TESTBEMANNING

DEEL 20: ONAANGENAME VERRASSING

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 11/02/1962 (herhaling: woensdag 30/08/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids]

- robotverbindingen: Hans Karsenbarg ([2]), Hans Simonis ([3]) & Chiel de Kruyf ([4])

- Proctor: Huib Orizand ([5])

- Kliox: Robert Sobels ([6])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([7])

- Huub, navigator: Frans Somers ([8])

- robas: Maarten Kapteijn ([9])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([10])

- Dirk, elektronicus: Paul Deen ([11])

- Els: Nora Boerman ([12])

- Louise: Els Buitendijk ([13])

technische gegevens: 35’29’’ - 24,3 MB - mp3

 

robotverbinding 1: Connectie met Galaxenter via stersystemen Perasuu, Aôt-i-Zjee-wee en Mörschtt.

robotverbinding 2: Galaxenter. Ik groet u voor verbinding.

Proctor: Mm, eindelijk!

robotverbinding 3: Sectie identificatie.

Proctor: Ik heb me driemaal geïdentificeerd, laatstlijk Mörschtt. Checkt u m’n subvocaalpatroon.

robotverbinding 3: De vraag is louter formeel, Proctor Senior. Gescreend.

Proctor: Mm, verbinding en administratie, tezamen de ondergang van de Federatie...

Kliox: Veldregistratie Kliox B-17. Ik groet u voor opname.

Proctor: Staplastreu B-16. Gegroet voor rapport. En in vertrouwen, beste Kliox: is er niets te veranderen aan die administratieve toewijzing van taken?

Kliox: Administratieve toewijzing bergt inderdaad nadelen, geachte leermeester, hoewel...

Proctor: Deze ongelukkige Terra-test, die was toch ten hoogste een proeftaak geweest voor 'n Junior Proctor. Straks gunt men, ondanks m’n optie, het grote project Xelentièm-E 1037 nog aan een ander, zich beroepend op mijn zogenaamde afwezigheid.

Kliox: Weest u ervan verzekerd dat ik uw rechten zal verdedigen met alle middelen die mijn classificatie mij toestaat. Maar zeg mij, waarde leermeester, wat toch is uw wezenlijk bezwaar tegen het huidige project Terra?

Proctor: Deze lieden zijn geen - hoe moet ik het formuleren? - geen portuur. Ze denken alleen thalamisch, emotioneel, ja, en kinderlijk. Zie de subgroep Dirk-Els: ze veroorloven zich bij de minste aanleiding in een conflict uit te breken. Hen van hun uitrustingsstukken te scheiden was schier beledigend eenvoudig. Ze zijn in het Ypsilon-schip op zoek naar leeftocht en werktuigen. Roos, of… of Joost, of… Ros, of hoe hij zoal heet, dwaalt doelloos rond door het gras van Pleierta. En ten slotte de groep Huub-Jaap, geland in de woestijn van de oorlogsplaneet Mekanistreia, liet zich op de simpelste wijze door mijn strimuniplantjes verrassen en van het schip scheiden. Ook deze twee missen elk besef van hun vanzelfsprekende taak...

Kliox: Jammer. Er is dus geen positief aspect in deze zaak?

Proctor: Mm... een enkel, ja: de plestrumkristallen registreren nog steeds geestelijke samenhang in de totaalgroep. Elke subgroep blijft geïnteresseerd in de omstandigheden van de anderen.

Kliox: Dus deze onzichtbare samenhang zou gunstig kunnen werken op hun pogingen elkaar terug te vinden?

Proctor: Mm. Nou ja, hoe het zij, laten we maar tot het rapport overgaan.

Kliox: De vocalisator is ingeschakeld.

Proctor: Goed. “Staplastreu B/16 aan Galactische Raad voor rapport. Onderwerp: Terra-test. Terwijl ondanks de scheiding in parallelwerelden de groepen via hun plestrumkristal toch een zekere eenheid hebben bewaard, is de testprognose tot dusver ongunstig. Het enige wat de subgroepen tot dusver hebben begrepen, is dat ze met opzet van hun uitrusting zijn beroofd, maar hun gevoelsmatig denken verhindert hun elke verstandelijke analyse. De voor de hand liggende conclusie dat het hun taak is elkaar terug te vinden, zijn zij dus niet bij machte te trekken...”

 

Jaap: Het enige wat ik begrijp, Huub, is de bedoeling van die plantenhaag rondom ons schip.

Huub: Ja. die bedoelt kennelijk: ons van ons schip en van onze uitrusting af te snijden.

Jaap: Ja, goed, maar verder, hè, we zijn hier om te worden getest. Goed, maar hoe? Wat wordt er van ons verlangd? Dat snap ik nou maar eenmaal niet.

Huub: Ik evenmin, jongen. Voor we dus in den blinde d’r op uit trekken, moeten we dit nader bekijken. We bezitten trouwens diverse gegevens.

Jaap: Ja ja, machtig: we bezitten gegevens!

Huub: Over zeven maanden vergaat de wereld, punt 1.

Jaap: Punt 1: het is urgent, we hebben haast. En jij zit hier maar op je achterste te redeneren.

Huub: Je weet dat dit nodig is, jongen. Waarom ben je zo geprikkeld, Jaap?

Jaap: Ja, ik probeer er niet aan te denken, maar... ik heb ervan gedroomd vannacht.

Huub: Gedroomd?

Jaap: Ja... Ik zag daar mensen die ik gekend heb, en miljoenen die ik nooit heb gekend - blanken, gelen, zwarten, roodhuiden, hottentotten - en... en ze groeven en groeven, terwijl ze in de lucht keken, naar de zon, een zon die groter begon te worden. Allemaal groeven ze gaten in de grond, dieper, en nog dieper, gaten die telkens instortten over hun hoofd. En ze kropen in duikboten onder de zeespiegel, mannen, vrouwen en kinderen. Zelfs zag ik een oorlog van man tegen man, om een mijnschacht. De mensen sprongen d’r levend in of ze werden d’r in geduwd...

Huub: Jaap, hou daarmee op!

Jaap: Ja, da’s makkelijk gezegd. Maar jij laat hoogstens wat… wat… wat oudbakken tensors achter, integralen en...

Huub: Jij weet niks Jaap, van wat ik achterliet. In elk geval Gerrie...

Jaap: Gerrie? Ge... Ik... ik dacht dat jij nooit iets...

Huub: Toch wel, Jaap. Ze was boekhoudster. ‘t Begon net wat te worden. En toen kwam dit. ‘k Moest ‘r laten gaan. Zoiets kun je ’n meisje logisch niet aandoen.

Jaap: Mm.

Huub: Soms moet ik onwillekeurig aan haar denken. En liever niet op de manier waarop jij je droom zo levendig schildert.

Jaap: Jij hebt ‘r opgegeven? Nou ja, joh nou ja goed, het had immers niks te... niks kunnen worden. Ik zie jullie al, na je trouwen. (lachje) Jij in de ene hoek met je rekenliniaal, en zij in de andere met haar huishoudboekje... Da’s toch immers geen gezicht. 

Huub: Ja ja, voor een buitenstaander ongetwijfeld een zonderling schouwspel. Eh… dus punt 1 hebben we nou al gehad.

Jaap: Jij... eh... zit onze tijd ook aardig te verkwebbelen.

Huub: Ik?

Jaap: Nou ja, nou goed, ga maar door, ga maar door met je wiskundige analyse.

Huub: Punt 2: wij primitieven passen niet in de Galaxie. De enige mogelijkheid is: ons ergens te bergen in de ruimtevaart. Subconclusie: de test moet als hoofddoel hebben na te gaan of wij specifiek daarvoor geschikt zijn, als team.

Jaap: (lachje) Team… Tot op heden hebben ze anders alleen maar geprobeerd om ons uit elkaar te krijgen.

Huub: Wacht ‘ns! Uit elkaar...? Ja... ‘k Zou dit vraagstuk rustig moeten kunnen overdenken...

Jaap: Maar niet in deze bomtrechter. Dat kun je immers toch ook wel doen onderweg.

Huub: We moeten in elk geval hier vandaan. ‘t Is helder dag en de lucht is bedekt met... met geelachtige wolken. Waar ga je naartoe?

Jaap: Ik ben boven. O, het uitzicht is nog fantastischer dan gisterenavond in de schemering! Kom ‘ns kijken. Hier. Nou?

Huub: Ja... zover het oog reikt: één zandwoestijn, en overal steken uit het zand vormen, objecten.

Jaap: Noem dat maar objecten? Dat eh… dat ding vooruit, zeg, dat lijkt wel op een eh... hefkraan. Links een soort bulldozer, en een half begraven torpedo van dertig meter lang. Dat daar is een tank op twintig poten, op z’n kant.

Huub: Tanks?

Jaap: Ja.

Huub: Hier?

Jaap: Ja. De kanonnen steken d’r toch immers uit? Jongen, weet je wat dit is? Dit is een onder het zand gewaaid tankleger, met materiaalwagens, munitie, aanvoer, montage! En alles heeft hier poten in plaats van rupsbanden.

Huub: Dit voertuig hier vlakbij ligt niet in zijn natuurlijke positie.

Jaap: Nee... als een tor op zijn rug.

Huub: Volgens mij is hier kort geleden een eh... een vernietigend gevecht geweest.

Jaap: Ooo...daar zijn we wat misgelopen bij onze landing.

Huub: Ja, ik dacht niet zozeer aan een legercorps in actie, meer aan een gebombardeerde dump van... van legermateriaal.

Jaap: Wat zeg je me nou? Een dump? Een dump? Zo open en bloot? Midden in de woestijn? (lachje) ‘k Wou je wijzer hebben.

Huub: Ja, die hypothese voldoet ook mij niet geheel, maar hoe verklaar je anders het ontbreken van enig levend wezen, of... of restant ervan?

Jaap: Ja, ja die lui zullen d’r in blijven zitten. Welnee jongen, die zijn natuurlijk hard weggelopen.

Huub: Nou, ‘t blijft even raadselachtig. Voor die lieden zie ik in een voetreis zonder... in deze onafzienbare woestijn evenmin heil

Jaap: Ja, nou ja, en net zo min voor ons, Huub. Zeg misschien is er iets bij al die rommel dat we kunnen gebruiken, hè? Dat vehikel dat daar op zijn rug ligt, hè, dat - denk ik - is alleen maar omgerold door een explosie. ‘t Ligt naast een mep van een krater, zeg.

Huub: Ongunstige positie...

Jaap: Ja, minstens een tientonner. Nah, die kunnen we natuurlijk niet overeind krijgen. Maar daarnaast, daar ligt een lichte miniatuuruitgave, en alleen op z’n kant. Kom joh, we gaan er op af. Hupla... Nou nou... hè hè.

Huub: Zeg, ‘t loopt ook niet makkelijk hier.

Jaap: Nee. Net wat je zegt. Zeg, ze moeten hier toch zeker wel duizenden tonnen TNT hebben gegooid. Tjonge jonge jonge, wat een verwoesting. Hé, pas op, pas op, Huub, daar steekt een ijzeren arm uit die kuil.

Huub: Ja... Zelfs met een hand eraan, of iets wat dezelfde functie heeft in ieder geval.

Jaap: Ja... ja ja ja... da’s een eh… armconstructie met twee handen, ja, en elke hand vier metalen vingers, en aan weerskanten zit een opponeerbare duim.

Huub: Een handmachine. Maar waarvoor?

Jaap: Ja, misschien om de vijand in z'n kippenek te pakken, wie weet.

Huub: Zeg, wacht ‘ns, wacht ‘ns even...

Jaap: Ja?

Huub: Met dat type apparaten werden bij ons radioactief besmette materialen gehanteerd.

Jaap: Ja, maar niet met zulke kolenschoppen als deze, Huub. Welnee, dit is een montagemachine voor zware constructie. Kom joh, nog effe sjokken.

Huub: Ja.

Jaap: Oooh... dat zand!

Huub: Ja, we zijn ook nog niet ingesteld op de zwaartekracht.

Jaap: Nee. Eén ding is zeker: met onze poteloten komen we hier niet ver. Hé, Huub, kijk ‘ns hier! Kijk ‘ns even! Een lange rechte sleuf door het zand.

Huub: Kaarsrecht. Een paar decimeter diep, een decimeter wijd. ‘t Is een oud spoor.

Jaap: Ja.

Huub: ‘t Is op de meeste plaatsen ingevallen.

Jaap: Ja. ‘t Lijkt wel of d’r... of d’r een eh... een snijwiel met een eh... van een worstmachine in z’n eentje is gaan toeren.

Huub: (lachje) Een klein wiel, met zo’n spoor?

Jaap: Ja, jij neemt alles zo letterlijk jij. Nee, nee, ik dacht aan zo’n grote snijmachine, weet je wel, zo’n heel erg grote. Enfin. Nou, hier hebben we dan die koektrommel op poten.

Huub: Zeg, het is een kleine transporteur. Op z’n kant. ‘ns Kijken... Eén, twee... zes poten, met talrijke geledingen. Maar hoe krijgen we ‘m overeind?

Jaap: Ja, aan de voorkant zitten twee koplampen... Nee... heel wat anders, Huub: het zijn glazen ogen!

Huub: Zeg, kom nou, wat moet zo’n ding met ogen?

Jaap: Weet ik veel? Behalve dan me als een koei liggen aanstaren... Hé, Huub, waar zit je nou, joh?

Huub: Zeg, hier..., hier vanachter is een laadluik. Ik klim daardoor naar binnen.

Jaap: Wees nou voorzichtig, Huub.

Huub: Waarvoor? Kijk zelf maar: het is hier leeg.

Jaap: Ja ja! Jazeker, behalve die dikke rollen daar voorin! Automatische munitie.

Huub: Zeg, hier aan een eind is een partitie, met een driehoekige opening met metalen vlechtwerk d’r in. Daarachter moet er een flinke ruimte zijn. O, ‘k denk voor de bestuurder van de machine.

Jaap: Bestuurder? Ja, maar hoe moet ie d’r dan in komen? Zeg, nee, Huub, dat is een robottransporteur. Een... hoe heet het... een robas of wat je wilt, een rijdende robot.

Huub: Een stappende. Ah, dat is het geheim dus: we hebben hier een robotoorlog.

Jaap: Ja, dat moet wel. Alleen zie ik er de lol niet van in. Nou ja, goed. Klim d’r maar uit, Huub, dan gaan we dit eh... robasje overeind zetten. Hij is zo te zien niet beschadigd, dus hij moet kunnen lopen.

Huub: Maar dat gevaarte is toch veel te zwaar voor ons beiden!

Jaap: (lachje) Heb jij nog nooit gehoord van de truc een obelisk rechtop te krijgen?

Huub: Hoe dan?

Jaap: Nah... zal ’k je vertellen. Kijk ‘ns: dit vehikel, nietwaar, dat ligt in de breedte tegen dit schuine zandhellinkje.

Huub: Ja.

Jaap: Als wij nou die kuil daaronder een beetje uitdiepen, nietwaar, dan glijdt ie dus vanzelf in de goeie stand.

Huub: Ja, maar… uitdiepen… Waarmee?

Jaap: Met je hoge hoed! Hè hè, met je jatten jongen, natuurlijk. Kom nou effe, als hondjes, hè. Huub, kom nou, joh, hup! Hup... hup hup hup... Graven graven graven graven. Kom, Fikkie jongen, waar blijf je nou, hè?

Huub: Ja ja ja, ik kom al.

Jaap: Kom, kom, samen kuiltjes graven, lekker in het zand, lekker. (lacht) Zo. Kijk ‘ns even. Kijk, het is een eh... voordeel... hup hup... dat het zo los is, hè. Ja! Ja, hij begint al te glijden. Vooruit, hup hup hup! Graven... Gra... Hé, … ik hoor wat!

Huub: Zeg, wat is die verticale streep daar in de verte? Hij komt naar ons toe!

Jaap: Dat is de... In de kuil!! Duiken! (er ratelt iets voorbij)

Jaap: Oh, oo, foei!! De stamvader van alle snijwielen... Over onze hoofden... Ho! Daar gaat ie, in een wijde boog. (zucht) Een streep. Nou wordt die ovaal.

Huub: Een snijwiel van twintig meter hoog, zeker. Helemaal wit.

Jaap: Doken wij net op tijd, Huub. Kijk ‘ns even, kijk ‘ns even! Hier zo, kijk ‘ns even: insnijdingen van een decimeter minstens! Nou, en aan de andere kant van de kuil dito dito.

Huub: Zeg, dat gevaarlijke witte wiel is dwars over ons heen gegaan.

Jaap: Ja.

Huub: Gelukkig was de snelheid te groot, anders dan...

Jaap: Anders dan waren we doorgezaagde weesjongetjes geweest. Nou ik vind het wel een ongezonde omgeving, hoor!

Huub: Laten we zo gauw mogelijk hier vandaan zien te komen.

Jaap: Nee, maar niet te voet, niet te voet, dus effe dat zand weggraven. Hè? Kom nou, veel heeft die robas niet meer nodig. Vooruit, joh! Hup hup! Hup! Ja ja ja, ja d’r komt al beweging, hij glijdt al naar beneden... Ja ja... Onderuit, joh!

Huub: Ja ja

Jaap: Onderuit!

Huub: Ja!

Jaap: (hoest) Zo. Daar staat ie, overeind. Jazeker. Met z’n poten onder zich gevouwen als een slangennest. Hoe krijgen we dat ding nou weer in beweging?

Huub: Zeg, ik kan gissen hoe zo’n ding zich voortbeweegt. Bovenop zag ik een soort sokkel. Voor een krachtantenne. Denk je niet?

Jaap: Hè? Nee, ik denk aan wat anders. Ik luister namelijk. Daar komt dat rotding weer! Dekken!! (het ratelt weer voorbij) Huub, da’s geen toeval!

Huub: Nee, dat is kennelijk tegen ons gericht. Terwijl ze ons juist dankbaar moesten zijn!

Jaap: Als het tenminste geen verkenner van de vijand is: hij is wit, en dit is hier allemaal zwart. Maar eh… verder, Huub, heb jij goed geredeneerd: al die spullen, hè, die worden voortbewogen door antenne-energie, driefasenstroom per draadloze.

Huub: Ja, maar waar is dan de antenne van deze robas?

Jaap: Ja, waar is de antenne van deze...? O! Nou ja, misschien bij ‘t stoeien weggeraakt. Daar verderop, daar ligt er een ring, zeg, een ring. Ja. Koper. Koperen ring, met een uitsteeksel. Misschien kunnen we daar wat mee versieren.

Huub: Ja, ik let wel op dat wiel.

Jaap: Nou, dat wiel gaat daar, hoor, in z’n eentje.

Huub: O ja.

Jaap: Helemaal in de verte in een stofwolk. (lachje) Nou heb ik zo het idee, hè, dat zolang wij nou maar die dump met rust laten, zij met ons hetzelfde doen.

Huub: Onmogelijk. Hebben we iets aan die torus?

Jaap: Aan die wat?

Huub: Die torus. De wiskundige benaming voor een hoepelvormige buis.

Jaap: Oo! oo!... Nou ja, dat eh… dinges, dat hangt af van het uitsteeksel, hè? Ergens is ie van afgebroken, jouw eh... torus.

Huub: Torus, ja.

Jaap: Ja, nou een mooie hoepel van roodkoperen buis. Ja. Zeg geef ‘ns een voetje, geef ‘ns een voetje, dan klim ik d’r mee op het dak. Hup... Ja ja ja... Zo. Hier is een geïsoleerde invoersokkel.

Huub: Ah.

Jaap: Ja ja. Nou de hoepel. Beetje wrikken, beetje wrikken, dat uitsteeksel dat gaat er niet gemakkelijk in, zeg.

Huub: Nee?

Jaap: Nee! nee... dat is wel wringen en duwen, hoor... Ja... Nou, zo zit ie... wel ongeveer. Zo! Nou... wat zeg ie van ons werk. Huub! Dat snijwiel. Dekken!!

Huub: Ja, waarin? Hier is niks.

Jaap: We zitten aan de verkeerde kant. In de robas, vlug dan verdorie, of we gaan aan plakjes!

Huub: Daar heb je het ding!

Jaap: Ja! Dat losse zand, ik kom er niet door, joh!

Huub: Hier, hier!

Huub: De achterkant van de robas.

Jaap: Ja! D’r omheen! Ja! (het wiel ratelt weer voorbij)

Jaap: Oef! Hè hè! En m’n haar is toch al zo kort geknipt. Dat scheelde geen worstenvelletje.

Huub: Zeg, naar binnen. Voor dat wiel terugkomt.

Jaap: Ja, da’s een goed idee. (ze kruipen erin) Gaat het nou, gaat het nou?

Huub: ‘k Ben helemaal buiten adem, helemaal uit vorm.

Jaap: Ja ja. Zo. Oh... Ja... (zucht)

Huub: Hier kan ons niet veel gebeuren.

Jaap: Nou, ik hoop het.

Huub: Dat ding is van plaatstaal. Wat is dat nou weer??

Jaap: Hij... hij gaat staan! Als een... als een kameel. Hou je vast Huub, hij... hij gaat lopen!

Huub: Ja, en nog vlot ook. Tien kilometer per uur, schat ik. Onze hoogte is zeker wel een anderhalve meter boven de grond.

Jaap: Nou ja, allicht, met die trechters en kuilen moet ie wel lange poten hebben. Alleen... waar brengt ie ons naartoe, hè?

robas: Het antwoord op uw vraag is vanzelfsprekend. Immers volgens mijn ingebouwde algemene directieven worden OG-humanoïden aangetroffen op nevenvelden steeds teruggevoerd naar basis FK 431 Zwart, uiteraard ter correctie.

Jaap: Hoor ‘ns even, hij heeft een ingebouwd positronisch brein met babbels!

Huub: Maar het intelligentiequotiënt van onze robas lijkt me wel aan de lage kant...

robas: Robas is een te algemene en derhalve vage aanduiding. De juiste is hexapode voor transport van munitie. Zo-even ontving ik de opdracht van robocentro u te kwalificeren als gevangenen, volgens het algemene spelreglement paragraaf 547 sub 53bis.

Jaap: Typisch mechanistisch reactiepatroon, hè. Dat ding heeft er helemaal geen idee van dat z’n achterlijf wijd open staat, we kunnen d’r zo uit! Hé, zeg eh... Robot eh...

robas: Robot is een te algemene en derhalve vage aanduiding. De juiste is: hexapode voor transport van munitie’.

Jaap: Ja ja ja ja, dat weten we al, dat weten we al, ja, maar ik wou je vragen: waarom zijn wij gevangenen van jullie oorlog? O ja, vertel ook ‘ns eventjes: wat is dat voor correctie...

robas: OG-humanoïden aangetroffen op nevenvelden worden steeds teruggebracht naar basis FK 431 Zwart, uiteraard ter correctie.

Jaap: Ja, dat... elektronische brein, die kunnen niet eens behoorlijk wachten tot je uitgepraat bent.

Huub: Stil ‘ns, Jaap, hij gaat door.

robas: Het woord oorlog komt in mijn memoriecellen niet voor. Volgens het centrale memoriearchief waaraan ik inmiddels draadloos refereer is het begrip oorlog op Mekanistreia onbekend en derhalve irrelevant.

Huub: Mekanistreia? Dus zo heet deze planeet?

Jaap: En een oorlog is er onbekend! O, wat een leven gaan we hier tegemoet, zeg, Huub, hè? Een heerlijk bestaan van eeuwige vrede. Ja... naar zoiets hebben we al zo lang gesnakt, hè?

Huub: Zeg, stil ‘ns. Wat is dat daar in de lucht? Achter het wolkendek.

[...]

Jaap: O, misschien een... een eh… een koppeltje vredesduiven.

Huub: Nee joh... he, blijf nou hier!

Jaap: Wat nou ? Zo langzaam aan... ze ergens anders, hoor.

Huub: Daar, Jaap! Ze bombarderen onze Alpha! (knal)

Jaap: De microzuilen! Die rotlui!!

Huub: Nou ja... we hadden het schip toch nooit meer de lucht in gekregen, Jaap.

Jaap: Nou ja, goed, maar... om het zo in flinters te zien gaan, na alles wat we d’r in hebben doorgemaakt met z’n allen...

Huub: Laten we liever blij zijn dat we bijtijds die gevaarlijke plek hebben ontlopen.

Jaap: Nou nou, blij dat ik ben! (explosies)

Jaap: Hoor ‘ns even, hoor ‘ns even, ze weten dat we daarin zitten. Ja! Daar komen ze! ‘t Zijn stokvormige zwarte toestellen met korte raketvleugels.

Huub: Ze verdwijnen. ‘t Zijn vast onbemande toestellen. Inderdaad, het betreft hier een zuivere robotoorlog.

Jaap: Nou, volgens onze positronische vrind hier is ’t zelfs helemaal geen oorlog.

Huub: Maar, wat dan wel? En wat bedoelde ie met die correctie?

Jaap: Vraag het hem, hij weet het.

Huub: Ja, daar zit iets in. Ro... ik bedoel eh… hexapode. Wij zijn, beweert u, gevangenen, op grond van uw algemeen reglement.

robas: Algemeen spelreglement Paragraaf 547 sub 53bis correctief.

Huub: Ja, exact. In welk opzicht verdienen wij, gelet op het feit dat u dank zij ons de actieve dienst hebt kunnen hervatten, zogenaamde correctie?

robas: Correctie in vele opzichten. Hernormering in humanoïde termen uitgedrukt. U hebt zich anders dan bij nacht opgehouden aan de oppervlakte, daarenboven in een nevenveld. Vermoedelijk ten gevolge van het ongetemperde licht of door watergebrek zijn uw reflexen ontregeld, dermate dat u mij - een reglementair buitenspel staande hexapode - weder in het veld hebt gebracht.

Jaap: Die robas is geschift!

robas: Robas is een te algemene en derhalve vage aanduiding. De juiste is hexapode voor transport van munitie.

Jaap: Daar heb je ‘m weer met z’n gemeier. Dat ellendige stuk ro...

Huub: Hexapode, Jaap. Als je één woord verkeerd zegt, komt de hele band opnieuw. Hexapode, zegt u ons: op welke wijze worden wij straks gecorrigeerd?”

robas: Op de basis zullen de Jurassen zich om u bekommeren. Voor OG-humanoïden blijkend ontregeld kan meestal met een eenvoudige service worden volstaan. Maakt u het zich gemakkelijk. U zal geen leed geschieden. Ik zal me intussen zoveel mogelijk haasten.

Jaap: Ja, hou maar op, hou maar op, we worden d’r niet veel wijzer van, hoor.

Huub: Alles hangt ervan wat zo’n servicebeurt precies inhoudt.

Jaap: Ja. (lachje) Ja, Joost mag het weten. De echte Joost weet er gelukkig niks van. Ja, hij zou zich om ons zorgen maken, hè. Maar toch, Huub, hebben wij veel op ‘m voor: wij doen het zittend, maar hij moet lopen... Alleen.

 

Joost: Ik kan hier net zo goed stilstaan. Er is niets om naartoe te lopen. Ik kan net zo goed stil staan. Niets om naartoe te lopen, want... sommige mensen lopen in een woestijn tenslotte in een kring, en dan gaan ze hun eigen voetsporen volgen, en begrijpen niet dat er steeds meer voetsporen bijkomen. Een angstige gedachte!...

Wees voorzichtig met gedachten!... Ze kunnen gevaarlijk zijn op Pleierta.

Aan iets anders denken. Wat is er te denken? Waarover? Hier is niets, alleen een stok die ik heb gevonden.

Merkwaardige stok... Hoe is die hier gekomen?

Hoe is hier een stok gekomen? Ja... op deze hele planeet groeit toch geen boom of struik? Hoe kan er dan een stok in het gras liggen? Op aarde, ja, maar niet op Pleierta.

Is het dan wel een stok?

Ja. Wat anders?

Je hebt toch wel ‘ns meer een stok gezien die wat anders werd?

Maar... maar wanneer dan?

Negen jaar was je immers. Je moeder nam je mee naar die tentoonstelling over landen en volken.

Dat... dat was... dat was de Oosterling met...

Met z’n stok, Joost. Hij zat onbeweeglijk als een standbeeld, herinner je je?

Daar... daar hoef ik nu toch niet aan te denken... Nee nee! Laat ik denken aan iets anders, aan iets anders. Ja, laat ik denken aan iets anders, bijvoorbeeld, daar... daar... dat die gele zon ondergaat, dan blijft alleen nog de kleine witte over.

Als hij blijft...

Hè? Ja ja... ja... Hier ben ik van niets zeker.

Zelfs niet van een stok. Die zwijgende Oosterling zat daar, onbeweeglijk, met z’n stok. Je werd nieuwsgierig, je las de waarschuwing niet. Je raakte de stok aan...

En... en hij begon… hij begon te kronkelen als een... als een... Wat… ja, wat heb ik hier eigenlijk voor een ding? Waar leun ik eigenlijk op?

Op een stok...

Nee! Nee nee! Het is een... het is een.. Hij... hij gaat bewegen! Kronkelen!! Hij probeert een lus... een lus om m’n been te slaan. Laat me los!... Los! Los!!

Een slang, met fonkelende oogjes, van koraal.

Laat me los! Laat me los!! Laat me los!!!

Een gifslang.

Nee! Nee! Nee!!

Die bijt! Die bijt!! Die bijt!!!

Nee... nee... nee... nee! Hij... hij... hij heeft me gebeten. Hij heeft me gebeten. Boven... boven m’n knie. Nee... nee nee... Natuurlijk niet, natuurlijk niet... Dat... dat is een hallucinatie. Ik... ik… ik verbeeld het me maar. Die klauw van gisteren natuurlijk ook.

Hallucinatie?? Wat zei die Proctor ook weer?

Hè? Hij zei... hij...

“Tot op heden is nimmer een testgroep in haar geheel - en dit is eis - van deze werelden teruggekeerd. Gevaarlijk is een relatief begrip. Een juiste kwalificatie is: dodelijk.”

Dodelijk? Dodelijk? Ik... ik moet de wond uitzuigen. Los! Los die cover-all, ik... ik-ik-ik kan er nog... nog net... bij. (spuwt uit) Nog ‘ns. (spuwt uit) Ik stink nu als een bunzing. O, had ik maar een bad genomen in... in…

In de beek?

De beek? Nee... nee... nee... Nergens... De dood waart hier rond. De dood... onzichtbaar... Ik kan ‘m bijna... ik kan ‘m bijna voelen... of hij zich hier ergens verbergt... in het gras...

De dood in het gras... Wie weet vind je hem...

Mijn dood... Mijn dood! De mislukking van m’n test. Van de hele test. De ondergang... de ondergang van alle mensen op aarde… Ook... ook voor Huub en Jaap... Ja ja, ook voor Huub en Jaap, en Dirk en Els... Dirk en Els... Huub en Jaap... Dirk en Els... Voor hun zal het ook niet meevallen... O, als ze elkaar toch maar niet te veel in de haren zitten...

 

Dirk: Els... Els!

Els: Mm?

Dirk: Geef op, dat kristal.

Els: Ja, maar ik ben er net mee bezig. D’r is iets met Joost.

Dirk: Wat is met Joost?

Els: Hij heeft een wondje. Maar hij is daar erg van geschrokken. Ik... eh… ik begrijp het niet goed.

Dirk: Jij begrijpt wel meer niet goed.

Els: Hè, waarom doe je nou toch zo...

Dirk: Mm?

Els: Zo... ik vind, we moeten geen ruzie maken. Als je denkt wat hier allemaal van afhangt... Hier... hier is je kristal.

Dirk: Mm...

Els: Hè?

Dirk: Mm?

Els: Wat... wat was er nou met Joost?

Dirk: Hij heeft die wond uitgezogen. Even boven z’n knie. Hij moet gebeten zijn daarstraks. Er zat zeker wat in dat gras.

Els: Wie weet wat er nog meer voor gevaarlijks in zit.

Dirk: Joost staat nou rond te kijken. Hij denkt hetzelfde.

 

Joost: Ja, wie weet wat er nog meer in zit. Daarginds beweegt zich iets... van grijswit en vuilgeel. Nee, nee... dat komt door dat vreemde zonlicht en... en door de wind die het gras beweegt. Maar d’r ligt wel iets. D’r is iets omvergevallen en het ligt stil.

 

Els: Dirk?

Dirk: Ja?

Els: Als je geen zin hebt te vertellen, laat me dat kristal dan mee vasthouden.

Dirk: Nee.

Els: Ja, maar luister nou!

Dirk: Nou... zeur toch niet zo. Nou... vooruit dan maar weer.

 

Joost: Ik kan moeilijk anders doen dan... dan gaan kijken.

 

Els: Waarom... waarom loopt ie zo voorzichtig?

Dirk: Verderop ligt wat in ‘t gras. Grijs... gevlekt... wittig.

Els: Wat... is... dat!?

Dirk: Een dood beest. Een reusachtig kadaver. Op z’n zij uitgestrekt.

Els: Wat afschuwelijk! De ene kant is helemaal... Nee! Hier, Dirk, kijk maar alleen, ik... ik word er akelig van.

Dirk: Van jou word ik akelig: dan weer dan en dan weer niet! (geërgerd) Als Joost het kan aan zien, dan kunnen wij het ook aanzien.

 

Joost: Het... het is alleen maar een hond. Een grote... een heel grote. Al lang dood. Maar z’n kop is... Al die gele tanden zijn te zien. Opgezwollen alsof ie in water had gelegen. Waar... hé... waar heb ik zoiets ‘ns eerder gezien?

Is het misschien Hector, van de buren, Joost, die je kameraadjes op de kant hadden gehaald en waar je met een stokje zachtjes aan hebt geprikt? en bang was dat hij overeind zou komen?

Als je elf bent, hoe kun je zoiets dan laten?

En je hoort nog de stem van je moeder?

Ja... ja: “Wat dood is moet je niet storen.” Ach, ik moet ook verder. Kom… Nu is er een kleine zon, bloedrood. Het gras is haast donkerbruin. Zwart. Het moet hier toch gevaarlijk zijn. Hoe anders komt zo’n groot beest daar te liggen? Als het levend was, zou ik het niet graag storen.

Ook wat dood is kan men storen.

Maar dat heb ik immers niet gedaan!

Misschien deed je het in je gedachten. Als het nu ‘ns oprees uit het gras, langzaam overeind kwam, nietwaar?

Hou op! Het zijn m’n eigen gedachten. Ik moet ze kunnen stoppen. Die zon... ja ja... die zon. Daarvan komt het. Het zijn de kleuren, bloedrood en zwart. Niks dan dat.

Maar er is ook geel en witgrijs...

Dat... dat... dat ding is ver achter me.

Ja, achter je, Joost, maar niet zo ver als je denkt. Het is opgerezen, Joost.

Nee nee nee! Nee, het is verbeelding. Ik… ik verbeeld het me... Hallucinatie. Dat... dat kan niet.

Wakker heb je ’m gemaakt, gestoord, Joost, door gedachte...

Hij... hij komt... hij komt... O... ik moet weg... Ik moet ‘m wegdenken.

Denken? Hoe? Terwijl die nader komt, en nader, en nader, en nader... Je hoort z’n adem, je ruikt z’n adem. Dadelijk valt dat vieze kadaver helemaal over je heen. Red je, red je, Joost!

Denken... denken. Kon ik maar denken. Het helpt niet of ik loop. Het monster. Het monster! Het monster! Maar, gloeiende barrels! Als ik ‘m toch niet ontlopen kan! Ik lijk wel gek! Ik zal…

Met jouw blote handen, tegen die tanden als dolken?!

O ja?! Dat zullen we dan zien!! Hij heeft tanden? Dan heb ik laarzen!!... Laat ‘m maar komen. Laat ‘m maar komen! Bedrog! Dat beest is nooit dood geweest. Dat is mimicry!!

 

Els: Dirk!... Dirk, zeg dan wat! Dirk, wat gebeurt er?

Dirk: Hou je mond. Hij staat klaar om het dier dood te trappen. Hij is woedend, als in paniek. Hier, kijk maar zelf. Hier.

Els: Ja... De ene kant is net alsof het... alsof het dood is, maar de andere kant is... is gewoon!... (schrikt) Waarom staat het beest nou ineens stil? Alsof het z’n spoor kwijt is.

Dirk: Geen wonder, ‘t heeft geen ogen.

Els: Dan moet dat verschrikkelijke beest Joost toch kunnen ruiken?

Dirk: Nee. Nu niet meer. Die dieren daar op Pleierta ruiken anders dan gewone. Ze ruiken… angst. En nu ruikt dat beest… niets. Joost heeft z’n vrees overwonnen.

Els: Hij heeft z’n eerste... overwinning behaald....

 

Joost: Ik heb... ik heb m’n eerste overwinning behaald... M’n eerste overwinning. Hè? Ik... ik sta... Nee... nee, zeg, ik sta op een tapijt. Kijk nou toch... D’r is een loper voor me uitgelegd.

Louise: Joost... Kom hierheen. De heuvel op.

Joost: De heuvel? Wie... wie is dat? Ik... ik ken haar stem.

Louise: Volg de loper, Joost. Volg hem maar, hij rolt vanzelf weer achter je op. Dan moet je wel naar me toe komen.

 

Dirk: Een kinderstem. Een meisje van... van een jaar of elf, twaalf.

Els: Tien, Dirk. Dat is... Louise.

Dirk: Wat weet jij daarvan, van die geschiedenis?

Els: Iets, Dirk, niet veel, niet genoeg.

 

Louise: Maak voort, Joost. Ik heb zo lang op je moeten wachten.

Joost: Louise!... Louise!... Ik... ik kom... Ik... ik kom.

 

Els: Een chalet, op een kleine heuvel, met latwerk en leibomen, zelfs druiven.

Dirk: Illusie... Joost is totaal op... Leeg.

Els: Hij is bijna bij het trapje. Hij zakt in elkaar... languit over het trapje, bewusteloos. Z’n ene arm voor z’n gezicht, z’n andere uitgestrekt naar iets... Alsof d’r iemand was... daar.

Dirk: Hij heeft tenminste even rust. Die fantasieën maken ‘m in de war. Z’n verstand, z’n herinnering toveren ‘t hem allemaal voor.

Els: Maar Dirk, als het dan schijn is, waarom verdwijnt dit dan niet nu? Wat komt daar het terras op, in d’r zomerjurkje, blonde pijpenkrullen? En wat probeert Joost nu overeind te helpen? Is dat een illusie? Dat is... Louise!

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (5/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.

 


 

[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Utrecht op 12/07/1938

[3] nog geen gegevens

[4] nog geen gegevens

[5] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487)

[6] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351)

[7] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[8] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[9] geboren te ’s-Gravenhage op 16/01/1905; overleden op 16/01/1999 (Code TIN: 6684)

[10] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[11] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339)

[12] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990

[13] geboren te Paree (Indonesië) op 07/09/1939