ben jij. Dirk: He!? Wat? Ik... ik ben niks, ik bedoel, ik ben eh… elektronicus en eh… zonder graad... Ik bedoel eh… zonder hogeschool, bedoel ik. Els: Hè kom, Dirk, het komt toch op de praktijk aan. Dirk: Ja, ja, da’s waar, ja. Nou, nou dan eh... nog maar wat praktijk. (ontbranding) Els: Goed zo! De motor. Dirk: Eén tiende G, meer durf ik niet. Els: Ik eh... ik... ik geloof dat het niet helpt. Dirk: Ja, volgens de proxy naderen we het ding nog harder dan eerst. Els: De... het schip ligt toch wel eh... de goeie kant uit? Dirk: Nou, kom... dan nog maar wat. Ja... halve G. Nou, je mag je wel vasthouden, hoor. Els: Nou, ik klim maar liever gelijk in de stoel, omdat we nou nog vlugger naar dat ding daar toe gaan. Dirk: Ja, dat... dat... dat doet de aantrekkingskracht. Els: Oh. Dirk: Dan moeten we er, bij Horvath, praktisch bovenop zitten. De gespen dicht. Els: Ja. Dirk: De gespen dicht! Els: Ja, ik zal ‘t doen. Dirk: Knop 3G... (ontbranding) Ja. Ja, dat helpt iets. Zie je... dat helpt iets. Ja. Die blip vult het hele scherm. Els: Ja. Dirk: Ja, ik neem ‘m maar weer op panoramazicht, dan hebben we misschien een beter perspectief in het beeld. Ja... ja ja ... da’s beter, ja. Els: O, zeg! We zitten boven een zwarte vlakte, die.. .die spiegelt. Je ziet de sterren d’r in bewegen. Het... het... het is toch geen planeet van glas? Dirk: Nog even... nog even... Hou je goed vast! (ontbranding) Els: Ja. (schrikt) We komen d’r schuins langs! Dirk: Ja, kind, ik ben niet blind! Nou goed... Buiklanding... (heftig geluid) Ja! ‘t Is precies zoals ik bedoelde! Els: Dirk, dit bedoelde je dus? Dit… dit… dit bumperen? Dirk: Ja. Nou... hou je je mond nou toch even!... Ja... Zo... Els: (zucht) Dirk: Hèhè. Els: Nou... Dirk: Einde van de reis. Els: Ja... Ik dacht meer eh… ‘t begin. Dirk: (lachje) Ho, om te beginnen heeft de proxy het begeven. Zie je? ‘t Scherm is leeg. Nou is ‘t enige: de ruimtepakken aan en zelf gaan kijken. Zeg, Els? Els: Ja? Dirk: Heb je alle dingen die ik je gezegd heb in de rugzakken gepakt? Ja? Els: Ja. Maar waarom hang ik zo raar in m’n gesp van de veerstoel? Dirk, ik ben zo zwaar. Dirk: Nou ja, allicht, we zijn geland, d’r is hier zwaartekracht. We zijn op een planeet. Maar in vredesnaam: wat voor een? Nou, kom hier, steun op me. Hè? En kom nou uit die idiote stoel! Els: Ja. Ik... ik... ik ben er al. Ach, alles staat op z’n kop! Dirk: Een zwarte planeet... als een spiegel... En volgens m’n meters... een vacuüm buiten. Geen atmosfeer... Nou, hier zijn we in het woondek. Els, een luchtpak. Zo, pak aan. Heb je ’t? Els: Ja. Dirk: Cilinders vol? Ja? Nou... nou ik. Zo… Ja... Zeg eh... Els: Ja? Dirk: Kun je... kun je je... kun je je helm alleen opzetten? Els: Ja, wacht even, heb ik nou alles? We weten tenslotte niet of we terugkomen. Dirk: Ja, maar we gaan maar even, maar we moeten toch onze uitrusting meenemen. Els: Toch... toch vergeet ik wat. Ik kan er alleen niet opkomen. Dirk: Dan moet je je er geen fluit van aantrekken. Kom nou mee! Els: Ach ja!! Toeteltje natuurlijk! Dirk: Ooooh… Els: Och, ik had je haast vergeten. Dirk: Ben je nou wijs? Dat beest wil je nou meenemen voor een wandelingetje? Els: Nou, ‘k laat ‘m niet hier. Dirk: (zucht geërgerd) Els: Als we niet terugkomen en dat beest zit zonder eten? Heb jij dan helemaal geen hart? Dirk: Ha, wat jij niet hebt... wat jij niet hebt zijn hersens! Els: Ach nou! Dirk: In een vacuüm, daar kan je zo’n beest toch niet meenemen? Els: O nee? Stop ik ‘m onder m’n helm. Ruimte genoeg voor Toeteltje. Dirk: De hemel weet wat voor kwaadaardig noodlot mij met zo’n griet heeft opgeknapt! Dat beest is toch niet de moeite waard, kind! Els: Op hetzelfde ogenblik, Dirk, zit ergens in de Galaxie iemand te kijken of jij en ik en wij allemaal de moeite waard zijn om...om ergens te worden weggestopt, net als Toeteltje. Dirk: Nou... goed...! Kom nou maar. Els: Nou... zo. Dirk: Helmen dicht. Els: Ja. Dirk: Talkie aan. Els: Mm. Hoor je me zo? Dirk: Ja. Ja, ‘k hoor je. Kom, de luchtsluis in. Els: Ja. (luchtsluis open en dicht) Dirk: Aha. De pompen werken tenminste. Da’s weer een zorg minder. Els: Natuurlijk, we zijn bestemd om heelhuids uit het schip te kunnen komen... Dit is onze testwereld. Dirk: Aangenaam! Zo. Buitendeurwiel. Pas op, hoor. Hoge stap. Els: Mm. Wel, hier staan we dan. Dirk: Ja. Een onmetelijke zwarte vlakte... Overal... Els: ‘t Is... ‘t is prachtig! Dirk: Ja. Els: Als een donkere spiegel. En... en boven ons straalt de hele Melkweg. Dirk: De Melkweg van een parallelwereld. Hier. Hé, we staan op metaal. Els: Laten we een eindje verder gaan. Misschien is er een deurtje.
Els: Dirk... Dirk: Ja? Els: We zijn nu wel een heel end weg. Ik... ik kan de Alpha nog maar net zien. Dirk: Ja.... ‘t Is die... die zwarte wrat daar… achter ons, onze Alpha. Parallelschip. Zeg, wacht ‘ns ...’t Lijkt wel of ie... of ie wegzinkt. Hij ligt veel lager. Els: Nee... hij gaat achter een soort van... van horizon. Dirk: Een zwarte horizon. Tegen de sterrenlucht. Ja, dat lijkt haast wel zo, maar dat is geen gewone horizon, Els, daarvoor is ze veel te sterk gebogen. Gebogen als... Els, ik weet waar we zijn! Wat dit is! Els: Een ijzeren planeet? Dirk: ‘t Is helemaal geen planeet... Els: Geen? Ja, maar… wat dan wel? Dirk: We zijn geland op de buitenromp van een enorm, een onvoorstelbaar groot ruimteschip! ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [3] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515) [5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [6] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [7] geboren te Amsterdam op 06/05/1928; overleden op 20/10/1989 (Code TIN: 560) [8] geboren te Bloemendaal op 25/07/1932 [9] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [10] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351)
|