|
TESTBEMANNING DEEL 19: VERBORGEN GEVAREN Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 04/02/1962 (herhaling: woensdag 23/08/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - robotverbindingen: Alex Faassen jr. ([2]), Hans Veerman ([3]) & Johan Wolder ([4]) - Proctor: Huib Orizand ([5]) - Kliox: Robert Sobels ([6]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([7]) - Els: Nora Boerman ([8]) - stem 4: Alex Faassen jr. - stem 5: Hans Veerman - stem 6: Joke Hagelen ([9]) - stem 7: Johan Wolder - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([10]) - de planeet Pleierta: Tine Medema ([11]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([12]) - Huub, navigator: Frans Somers ([13]) technische gegevens: 37’19’’ - 25,6 MB - mp3
robotverbinding 1: Connectie met Galaxenter via stersystemen Perasuu, Aôt-i-Zjee-wee en Mörschtt. robotverbinding 2: Galaxenter. Ik groet u voor verbinding. Proctor: Eindelijk! robotverbinding 3: Sectie identificatie. Proctor: Ik heb me driemaal geïdentificeerd, laatstelijk Mörschtt. Checkt u simpel mijn subvocaalpatroon. robotverbinding 3: De vraag is slechts formeel, Proctor Senior. Gescreend. Proctor: Aansluiting met Kliox B-17 gaarne, gesloten kanaal. Mm... robotverbindingen zijn erger dan welke administratie... Kliox: Veldregistratie Kliox B-17. Ik groet u voor opname. Proctor: Staplastreu B-16 Proctor Senior. Gegroet voor rapport. Maar voor we hiermee aanvangen, Kliox, hoe staat het met mijn optie voor het grote correctieproject Xelentièm-E 1037? Kliox: Hierover heb ik nog niets vernomen, Proctor Senior. Proctor: En mijn claim voor de roboteenheden? Kliox: Het gemis van certificaat 47-B, Proctor Senior, schakelde natuurlijk automatisch de commissie 10-A in. Maar indien ik u iets in vertrouwen mag vragen? Proctor: Als registrator, Kliox B-17? Kliox: Neen, als uw vriend en nederige oud-leerling, Proctor Senior. Wat is uw globale indruk van uw huidige opdracht? Proctor: Abominabel! Nou heb ik alle moeite genomen de grillige planeet Pleierta psychisch af te stemmen op het geestespatroon van die… die Ros of Joost, kortweg Justus, maar hij heeft nu na twee duidelijke demonstraties hiervan nog niets begrepen. De groep Huub-Jaap is na een - ’k moet zeggen - niet onaardige blindlanding neergekomen op Mekanistreia waar ze nu, als toppunt van roekeloosheid liggen te slapen in een uitholling in het zand. Ja! En de groep Dirk-Els, met opzet door mij geformeerd wegens hun ongunstige gevoelsrelatie, is geland op het kleine Ypsilon-schip en neemt een - ja, hoe moet ik het formuleren - een... een huisdier mee. Kliox: Maar u zei, Proctor Senior, abominabel? Proctor: Ja, want het wordt nu al duidelijk dat geen van de groepen in staat is zich een denkbeeld te vormen van zijn opdracht die logisch is: elkaar terug te vinden op een daarvoor vanzelfsprekende plaats. Kliox: Maar vooral de emotioneelste groep Dirk-Els irriteert u? Proctor: Stellig. ‘t Vrouwelijk element in deze groep, Els, wilde nota bene het schip niet verlaten zonder dat... dat huisbeest. Ze nam het mee - bij alle tentakels van Glôr! - onder haar luchthelm. Kliox: Ik kan me uw reactie, ofschoon wat emotioneel, volledig voorstellen. Proctor: Schakelt u dan maar de vocalisator in voor rapport. Kliox: Ingeschakeld. Proctor: “Staplastreu B/16 aan Galactische Raad. Onderwerp: Terra-test. Volgens plan zijn de drie testgroepen geland in hun testmilieus. Aan de voorwaarde dat de groepen met minimumuitrusting hun test beginnen, is ten opzichte van Ros, Justus, Joost - mm - reeds voldaan. En ten opzichte van de andere groepen zijn maatregelen in voorbereiding. Voor de groep Dirk-Els zal ik hierbij gebruik maken van een hevig antagonisme...”
Dirk: Ja, Els, deze zwarte vlakte is niets anders dan de buitenkant van een enorm ruimteschip!! Els: Oh! nou... Ja... ja. Ik eh... ja, ik zou hier uren kunnen staan kijken. Dirk: Hè? Els: De hemel glinstert in die oppervlakte. En eh... in de verte die gebogen zwarte horizon... Dirk: Nou, goed hoor, blijf jij maar uren staan kijken. Els: Ach... Dirk: Ja, ik ga proberen hier naar binnen te komen. Zeg? Els: Mm? Dirk: Heb je geen last van dat beest? Els: Toeteltje? Dirk: Ja. Els: Ah, welnee, m’n helm is ruim genoeg en ie zit doodstil. Hij is immers zo mak als wat. Dirk: Hij gebruikt van jouw zuurstof mee! Els: Ach, dat beetje!... Dirk: Nou, hadden we maar wat meer licht. Ergens moet er wel een luchtsluis zijn om door naar binnen te komen. Els: Nou, in je rugzak heb ik een lantaren gepakt. Dirk: Op m’n rug!? Op m’n rug!! Els: Ja... Dirk: Nou, hoe kan ik daar nou bij? Els: Nou, sta dan even stil, dan haal ik ‘m voor je d’r uit. Dirk: Nou… Els: Dan moet je effe stilstaan, hè... Dirk: Nou, dat doe ik toch. Els: Ja, wacht nou even... Zo... Dirk: Nou, kom nou... Toe nou... Kun je ’m niet vinden? Nou, dan heb je ’m natuurlijk vergeten. Els: Nee, nee, hij moet erin zitten! Ik heb ‘m d’r in gedaan. Dirk: Goed, goed, dan gesp ik het zaakje wel af, dan zal ik zelf wel even zoeken. Nou, weet je zeker dat je ’m d‘r in hebt gedaan? Els: Ja, natuurlijk. Dirk: Ja, wacht nou even... Zeg, wat is dat voor iets? Els: Wat? O, dat is vogelzaad voor Toeteltje. Dirk: Wat!? Els: O, je hebt mijn rugzak! Dirk: Nou. Draai je dan om, zal ik wel effe zoeken. Els: Schiet dan op. Dirk: Ja, wacht nou even. Heh! Els: Ja. Kun je ‘t vinden? Dirk: Ja ja ja... Nou, hier. Hier is ie dan, hè... die lantaren... Nou, kunnen we eindelijk wat zien. Els: Nou, zullen we dan gelijk omwisselen? Ik vond dat ding al zo zwaar. Dirk: Ja, wat wil je nou? Al m’n gereedschap zit erin. Els: Nou, hier dan. Hèhè. (zucht) Daar staat ie. Nou zeg, eh… met die lantaarn zie je anders ook niet veel meer. Dirk: Genoeg van de bodem waarop we staan. Ik zoek naar voegen. Els: Hè? Dirk: Begrijp je me nou? Voegen. Tussen de dekplaten. Els: Hè? Om zo’n eh... eh schroevendraaiertje tussen te duwen? Dirk: O, wat ben jij toch een oelewap. Och! Els: Ja, als je me nou weer begint uit te schelden, dan ga ik zo terug, versta je? Dirk: Ga jij maar terug! Ga jij maar terug. Ga maar, ga maar, hoe eerder hoe liever. Els: O, ik ga al. Dan draag je die twee rugzakken maar alleen. Dirk: Goed. Els: Ja, maar eerst Toeteltje z’n zaadjes... Hier. Zo... Nou...? Dirk?... Dirk! Ik voel zo’n eh... zo’n rare trilling onder ons. Wat... Dirk: Ja! Een vibratie... Els: Dirk! Zeg! Wat is dat voor een akelig geluid... Ik… ik hoor... Dirk: Stil ... stil. Het geluid horen we door contact met de bodem. Maar… wat kan het zijn...? Els: Daar! Achter je, Dirk. Dirk: Een ronde koker! Die is uit het dek naar boven gekomen. Els: Hij beweegt! Hij komt naar ons toe! Dirk: Let op! Pas op, pas op! Els: Dirk! Dirk! Hij trek me naar binnen, help! Dirk: Zet je schrap! Zet je schrap! Geef me een hand. Trekken, toe. Els: Oooo! Help me toch! We vallen, Dirk! Dirk: Koest, koest! We glijden. ‘t Is een soort lift. Els: Ik eh... Dirk: Jeeee... Ik zie licht. En we staan stil. Els: We zijn... in het schip! Dirk: Ja. Els: Zie je nou wel dat het zonder schroevendraaier ging? Dirk: Wie begon er over een schroevendraaier? Els: Ach, jij... Dirk: Wacht ‘ns even! Zonder schroevendraaier, zei je, hè? Zonder niks! Onze hele uitrusting staat buiten. Ja! Door jouw stommiteit. Hier! Het enige wat ik heb is... is m’n lantaarn!! Els: En ik... ? Oh... oh Dirk, kijk ‘ns. Dirk: Je vogelzaad! Els: (lacht) Dirk: Eendvogel! Nou, laten we maar uitstappen. Onze pakken hangen slap, dus die... die ijzeren zuil staat onder eh... atmosferische druk. Els: Ja, maar eh... als... als Toeteltje d’r nou ‘ns niet tegen kan, tegen die lucht, Dirk? Dirk: Snap dan toch: dit is ons testterrein, waar we mogen opzitten en pootjes geven! (zet z’n helm af) O... Nou, we mogen in ieder geval ademhalen. Zie je? M’n helm is af. Els: O ja, het gaat! Zeg, maar wat nou... (schrikt) O, die deur daar achter ons rolt dicht! Dirk: Tja... Wat nou, hè? Wapens, werktuigen, eten en water. En niet alleen voor jouw idiote kanariepiet! Nee!! Onze hele uitrusting is foetsie. We kunnen niet terug. Els: Tja... (zet een paar stappen) Deze zaal is helemaal leeg. Waar komt dat licht vandaan? Dirk: Diffuus. Vermoedelijk twee elektroden overlangs. Een soort neon-TL zonder buis. Els: Kan dat dan? Dirk: Ja, natuurlijk kan dat... O, kijk ‘ns, hier zit een rij mooie pennen om onze pakken aan op te hangen. Els: Nou... ik eh... ik vind het doodeng. Als... eh... alsof er ogen op zitten, die je aankijken. Dirk: Nou, stil laten kijken, hoor... Zo… Els: Zo. Dirk: Pak uit. Els: Eventjes… Hèhè... Hoe... Dirk: Zo, daar hangt het. Hé, da’s typisch, hier is zwaartekracht, kunstmatige graviteit. Zeg, hé! Als je ook afgepeld bent, kom je dan? Ja, kom nou. Els: Ja, ik ben zo klaar. Dirk: Ik ga die korte wand ‘ns bekijken. Waar een ingang is, moet ook een uitgang zijn. Ah ja. Ja! Hier is een deur. Tja... hoe zit dat ding nou in elkaar? Els: Dat eh... ronde geval, een deur? Dirk: Ja. Els: Hu, ‘t lijkt een beetje op zoiets als een fotomaat van vroeger. Dirk: Diafragma. Ja... reusachtig groot dan. Hoe krijgen we dat ding nou open? In het midden schuiven de bladen over elkaar. Wacht ‘ns even, ik zou ze natuurlijk opzij kunnen trekken. Els: Ja, maar wacht. Nou, zo gaat het toch niet, Dirk. Dirk: Nou vooruit, toe nou, help me nou liever. Els: Nou zeg, dat kost me m’n nagels. Dirk: Dat zou zonde zijn, hoor! Els: Ja. Dirk: Nou, ga dan maar opzij, ik zal het dan wel alleen doen. Els: Ik ga al opzij. Dirk: Aaauw... aaauw... ! Nog een keer... Ja, ik voel beweging in die... Verrek... Aaauw! Aaauw! Ik val op m'n harses... Els: Dat komt er nou van: zeg, ik heb het knopje gevonden, het zat er gewoon naast. Dirk: Oh. Els: Hoho! Dirk, wat lig je d’r enig bij. Dirk: Ja, enig... enig. Als je nog ‘ns wat weet. Nou, kom nou maar verder. Els: Wat heeft de Proctor gezegd, jongetje? Met verstand de dingen aanpakken! Dirk: Ja!! Ja!! Els: Nou! Dirk: (zucht) Els: Zeg, wat een ontzettende gang is dat hier. Dirk: Ja... Els: Maar waarom brandt er alleen licht boven ons hoofd? Die... die lichtstrepen op het plafond? Dirk: Dezelfde soort als daar binnen. En automatisch. Els: Ooo... De deur is dicht, Dirk! Waar is Toeteltje? Dirk: Op je hoofd zit Toeteltje! Els: Hu! O ja! ik voelde ook al iets kriebelen. Nou... Hier eh... voor ons is een dwarsgang. Dirk: Alles is leeg. Onder het stof. Hoeveel jaar is hier al niemand geweest? Hallo! Hallo!! Els: Zeg, misschien kunnen we beter zo zacht mogelijk doen. Wie weet wat hier huist in dit schip. Dirk: Niets en niemand, denk ik. Zeg, in die gang voor ons, hè, daar moeten cabines zijn. Els: O, daar staat een deur aan, maar eh... wie weet, Dirk... Dirk: Dit hier is allemaal verlaten, dat zie je toch. O, dit is gelukkig een gewone deur voor een keertje. Els: Leeg? Niemand, zeg je, Dirk? En wie doet dan het licht daarbinnen aan? Dirk: O, da’s ook automatisch. Als ik de deur verder sluit, gaat het vanzelf uit. Els: Oh ja! Dirk: En zo gaat het weer aan. Els: Ja! Dirk: Ben je tevreden? Nah... kom dan mee naar binnen. We moeten toch ergens een begin maken. Els: O, zeg... wat een rommel! Helemaal vergaan enne... Dirk: Stof! Stof! Maar... maar wat is het allemaal? Deze platforms met hun kronkelige uitholling... Els: Zou dat zijn om eh... bijvoorbeeld in te slapen? Dirk: Ja, als je de vorm had van een krukas. Els: Dan misschien sliepen hier wel wezens die... die zo in hun model moesten blijven. Dirk: Nou, ik slaap liever ergens anders in dan in een gietvorm. Dit is een soort eh... een soortement stal. Els: Ja. O zeg! Ik val bijna, over van allerlei dingen. Een stal? Dirk: Ja, een stal. Els: Welnee, ‘t is... ’t is een douche! Dirk: Nou... Els: Vast en zeker. Dirk: Ik ga verder hoor. Els: ‘k Kan d’r precies in staan. Zo!... Hé Toeteltje, waar vlieg je nou naartoe? Huh! Ach, d’r stuift water naar beneden! Water!?... Nee... Nee, Dirk. O help, het brandt! O help, o help! D’r komen dingen uit de muur. Dirk: Kom er dan uit. Kom er nou uit. Els: Nee, ik... ik kan niet... ik... die twee dingen, ze gaan me mangelen, mangelen. Dirk: Pak vast... twee handen, hup... hup! Els: Aaauw... Oh... oh... Dirk: Zo. Els: Gelukkig... Oh. O zeg... wat is dat voor spul? Dirk: Hè? Els: Kijk ‘ns, allemaal kleine spikkeltjes op m’n cover-all. Dirk: Dit is een of ander eh... ’t is een of ander bijtend zuur! Els: Ja! Dirk: Het wordt verstoven van bovenaf. Zeg? Els: Ja. Dirk: Ik heb in die tijd een variatie hiervan ontdekt. Els: Wat!? Dirk: Ook met mangels. Ja, dat daar, dat daar, da’s dan een zitbad. Els: (lachje) Die rare vorm? Laat ‘ns kijken... Dirk: Ja, kom nou maar mee, d’r is hier niks te verdienen. Els: O, waar is Toeteltje? Dirk: Daar komt ie al. (fluit) Kom nou, kom nou mee, beest. (ze gaan een eind verder) Els: Ik eh... ik vind die gang akelig stil. Dat licht boven ons hoofd gaat met ons mee. Dirk: Mm? Els: We worden geobserveerd, Dirk. Dirk: Welnee, gewoon automatische relais. Els: Oh! Els: Oh zeg, we zitten hier wel op een presenteerblad. En verderop is het stikdonker. Els: En... en wie wat weet er zit te loeren... met... met nachtogen. Dirk: Hè toe, bespaar me je fantasieën, hè? Els: Nou, jij begint er toch over? Ho, hier is alweer een deur. Dirk: Voorzichtig... Mm, automatisch licht. Els: Wat een ruimte, zeg. Vol met... Dirk: Ja!... ‘t Is een... ’t is een heel pakhuis warempel. Els: Ja! Dirk: Zeg, als we hier niks vinden, dan eh… dan laat ’k me hangen, hoor. Alleen de lui die die dingen daar hebben bedacht, hè, die moeten ‘t dat toch in een nachtmerrie hebben gedaan, hè? Kijk ‘ns! Els: Wat? Dirk: Gedeukte bollen, gewrongen kubussen, en hier... Kijk ‘ns, het lijkt wel een... ja... Els: (lachje) Zeg, op school hadden we een model van een middenoor met al die kanalen door elkaar. Het lijkt erop! Dirk: Wat kunnen ze daar nou in bergen? Kijk, moet je hier nou zien. Els: Wat nou, wat nou? Dirk: Kijk een soort... een soort trapezium! Els: O, wat gek! Dirk: ‘t Is schuin doorgezaagd en ‘t is dichtgelast. En... zeg, het weegt niks! Els: Nou, pas dan maar op. Dirk: Nou, wat kan daar nou in zitten? Els: Ja. Dirk: ‘t Kan... ’t kan niet eens open. stem 4: Voor nuttig gebruik van deze krinselinek dient u vooraf de gesuporneerde esp-instructie te infuseren... Dirk: Thelepatische gebruiksaanwijzing. Stil ‘ns even. stem 4: Mij te openen als volgt: plak de zuignap van uw middelste tremmeleet op de kliburale overspreuf. Herhaal: plak de zuignap van... Dirk: Zeg, laat ie daar z’n eigen zuignap daar maar opplakken, hoor. Els: O, wat leuk, Dirk: ingebouwde gebruiksaanwijzing. Dirk: Ja, heel leuk. Maar we hebben geen tijd voor abracadabra. We zoeken eten en we zoeken drinken. Els: Hier! Zou dit opengaan? Dirk: Wat? Els: Ha! ‘t Is net een slagroomautomaat van crêpepapier, met een ceintuur d’r omheen. Dirk: ‘t Idee van telepathische gebruiksaanwijzing is niet gek. Els: Nou, dat moet toch ook wel, Dirk. Dit schip is natuurlijk volgepakt met dingen voor… voor… voor die hele Galaxie. Dirk: Mm. Els: Ze kunnen zo’n gebruiksaanwijzing toch nooit in al die talen d’r op drukken? Dirk: Nou, laten we maar ‘ns proberen. De hand d’r op dan maar, hè? stem 5: Prommel, vrienden, Prommel. Vloeit als echte tilie langs uw framiel Dirk: Hè? stem 5: Niet van de echte te onderscheiden. Prommel, vrienden. Dirk: Prommel? stem 5: Een vrij monster ter kennismaking. Dirk: Prommel... Els: Ha! Het is nog slagroom ook! Prommel! Dirk: Prommelslagroom? Els: Natuurlijk! “Het glijdt als echte tilie.” Natuurlijk! ‘t Glijdt langs je tong! Dirk: O ja? Moet je voor de aardigheid toch ‘ns even aan ruiken! Hè? Als jij dit nou langs je framiel wil hebben glijden... Nou, ruik ‘ns effe...? Els: Nou, zo erg ruikt het nou ook weer niet. Dirk: Nou, zeg, kom! (walgt) Els: Je overdrijft verschrikkelijk. stem 5: Een vrij monster, vrienden. Dirk: Vrij monster... stem 5: Prommel, Prommel, glijdt als echte tilie langs uw framiel. Els: Nou, in elk geval zijn ze hier scheutiger dan bij ons... Dirk: Zeg, kijk nou, d’r... d’r komt geen einde aan het vrije monster! Els: O die vette lange sliert die glijdt langs je voet. Dirk: Hé hé hé... ! Hé hé hé... ! Da’s niet de bedoeling! Els: Pas op, je trapt er bijna op. Dirk: Kom kom... hé... niet langs m’n framiel! Nou, ga maar ergens anders glijden, hoor! Els: Nou, ik denk toch dat we hier op een verkeerde afdeling zitten. Dirk: Nou, dat geloof ik ook, laten we maar verderop gaan. Kom nou. (ze gaan verder) Dirk: Wat is dat? Wat is dat? Els: Dirk, daar is hier iemand! Dirk: Ja, ik hoor zoiets als... als kermis! Voorzichtig, het kwam vanachter die stapel dingen daar... Achter die balen. Voorzichtig! Els: Dirk! Dirk: Kom nou maar, kom nou! Els: Dirk! Dirk, wat… wat… wat is dat? Dirk: ‘t Is jouw “echte tilie” onder m’n voetzool. Het was lijm! (Els lacht) Ja, ‘k zou een beetje stom gaan staan te lachen als ik jou was. Els: Nou, loop jij dan ook niet zo gek te kermen. Als ik lachen wil, dan lach ik. Dirk: Kom mee nou! Toe!
Els: En die man zit maar te zeuren over eten. Toeteltje, jij hebt tenminste instinct. Zullen we dat blik ‘ns open maken, hè? Ja? Ah, hij houdt z’n kopje schuin. Toeteltje zegt ja. Dirk: Blik? blik? Diabolo... van kunsthars. Ha, ‘t zal het zijn! Els: Ja, Iezegrim, maar Toeteltje heeft instinct. Dirk: Ja ja. Els: Zo. En nou ‘ns luisteren wat het aardige blik zegt... Ah, het klotst, als ik het vasthoud. stem 6: Let op! Let op! Els: Oh, wat een leuk joch zit erin... stem 6: Nummers 6-7-8 Aprisol, de beste dronk in Riebergie klimaat. Verfrissend door Slirbiss, vermengd met kleine gremmen van ström... Dirk: Ja, gooi het maar in m’n pet, hoor. Els: Nou, ‘t is anders best te begrijpen. stem 6: Let op!! Let op!! Nummers 6-7-8 Aprisol, de beste dronk in Riebergie klimaat. Verfrissend door Slirbiss, Els: Limonade of zo van rins vruchtensap. Dirk: Ja ja, rins... stem 6: Vermengd met kleine gremmen van ström... Els: O, dat is eh... rietsuiker. Nou, de rest spreekt vanzelf. stem 6: Vooral de eerst te pretten in snaup. Els: Eerst koelen in ijs. Dirk: Hè? Els: Hij gaat open! Dirk: (lachje) Limonade zei je toch, hè? Els: (lachje) Dirk: Nou, ‘t is meer een blok gelatine, hoor. Els: Nou, misschien moeten we ’t verdunnen. Dirk: Verdunnen? Els: Pretten in snaup is verdunnen in water. Kan ‘t ook zijn. Dirk: O, ja ja ja ja. Oh. Oh, kijk ‘ns. Els: Wat? Dirk: Dat verdunnen schijnt het blok zelf te willen gaan doen! Kijk ‘ns, het klimt uit z’n doos. Zet ‘m... zet ‘m neer! Els: Ja ja, wat… wat gek! Zeg het... het tjilpt... het… het… het… Dirk: Hé, om onze dorst aan te moedigen. Nee, vergeet het maar. Els: O, Dirk. Dirk het komt op me af! Dirk! Dirk! Dirk: Hé zeg, kijk ns even, je Toeteltje moet er niks van hebben. Els: Doe het weg, Dirk, het… het plakt... het plakt op m’n gezicht. Dirk: Els... Els... Els, kindje! ‘t Is levensgevaarlijk, dat spul! Weg! Els! Elsje, het gaat niet, ik kan er geen vat op krijgen. O, wacht even! De doos, de doos... Ik heb ‘m beet. Ja , de doos, ja, weg... Terug, terug, ding! We moeten je niet, vooruit, vooruit. Ja, ja... het lukt... Ja, kijk, het klimt weer in z’n doos. Els: O, Dirk... Dirk: Oooh… Els: Het stikte me bijna, ik kon bijna geen adem meer krijgen. Hoe kwam dat ineens? Dirk: Door jouw instinct. Omdat je geen hersens hebt. Jij met je idiote Toeteltje! Els: Ja, m’n idiote Toeteltje, hè. Terwijl jij maar loopt te zeuren en te blèren over eten, tot ik… tot ik helemaal niet meer weet wat ik... wat ik in je mond moet stoppen om d’r van af te komen. Dirk: Ha! Els: Ja! Loop maar weg! Meneer wil ‘t niet horen. Maar ik zal je ‘ns wat zeggen… Dirk: Ik zal jou ‘ns wat zeggen! Ik had eigenlijk dat gelatineblok voor je mond moeten laten zitten! Els: Oh! Dirk: Ja, hou dicht je snavel. Dan hoor ik wat. stem 7: Waarschuwing! Vloeistof is giftig. Slechts bezigen voor het berden van uw froluuk. Doch daartoe uniek. Dringende waarschuwing! Els: Giftig?) stem 7: Vloeistof is giftig. Els: Giftig! Wat ga je doen, Dirk? Nee, niet drinken! Toe, Dirk. Dirk: O nee? o nee? Weet je wat dit vergif is? Da’s water, da’s zuiver water. Els: Water? In... in die kom? Dirk: Ja, natuurlijk! Als hun lekkernijen voor ons dodelijk zijn, moeten wij hun vergiften hebben. Els: Ja! stem 7: Herhaal: giftige vloeistof. Slechts te bezigen voor het berden van uw froluuk. Doch daartoe uniek. Dirk: Ha... ik kom d’r van bij. Zo, als jij soms ook je froluuk even wil berden, moet je daar drinken, als je tenminste niet te vies van me bent. Els: Oh, dat weet ik nog zo net niet. Dirk: Oooo, dank je. Els: Hé, hier zit Toeteltje op de andere rand te drinken! Dirk: Zo, zie je nou wel? Wil je nou nog een beter bewijs? Els: Ja, het is zo, hè? O, ‘t is... ’t is heerlijk. Dirk: Ja, zie je wel? Koppie koppie, hè? Zeg, luister ‘ns Els, nou moeten we ergens een compartiment vinden waar we kunnen gaan pitten. Els: Ja. Dirk: Want het is voor vandaag welletjes, hoor. Els: Ja, ik sta ook zowat te trillen in m’n knieën. Dirk: Ja, ja, jij hebt het weer zwaar, ja. Ja. Kom nou maar mee. Kom nou. Els: Ja. Dirk: Die kant terug. (ze keren op hun stappen terug) Zeg... die gang... die zwevende lichtjes boven ons hoofd. ‘k Vind ‘t spookachtig. Verderop is alles zwart als inkt. Nee, het bevalt mij hier niet. ‘t Is allemaal verlaten. Els: (schrikt) Verlaten? En dat dan? Dirk: Wat komt daar? Het dreunt. Voel ‘ns! Voel ‘ns, de grond! Els: Ja!... Het is... weer weg. ‘t Lijkt wel... Dirk: Je zou zweren dat het hier... nee... nee, dat kan niet. ‘t Was gelukkig ver weg. Els: ‘t Dreunde als een aardbeving. Dirk: Nee, ‘k dacht aan een onweer of... of aan iets anders. Els: Kom, laten we gauw hierin gaan, deze cabine is leeg. Dirk: Ja, dat doen we. (ze gaan binnen) O, dat wordt heerlijk slapen, hoor! In het licht! Els: O, hier naast de deur steekt een schijf uit. Ja, zo draai ik het licht lager. Dirk: Ha, was er maar een schijf om die metalen vloer te capitonneren. Els: Nou, daar is niks aan te doen. Hèhè... ik lig. Mm, wat hard! Dirk: (lachje) Mijn hoekje heeft anders ook geen springveren. Doe het licht maar hele... Luister ‘ns... luister ‘ns Els: Ja. Dirk: Dat was het weer! Els: Ja d’r is... d’r is een onweer in de verte. Dirk: Ik dacht aan... aan iets onmogelijks Els, aan een… Els: Wat? Dirk: …aan een trein, aan... aan vervoer. Els: We zijn... we zijn niet alleen in dit schip, Dirk. Wat dat geluid ook is. Dirk: Ja. Wat het ook is, ik... ik blijf er graag vandaan. (gaat liggen - kreunt van genoegen) Ik lig. Oooh... wat doen m’n voeten pijn... oooh! Els: Joost zou meer aan zo’n trein hebben dan wij, als ie door die ontzettende grasvlakte loopt. Twee zonnen schijnen d’r nu. Afschuwelijk! Blauw en rood. Dirk: Dus jij hebt m’n kristal! Els: Ja. Dirk: O... Els? Wat zie je?... Wat je ziet? Els: Nou het licht uit is, zie ik alles veel beter. Die rode zon zakt snel omlaag en... hij blijft op de horizon liggen. Die kleine witte loopt dwars langs de horizon. En... en een blauwe... Dirk: En Joost? Joost? Waar is Joost? Els: Beneden de zonnen is een... is een hele grote grasvlakte. D’r is niets te zien dan... dan gras, rondom, tot aan de horizon. Een hele wereld van... van wuivend gras. ‘t Is er ontzettend eenzaam. Dirk: Ja, maar... Els: Ik zie ‘m. In dat eindeloze gras loopt ie. Hij weet niet waarheen. Er is daar immers geen waarheen, want er is geen Noordpool, geen aswenteling, geen lentepunt, geen hemelequator, geen meridianen... Dirk: Wat weet jij daar allemaal van? Els: Ik? Ik? Nou, niets, maar Joost weet het. Ik hoor z’n gedachten. Hij denkt als een goed mens. Hij is eh... Dirk: Humaan... Ja. Beter dan ik, wil je zeggen... ‘t Is nog waar ook... Els: Nu denkt ie aan ons. Hij zou graag weten hoe Huub en Jaap het maken, en wat jij nou doet. Dirk: Wat ik doe? Dat kan ie toch weten? Dat kan ie toch zien? Els: Joost heeft geen kristal. Dirk: Joost heeft geen... ? Els: Hij heeft geen wapens, geen eten, geen drinken, geen mens, en geen kristal. Alleen een vlakte, zo groot als een hele planeet. Met gras... Met niets...
Joost: Een hele planeet... met gras... met niets... Ik heb alleen mezelf... en wat ik uit mezelf kan putten. Maar zou ik dat willen? Wie kent zichzelf? Wat kan er uit je binnenste niet voortkomen? stem: Herinneringen, Joost Ros. Joost: Ja... herinneringen. Ja... Hè? Wie sprak daar? stem: Ik, Joost Ros. Joost: Ik zie niemand. Waar ben je? stem: Overal, Joost Ros. Ik ben om je heen zover je oog reikt. In de lucht, in het gras. Ik ben de planeet Pleierta. Joost: Pleierta... Pleierta: Men zegt dat ik grillig ben, terwijl ik probeer ieder die hier landt te geven wat hij wenst. Joost: Pleierta... Pleierta: De planeet van het zwijgen en van wensen die worden vervuld. Joost: Mijn wensen zijn niet zo makkelijk te vervullen, vrees ik. Pleierta: Ik vrees het tegendeel. Joost: Ja. Ik zou wel zo het een en ander weten... Pleierta: Je kent jezelf niet, Joost. Niet werkelijk. En hoe zou jij dus weten wat je werkelijk wenst? Allen die hier worden getest, staan versteld wanneer ze krijgen hetgeen ze werkelijk wensen. Welkom op Pleierta, Joost Ros. Mijn stem zul je nu verder niet meer horen, alleen nog je eigen gedachten, wat in je is. Wees voorzichtig met die gedachten, Joost Ros... Voorzichtig met je eigen fantasie. Joost: Pleierta... Wonderlijk... Een levende planeet... of een hallucinatie. Auditieve hallucinatie, zou Jaap zeggen. En Huub zou zeggen... Nee, nee... die zou z’n keel schrapen... Ja, Huub is nogal rationeel. Die twee zullen trouwens hun eigen zorgen wel hebben, waar ze dan ook zitten.
Huub: Hoor je wat ie zegt? Jaap: Nou, hij zegt dat we onze eigen zorgen hebben, Huub. Huub: Helemaal wakker ben ik nog niet, zo’n zandkuil als deze is geen kwaad bed... Uh... wie heeft zorgen? Jaap: Eh... ik ben bezig met dat kristal, met eh... met Joost. Ik hoor ‘m denken, ik zie ‘m lopen... Nee, nee ‘t bevalt me niks. Huub: Wat precies? Jaap: Nou, al dat... al dat gras, bijvoorbeeld, dat is daar toch niet helemaal voor niks. Ja, daarover loopt Joost te piekeren. Huub: Logisch. Jaap: Zeg, d’r bewegen zich kleine witte diertjes in. Langzaam. Eh... ik kan niet zien wat het zijn. Joost bukt zich nu, het lijken wel... ja, ‘t lijken wel witte muizen. Hij kan ze zo oppakken. Nou zit er een op z’n hand.
Joost: (lachje) Kijk ‘ns aan. Hè? Je zit op m’n hand. (lachje) En je ziet niets, hè, want je hebt niet eens ogen. Je weet niet eens welk gevaar je loopt. Zeg, wacht ‘ns! Ik had vroeger ook witte muizen. Ik was het helemaal vergeten. Waarom eigenlijk? Waarom? Omdat je het wilde vergeten, Joost. Maar... maar waarom zou ik dat willen? Reden genoeg! Acht jaar was je, toen het gebeurde in de donkere kelder, waar hun hokje stond. Je kwam naar beneden die avond, de treden van de stenen trap af. Ik... ik weet van geen trap! O jawel. Je herinnert je de stenen kelder. Je hoorde geritsel en gepiep, nietwaar? Je deed het licht aan. Midden op de vloer lag één van de twee muisjes onbeweeglijk, met iets roods aan z’n kop. En terwijl je daar stond, waren er in die donkere hoek groene lichtende ogen van een roofdier. Nee! Nee! Het was maar een... een kat, niets anders. En het roofdier stak een lange scherpe klauw diep in een gat achter het beschot, haalde iets wits naar zich toe, dat piepte en kronkelde, en piepte en kronkelde, en piepte en kronkelde, en hij keek je aan vanuit de schemering, alsof jij de volgende zou zijn. Dat is... dat is... lang voorbij. Verdwenen. Wie weet Joost, ben jij hier zo’n muis...
Huub: Jaap? Jaap: Mm? Huub: Wat zie je? Jaap: Ach, elk mens heeft als kind dingen beleefd, gezien, weggedrongen, hè, en die dingen ziet Joost nou opnieuw. Huub: Het doel ontgaat me. En wat nu verder? Jaap: Nou gaat ie drinken uit een beek. Het water smaakt er naar appelmost. Huub: Hè? Jaap: Ja, vermoedelijk smaakhallucinatie. Gelukkig is dat allemaal onschuldig. Huub: Een beek? Jaap: Ja... Huub: Daar? Dat lijkt me bijzonder. Jaap: Hem ook. Nou draait ie zich om. Hij is... onzeker. Nou kijkt ie naar het landschap. Hij is nog niet bekomen van z’n hallucinatie van daarnet, hij... Huub: Nou? Jaap: Stil ‘ns even, stil ‘ns even, daar komt iets achter zijn rug, achter... Ja, uit de beek komt iets naar boven! Achter z’n rug, boven het water uit! Joost merkt er niks van. Hij... hij denkt over... Huub: Ja, dwaal nou niet af, Jaap! Jaap: Ja man, zeur nou niet, zeur nou niet. Uit die beek... Het is als een... als een dikke stam, met een vuist, en dat komt hoger. Huub: Stam? Jaap: Ja, een begroeide stam met een vuist. De vuist gaat open... Joost merkt niks! Huub! Huub! Het is een klauw! Een roofdierenpoot van meters lang! Hij is dik en rond en behaard. En met een ontzettende grijpende klauw! Ja! Ja! En hij voelt dat er iets aan ‘t gebeuren is, want hij zoekt niet achter zich, en die... die klauw komt, en Joost draait zich ineens om… Hij ziet... Joost: (kreet) Jaap: Nog net.! (zucht) Nog net op tijd! Nou rent ie weg... Huub: Wat heb je nou, Jaap? Wat gebeurt daar? Wat vertel je nou allemaal voor onzin? Jaap: Onzin? Een soort nachtmerrie. Ja, eh ... in Joost z’n fantasie natuurlijk, maar ... O, jonge jonge jonge Huub: Als daar beken met water nou naar appelmost gaan smaken... Jaap: Die appelmost is ook fantasie. Huub: En die beek onbestaanbaar! Jaap: Nee nee nee, dat hoeft niet. Waarom zou daar geen beek stromen? Huub: In een grasvlakte? Zonder enig natuurlijk verval? Jaap: Ja... ja, jij weer gelijk. Trouwens, alles wat daar gebeurt, dat is onmogelijk, hè? Eerst vangt die planeet z’n schip op, simpel als een ballonie in een holle vangschep. En dan tovert die een kuil, een kuil als dekking tegen de explosie van het schip, en nou weer een beek die nergens naartoe stroomt. Zeg, Huub, zouden dat, zouden dat dingen zijn die... die Joost opkomen, primaire wensen of... ja, ik weet niet hoe ik het moet zeggen… Huub: Ja, wat ik wel weet is dat de tijd niet stilstaat. ‘t Wordt al aardig licht en we liggen nog in onze kuil. Jaap: Nee nee, jij ligt, Huub, jij. Jij ligt te wachten tot ik met je ontbijt kom. Kom joh, op, vooruit. Elke dag die we er langer voor doen, is weer minder voor de aarde. Als je weet waar ik het over heb. Huub: Inderdaad. Nou... ik sta. Nu uit deze bomtrechter, en het schip in. Zeg, hé! Jaap: Hè? Wat? Ja?... Nou, hier ben ik. Hé, wat is dat voor een moestuin? Huub: Vegetatie. Manshoog langs het hele schip. Strook van... een meter of drie diep. Waar hebben we dat aan te danken? Jaap: Zeg maar liever: te wijten. Hier... hier om het hele schip heen. Daar staat onze gewezen watervoorraad voor zes maanden, mals te velde. Huub: Nou, we zullen dan een pad er doorheen moeten maken. Vooruit dan maar. Jaap: Hé hé, stop ‘ns even, stop ‘ns even, Huub. Huub: Ja? Jaap: Eerst even een natte vinger omhoog. Huub: Ja, dat er geen wind staat kan ik je zo al vertellen. Jaap: En vertel me dan ‘ns eventjes waarom die dikke bollen op hun stengels zo heen en weer wuiven? Huub: Waarom gaan ze heen en weer? Jaap: Om blijdschap dat ze ons zien, is ‘t nou goed? Huub: Die bollen bovenop strekken lange draden uit, in onze richting. Merkwaardige vegetatie!... Jaap: Ja... Huub: Dunne draden. Ze zweven als het ware door de lucht. Hier, op m’n hand. ‘t Voelt kleverig aan. Jaap: Huub! Achteruit! Stommeling, d’r komen d’r honderden! Een heel net, over je heen! Huub: Hè? Wat? Jaap: Pas op! Huub: Jaap, waar ben je? Ik word vooruit getrokken, ik zie niets meer. Jaap: Hier. Ik ben achter je. Zet je schrap. Kom nou, trekken man. Huub: Trekken, zeg. Ja, samen. Jaap: Ja... Scheuren! Eén, twee, hup!! Huub: Alle mensen!! Jaap: (hoest heftig) Nou, dat was maar net. (zucht diep) Huub: Waar zijn we hierin geduikeld? Ik zie niks! ‘k Moet die draden eerst van m’n gezicht plukken. Waar zijn we? Jaap: (lachje) Terug in onze goeie ouwe bomtrechter. (lachje) We hadden feitelijk niet eens op hoeven te staan. Huub: Wat een zeer onaangename vegetatie! Jaap: Een slechte teelt, hoor! Huub: Het zijn vleesetende planten! Jaap: Nee, Huub, nee. Nee, ze moeten water hebben. Zo aan hun groei te zien zijn ze d’r gek op. Huub: O ja! Ik had ook die cilinder, met twee liter d’r in, dat deed het! Jaap: Nee. Die twee liter, nee... Zij wilden een tuintje planten, bovenop ons corpus. Want waar vinden ze hier zo’n voedingsbodem, hè, met meer dan zestig procent water? Huub: Mm, ja... Maar… waar vinden wij nu andere gereedschappen, voedsel en uitrusting? Jaap: Daar zeg je wat... Huub: We kunnen niet meer in het schip! Ik hoor het je nog zeggen, Jaap: ‘t zou ons niet gebeuren. En nu zitten we warempel toch zonder iets. Jaap: Dus... dus heeft die smerige Proctor ons toch nog te grazen gehad!? En wat nou!? ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (5/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te Amsterdam op 06/05/1928; overleden op 20/10/1989 (Code TIN: 560) [3] geboren te Hilversum op 14/03/1933 (Code TIN: 10225) [4] geboren in 1922 [5] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [6] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351) [7] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [9] geboren te Amsterdam op 17/07/1937 [10] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515) [11] geboren te Rotterdam op 05/02/1909; overleden te Amsterdam op 05/01/1985 (Code TIN: 1197) [12] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [13] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)
|