TESTBEMANNING

DEEL 25: HET GRASSCHIP

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 18/03/1962 (herhaling: woensdag 04/10/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids]

- Proctor: Huib Orizand ([2])

- Kliox: Robert Sobels ([3])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([5])

- Huub, navigator: Frans Somers ([6])

- het monster: Han König ([7])

- omstanders: Louis de Bree ([8]) & Alex Faassen jr. ([9])

- Tollogh: Tonny Foletta ([10])

- robotten: Piet Ekel ([11])

technische gegevens: 36’14’’ - 24,8 MB - mp3

 

Kliox: Galaxenter Kliox B-17. Ik groet u voor opname.

Proctor: Eindelijk, Kliox. Eindelijk! Die administratie wordt volslagen onmogelijk. Viermaal heb ik me nu moeten identificeren.

Kliox: Het schijnt onvermijdelijk, Proctor Senior. Een geheim project is in voor overleg tussen de experts van Ligeelis, de Aôti-Zjee-wee en Bendrax. Elke aanvraag over de gesloten kanalen wordt dus extra geverifieerd.

Proctor: Welk project, Kliox? Toch niet het grote project Xelentièm-E 1037? Men is mijn optie toch bepaaldelijk niet vergeten?

Kliox: Nee, die plannen zijn nog in beraad. Thans wordt beslist over de vraag of invoering van de sub-ethercommunicator van uw proefpersoon Dirk zonder te veel schade zou kunnen geschieden.

Proctor: Zonder te veel schade? Een communicator ongevoelig voor magnetische stormen?

Kliox: Helaas, de administratie is gevoelig. De administratie van de Federatie, die invoering van het teleportsysteem destijds heeft voorgestaan, zou het prestigeverlies wellicht niet kunnen verwerken.

Proctor: O, Grote Galaxie! O, als ik eraan denk, wel dan... ja, dan... dan zou ik bijna emotioneel worden.

Kliox: Uw reacties zijn - als ik het bekennen mag - wel enigszins getint, maar uw ingespannen arbeid aan het testproject Terra rechtvaardigt wellicht een toenemend quotiënt.

Proctor: Wellicht, Kliox. Maar ik heb nu deze irritante Dirk, deze onmogelijke B-5, in het Ypsilon-schip bezig gezien terloops het vernietigendste wapen uit te vinden waarvan de Galaxie ooit heeft gehoord, en alles in weerwil van een emotioneel conflict met z’n partner. Of... misschien... tja, mi... misschien juist daardoor... Ik twijfel, Kliox, en ik word op dit punt steeds minder zeker. Maar als ik onze eigen verstarde rituele robotadministratie zo meemaak, ga ik me zelfs afvragen of het zoveel mogelijk uitselecteren van emotie onze humanoïde rassen op den duur wel ten goede is gekomen. Ja, dit is uiteraard confidentieel. Laten we nu tot het rapport overgaan.

Kliox: De vocalisator is ingeschakeld, Proctor Senior.

Proctor: “Staplastreu B/16. Proctor Senior aan Galactische raad. Onderwerp: Testobject Terra. In mijn tussentijds rapport betreffende mijn subgroep Dirk-Els meldde ik reeds hun uitvinding van de desintegrator. Helaas zijn beide personen nu de gevangenen geworden van de Dienaren van de Kapitein, en weggevoerd naar de nulwichtsector van het Ypsilon-scheepje. De proefpersonen Huub en Jaap verkeren nog steeds in een ondergrondse gevangenis op de planeet Mekanistreia. Hun aandacht is via hun plestrumkristal nu geconcentreerd op de enige die schijnbaar nog vrijheid van handelen heeft: Ros, hun captain. Maar deze is in feite de meest onvrije van allen. Het chalet op Pleierta, dat hem wilde confronteren met de waarheid over de dood van z’n jeugdvriendinnetje, is hij dwaselijk ontvlucht. Hij zwerft nu rond door de nacht op de grassige planeet Pleierta, terwijl de wond aan z’n been is ontstoken en hem dreigend het eind van zijn test aankondigt.”

 

Joost: Ah... m’n been... en m’n been, oh... oh, het gloeit.. oooh.

Het is nacht. Nacht op Pleierta, Joost. Er was licht in het chalet, maar je verkoos de duisternis en vluchtte. Veel tijd heb je niet meer, en met vluchten los je niets op.

Er zat... er zat een monster in de kast, een man. Ik heb z’n ademhaling gehoord op de trap. Wie is die man?? Oh… oh, dat been, het gloeit als vuur. Kwam er maar licht. D’r zijn hier wel vijf-zes zonnen. Ik wilde... ik wilde dat er tenminste één, eentje maar boven de horizon uit kwam.

Wat je werkelijk wenst is duisternis, dus geeft Pleierta je duisternis, in je en rond je, en je denkt daarmee je test te

ontgaan.

Mijn test? Waartoe?

Wat zei Louise? “Ieder mens heeft een kast die dicht moet blijven.” Maar in een ruimteschip, tussen de sterren, alleen met een paar mensen, niets te doen, maanden... jaren..., blijft die kast dicht? En wat komt er dan uit?

Een monster... Een monster. En ik moet het onder het oog zien. Maar ik weet het toch al: het was alleen doordat die bal naar buiten rolde dat Louise werd overreden. Ik... ik had hem per ongeluk geschopt. Is dat het?

Dat feit heb je nooit verborgen in je kast.

Toch moet er iets wezen... Er is later nooit een meisje voor me geweest, en ik ben nooit meer naar haar va... haar ouders toe gegaan.

Je moet het uitvinden, Joost. Dat been wordt steeds erger, het gloeit, het steekt, je hebt koorts. Hoe lang zal er nog tijd zijn om het uit te denken? Straks lig je daar in het natte gras van Pleierta, uitgeschakeld, en met jou de anderen, afgetest, en met jullie...

... de aarde, de hele aarde! Ik moet uit dit raadsel komen, voor ik niet meer nadenken kan. Over... over deze kleren... Deze kleren van haar vader.... Ergens moet ik toch iets van hem hebben gewenst.

 

Jaap: Zie je, Huub, ook de vader van dat meisje speelt een rol.

Huub: Ja. Dat moet, zo te horen wel, Jaap. Maar ik zie niet hoe.

Jaap: Nee, Joost evenmin. Maar... maar ergens moet ie het weten. Alleen, hij wil het zich niet bewust worden.

Huub: Er is nog een complicatie: die gestalte die ‘m vanuit dat chalet is gaan volgen.               

Jaap: Stil, stil, stil... Joost gaat nou in het gras zitten. Hij verkoelt z’n gloeiende been met het natte gras en wacht...

 

Joost: Wat... wat komt daar aan? Uit het donker? Die ademhaling, die... Het monster! Het monster uit die kast!

Ja, Joost, het komt je achterna. Achterna! Vlucht, Joost. Vlucht!

Vlucht, ja, vlucht... Ja, ik ben immers al tweemaal gevlucht, alleen voor spooksels. Ik begrijp het wel: ze willen me laten rennen, laten vluchten tot ik hier crepeer! Dat monster is ook een ding van mezelf. Nou, laat ‘m komen…! En daar... daar komt ie. Hij is een mens, een gewone mens, en hij komt alleen maar hier.

 

Jaap: Zie je, Huub, hij is op de goeie weg. Joost heeft z’n angsten overwonnen zoals met dat vroegere monster .

Huub: Ja, maar dat ging toen weg, raakte het spoor kwijt. Maar dit niet. Joost heeft, alleen door z’n vrees te overwinnen, er niet mee afgerekend.

Jaap: Nou staat het in het gras, op een paar meters van ‘m af. Joost is... onzeker... bang en woedend tegelijk.

 

Joost: Wie ben je? Waarom kom je me nagewaggeld? Verdwijn! Wat wil je van me?

het monster: Joost Ros...

Joost: Ik voeg je wie je was.

het monster: Joost Ros...

Joost: Ho ho, ik weet waar je vandaan komt: je bent gekomen uit een kast, een kast die dicht moest blijven, in het huis van Louise. Een monster! Je hebt ermee te maken, met deze zaak, met haar dood? Antwoord me! Ik heb niet veel tijd.

het monster: Joost Ros... Joost Ros...

Joost: Ja!

het monster: Niets...

Joost: Hou op daarmee, met dat spelletje. Waarom herhaal je m’n naam? Dat heeft geen zin. Wat wil je van mij? Wat wil je?

het monster: Joost Ros!

Joost: O, ik... ik... moet hier vandaan voor ik krankzinnig word.

het monster: Joost Ros...

Joost: Niet op ingaan.

het monster: Joost Ros!

Joost: Wat moet je nou van me? Antwoord me dan! Wat ben ik je schuldig?

het monster: (ongearticuleerde klanken)

Joost: Zeg het dan! Zeg het!!

het monster: Joost!!

Joost: Hou op! Hou op! Kun je dan niks anders dan m’n naam zeggen? Ga terug in je kast, monster!! Ga terug!

 

Huub: Van dat wezen, Jaap, begrijp ik niets. Het zou dus iets in hemzelf zijn, dat ie moet identificeren.

Jaap: Ja ja ja, ik... ik denk dat die man ook bij het ongeluk betrokken was, dat speciaal ongeluk. Een slachtoffer of... Hij wankelt als een invalide! Waarom blijft Joost opnieuw staan? Zie je, dat ding komt weer naast ‘m.

Huub: Wat gebeurt er met dat gezicht?

Jaap: In het donker wordt het langzaam lichtgevend, met een rooiere gloed.

Huub: Hé, stil! Joost kijkt ‘m aan.

 

Joost: Jij... jij... hebt geen gezicht! Waarom heb je geen gezicht?  Dus… dan heb ik je nooit gezien, nooit gekend. Maar waarom volg je me dan?

het monster: Joost Ros...

Joost: Ja, nou?

het monster: Joost Ros...

Joost: Begint niet weer.

het monster: Joost Ros!

Joost: Maar, ik... ik kan je nu zien. Je gezicht is vuurrood, en ik ken je niet. Dus zeg nou wat je wil! Wat je wil!

het monster: (ongearticuleerde klanken)

Joost: Nee nee, hou op! Hou daarmee op! Niet alleen je gezicht, alles om mij heen... wordt... vuurrood. Eindelijk, er gaat de zon op. Nee, dat licht in de verte flakkert... als een brand. Het is een brand! Wat staat daar in brand? Daar, voor me uit...?

 

Jaap: Begrijp jij wat dat zijn kan, Huub?

Huub: Geen idee... ‘t Lijkt wel of dat het vuur in beweging is, Jaap. Het wordt groter, het komt dichterbij.

Jaap: Ja, een vuur dat rondzwerft. Ik zou bijna willen zeggen... laveert.

Huub: Daar... daar komt uit de verte... Het is onmogelijk, maar het is een schip, met vol tuig.

Jaap: En fakkels als lichten! Joost is zelfs de pijn in zijn been vergeten.

 

Joost: Een grasschip??...

 

Jaap: Een grasschip... Dat is het woord dat ie d’r voor bedenkt.

 

Joost: Een grasschip met rode fakkels over de zee van de vlakte. Pleierta is één zee van gras. Daar komt het aan... Vlak langs.

stem: Ahoi!!

Joost: Wat is dat? Mensen! Mensen! O, jullie! Wacht! Wacht op me! Help me! Help!! De wind waait grillig, verschillend... Ze zwenken, alsof ze laveren. Het gras golft zelfs... Nu gaat het schip door de wind, zomaar, en het komt terug. Help!! Help!!!

 

Jaap: Huub, dat schip is stuurloos. Het zwalkt maar zowat. D’r is niemand aan het roer.

Huub: Een zeilschip met antigraviteit? Het zweeft even boven het gras.

Jaap: Daarvandaan is het zo snel. Daar komt het weer aan. Midscheeps hangt een touw! Joost stelt zich op!

 

stem: Ahoi!”

 

Jaap: Daar! Joost grijpt! Nee, mis... Ja... Nee... Hij heeft het vast, Huub.

Huub: Ja?

Jaap: Ja

Huub: Werkelijk?

Jaap: Ja, hij klautert nou naar boven… Nou klimt ie over het gangboord, en...

Huub: Hij is boven. Hij zakt neer op het dek, Jaap. Bijna aan de voeten van twee kerels met... met een krat bier tussen zich in. Wat betekent dat allemaal?

Jaap: Stil, joh!

 

Joost: Ik... ik... ik heb het... heb het gehaald. Oooo... ooo, m’n been... m’n been, m’n heup.

omstander 1: Hé, hé, hé makker, wat is dat voor een manier om aan boord te komen?

omstander 2: Je kunt wel ophouden met die zwembewegingen... Je bent op het droge.

Joost: Wie zijn jullie? Waarom hebben jullie jezelf vastgebonden? Waarom maak je die touwen niet los?

omstander 2: We proberen ons leven te beteren.

omstander 1: Precies. Kunnen we ons nergens mee bemoeien. Ja, ze hebben ons dat goed voorgehouden.

Joost: Maar... iemand moet toch aan het roer gaan staan?

omstander 2: Hij snapt er niks van, maat.

omstander 1: Ja, dat is wel meer zo. Het slachtoffer komt bij en vindt zich omringd door onwelkome omstanders.

Joost: Waar hebben jullie het over? Over wie?

omstander 2: Over onszelf, natuurlijk. Wij zijn de omstanders.

Joost: De niksdoeners. Ook hier.

omstander 1: Gedwongen, ja.

Joost: Maar iemand moet dit schip toch besturen?

omstander 1: Ja, buiten ons drieën is d’r niemand. En, mijn maat en ik, zogezegd onbevoegd zijnde, resteer jij. Nou, ga je gang.

Joost: Dus, er is hier niemand. En ik... ik... kan haast... haast niet meer staan.

omstander 2: Je zult toch wel moeten, broer, als je nog bij een EHBO-post wil komen voor de morgen.   

Joost: (bedient het stuur) Zo. De koers is nu tenminste recht. Maar... maar waar naartoe? Waar naartoe? Ik... ik... ik weet het niet. Ik weet het niet. En terwijl jullie op je luie achterste hier bier zitten te drinken! Ja, als jullie zoveel bier hebben, geef mij dan ook wat. Ik... ik verga van de koorts, en van de dorst.

omstander 2: Hij is al flink ziek.

omstander 1: Bier? Nee... nee nee nee nee nee, ‘t zal niet gaan, broer. Ten eerste ben je achter het stuur, en dan... en dan mag je geen drank. Ten tweede is het ons, als omstanders, verboden ons met iets te bemoeien. En ten derde moeten wij de tijd ergens mee om dooien niet. Nee, dat bier, dat blijft bij ons. Ik vat er nog een. (ontkurkt)

omstander 2: Ah... wat een schuim heb jij! Ik pik er ook een.  Aaaah... Mm. Overigens zal het toch gauw moeten gaan gebeuren, maat.

omstander 1: Ja, hij is ziek, die snoeshaan. ‘t Zal heel gauw moeten gebeuren.

Joost: Wat gaat er dan gebeuren?

omstander 1: Wat vraagt ie?

omstander 2: Hoe weten wij dat ooit?

Joost: Maar waarom zitten jullie dan daar?

omstander 1: Om te wachten op wat er gebeuren gaat.

Joost: Maar op wat dan?

omstander 2: Hoe weten wij dat nou? Anders zaten we hier toch niet?

omstander 1: Nee, maat, zo komen we d’r niet uit. Luister ‘ns, broer, omstanders zoals wij zijn zoiets als toeschouwers, hè, op de bonnefooi van de... bij een eh... hoe heet het... bij een variété. Wij weten wel dat er wat komt, maar we kennen het programma niet, hè? Hij snapt het nog niet, hoor.

Joost: Jullie praten... alleen... wartaal. Toeschouwers, omstanders... ach!

omstander 2: Hij begrijpt je niet, omdat je ’t algemeen formuleert. Laat mij maar ‘ns.... Hé, eh... luister. Waarop zit je te wachten in een circus als die trapezewerkers aan de gang gaan?

Joost: Wat kan het me schelen? Op hun... programma natuurlijk.

omstander 2: Ja, ja, dat denk je. In werkelijkheid wacht je op iets dat helemaal niet in het programma staat. Namelijk, dat ze naar beneden zwiepen.

Joost: Dat is nonsens, misdadig op zoiets te gaan zitten wachten.

omstander 2: Mm, ‘t kan zijn, maar de mensen wachten met spanning, broertje. Waar zou die spanning blijven als die trapeze nu ‘ns vlak bij de grond hing in plaats van hoog in de lucht? (lachje) Nou staat ie met z’n mond vol tanden.

omstander 1: Ja, dat voorbeeld maakt altijd alles duidelijk, hè? (lachje)

Joost: Het maakt... het maakt niks duidelijk. Niks, niks! M’n kop suist, helemaal. Waarop wachten jullie?

omstander 2: Ja, ‘t is een taaie, hoor... Op wat niet in het programma staat!

omstander 1: Ja, zoiets. En hij mot er gauw mee beginnen, want dat been van ‘m, da’s ook niet zo best, hoor.

omstander 2: Nee, dat been is niet zo best. ‘t Zal erom spannen.

Joost: Het zal erom span...? Het zal erom spannen, hè? Ik geloof dat ik ga begrijpen waarop jullie zo gretig zitten te wachten, jullie “omstanders”... Jullie… jullie hopen op een… ongeluk!

omstander 1: Hè hè, ja... in algemene zin, ja.

Joost: Maar wat moeten jullie daar dan bij?

omstander 1: Ja, wij hebben een wat eigenaardige functie. Ja, “om… omstreden” is het woord.

Joost: O, die... die raadsels...

omstander 2: Geef ‘m dan een voorbeeld, maat. Een bekend!

omstander 1: Nou, ik zit al te denken. Ja, ja, die… die... die laatste keer, toen we daar wachtten op die transporteur die de hoek moest om komen...

Joost: Ach, wat heeft dat voor zin!

omstander 1: En... en wij die… die rooie bal zagen rollen uit een huis, met een kind d’r achter aan lopend.

Joost: Waar... waar hebben jullie het over?

omstander 2: Over onze functie. Luister naar ‘m.

omstander 1: En... en toen ze daar lag, op straat, net misschien had ze nog gered kunnen worden als wij haar niet hadden verschoven. Maar ze lag eh… ja, zo gebroken, zo ver...

Joost: Hou op!

omstander 1: …zo verkreukeld, hè...

Joost: Zwijg! Hou je mond, of…

omstander 1: Wij… wij wilden haar alleen maar helpen. Altijd zijn er een paar omstanders. Ze voelen schuld dat ze ernaar willen kijken en dus willen ze dan helpen. Ze kunnen het niet altijd laten, hè? Dus hebben wij haar verschoven.

Joost: Dus... jullie… jullie zijn aansprakelijk. Schuldig!

omstander 2: Mogelijk... Maar je weet het niet. Je weet het niet zeker, Joost Ros. Wij zijn een mogelijkheid, een onderstelling uit jouw geest. Wacht maar af, of het zo ver komt dat we... jou verschuiven.

 

Jaap: Zie je, Huub, wat er in Joost omgaat? Waar ie omheen draait?

Huub: Hij hoopt dat ten slotte de omstanders de dood van het kind hebben veroorzaakt? En dus niet hij? Zoiets?

Jaap: Ja. Ja, als je nou rekent dat alles wat ‘m daar wordt gezegd ten slotte voortkomt uit zijn eigen geest, dan beseft ie... ergens... onbewust dat ie op weg is naar een crisis.

Huub: Naar een nieuw ongeluk?

Jaap: Het zal er om houden of ie dat punt nog bereikt. Die toortsen geven onzeker licht. Maar… zo te zien heeft ie hoge koorts. Hij kan niet meer staan. Hij hangt over het stuurrad, doodziek, dorstig... Wat moet er van ‘m worden?

Huub: Dorst, nou daar kan ik ten volle in komen. Geen water. Geen water, wij net zo min. Behalve die kapotte kruik daar.

Jaap: Ja ja, als ik ‘m niet had stukgetrapt, dan had jij d’r nog van gedronken ook.

Huub: Geen wonder! Maar ze laten ons hier omkomen van de dorst tot we hun bittere water drinken. Daarop zitten die ondergronders te wachten.

Jaap: Tot we vanzelf tam worden. En al die nonsens over ontregeling en “spelregels vanzelf aannemen”, nou, eh… (lachje) dan kunnen ze zich blaren op hun voetzolen wachten. (deur wordt ontgrendeld) Maar ja...

Huub: Hé, wat komt daar? (deur open)

Huub: De deur gaat open.

Tollogh: Nee nee nee…

bewaker: Zo. D’r in met die vent! Reglement overschreden. Dat noemt ie “niks”.

Tollogh: Ja, maar ik heb niks gedaan! Ik zeg jullie dat ’k het niet helpen kon. Het was dag eer... eer ik het bemerkte. (deur dicht) En nou hier, en ik heb nog niet gedronken. Ik moet water hebben! Hé, wat… wat... eh... wie zijn d’r hier?

Jaap: Alleen wij maar. Kom d’r bij, kun je ook uitdrogen.

Tollogh: Wie zijn jullie? Uit welke sector?

Jaap: Uit een sector die wij noemen: “aarde”. Beetje verdwaald.

Tollogh: Vreemdelingen van de sector aarde? Die ken ik niet.

Huub: Beste vriend, vertel zelf ‘ns hoe je zo bij ons terechtgekomen bent.

Jaap: Alleen moet je wel voor ons oppassen: wij zijn heel erg ontregeld.

Tollogh: Ha, dus jullie hebben ook de regels overtreden van ‘t spel. Dat word je hier in Centoosi zwaar aangerekend. Vooral door onze eigen mensen.

Huub: Dat laatste is onlogisch. Welk belang hebben uw stadgenoten erbij onder de grond te wonen?

Tollogh: Ja, daar heb ik eigenlijk nooit zo over nagedacht. ’s Nachts zijn we boven de grond, in de stad. We doen onze zaken, en planten onze tuinen en alles. Maar overdag moeten we onder de grond, om te slapen. Ja, eh… waarom? Ik kan me niet goed de reden herinneren. Ik eh… voel me zo dorstig, en… en zo vreemd.

Jaap: Ja? Een beetje dorst doet hier wonderen. Daar kan mijn vriend Huub van meepraten.

Huub: Dus, Jaap, alweer een stuk in de puzzel!

Jaap: Mm?

Huub: Die mechanische robotoorlog, die men een schaakspel noemt, wordt overdag gehouden. En ‘s nachts...

Jaap: Mooie beweging! Mm? ‘s Avonds worden de paffers neergelegd en mogen de stedelingen uit de riolen komen om een luchtje te scheppen. Zit het dus zo, mm? Hoe eh... hoe heet jij eigenlijk?

Tollogh: Tollogh Manesioljowee Betralatex.

Jaap: Ja stop, stop, stop, stop! (kucht) Laten we ‘t liever bij Tollogh houden, mm? Da’s eenvoudiger.

Huub: Ah, dus u, Tollogh, bent nu ook ontregeld. Hè?

Tollogh: Maar, bij vergissing, alleen per abuis. Ik werd opgehouden vannacht. Ik was dat ouwe huis op waak voorbijgekomen. Het scheen namelijk nergens toe te dienen. En toch had het een ring.

Huub: Ah, zo’n torus, die immuniteit verschaft tegen geschut en overige vijandelijkheden?

Tollogh: Een normaal oud woonhuis leek het, maar het zat vol apparatuur waarvan ik niks begreep. En toen ik ten slotte buiten kwam, was het dag. Dag! En ik had dus al lang onder de grond moeten zijn.

Huub: En hoe bleef u uit de handen van onze robotische vrienden daarboven?

Tollogh: Ja, ik... Nou ja, ‘t gebeurde natuurlijk in een opwelling. Ik had ook tijdig moeten drinken. Ja. Dan was ‘t me niet overkomen. Maar ik ontvluchtte en... Verschrikkelijk, nu ik erover nadenk.

Jaap: Vind je, Tollogh? Maar… vroeger, veel vroeger, leefden jullie hier toch ook anders?

Tollogh: Ja, maar we waren toen allen ontregeld en dus merkten we dat niet. Trouwens, toen was er nog niet het spel. De spelers waren nog niet gekomen.

Jaap: O, ja. En… eh… en de robotten?

Tollogh: Die wel, ja, ze verzorgden ons helemaal, en dat was glad verkeerd. De drie spelers hebben ons dit duidelijk gemaakt: “Aan wie je verzorgt, maak je je ondergeschikt.” Zo hadden we ons ondergeschikt gemaakt aan de robotten. Er kwam toen het spel, en de spelregels moesten voorgaan. Dat sprak alles als vanzelf.

Jaap: Maar nu twijfel je d’r een beetje aan?

Tollogh: Ja, ik, ik kan niet helder denken zolang ik niet eerst gedronken heb.

Jaap: Beschouw het als een ontwenningskuur, Tolloghje.

Tollogh: En bovendien zijn we hier ook veiliger dan boven met die oo... met dat spel. De nabije velden zijn nu door wit bezet. We kunnen elk ogenblik een aanval op onze zwarte koningsstelling verwachten.

Jaap: Die oorlog moeten wij dus stoppen.

Tollogh: U wilt ‘m stopzetten? Die oorlog?

Huub: Zo te horen is deze Tollogh op de goede weg: hij noemt het al oorlog.

Tollogh: Zoudt u menen dat een oorlog van robotten...

Jaap: ...kan worden gestopt? Ja, makkelijker dan een oorlog van mensen. Die kun je niet zomaar afzetten, geloof me.

Huub: We moeten hun centrale vinden.

Tollogh: Robocenter? Ja, maar dat kunt u nooit alleen.

Jaap: Daarom moeten we ook eerst de waterleiding zuiveren.

Tollogh: Waarom dat?

Jaap: Omdat dat water vergiftigd is, vriendje. Omdat de robotten daar wat in doen. Bewijs: nou jij dorst hebt, en hun vergif is uitgewerkt, begin jij te zien dat er ergens wat scheef zit met dat mooie schaakspel. (explosie) Hé, wat is daar?

Tollogh: Ja, maar hoe moet dat dan met de spelregels? O… o, daar? Dat gerommel? Bombardement.

Jaap: Toch tijd dat jullie er wat gaan aan doen, hè? Als die witte legers nou jullie stad hebben gebombardeerd, bijvoorbeeld jouw huis en je tuintje, wat heb je dan verdiend? Mm? Een schaakstuk met een rood lintje? Lieve man, word toch wijs!

Tollogh: Ah, ik heb ook zo’n dorst. Dan word ik opstandig.

Jaap: Net wat we nodig hebben.

Huub: Bombardement? Of zijn opstandigheid?

Jaap: Ja, misschien wel allebei, maar een bombardement dat... Ho ho, ho ho, ho ho!!

Tollogh: O, alles komt omlaag! (instorting)

Huub: Het ziet er maar donker uit.

Jaap: Donker? Jij moet getikt zijn, maatje... Voor ons zien we licht! Voor ons uit, kijk ‘ns even, schuin boven ons, een gat, de buitenlucht... Kom mee, d’r uit!

Tollogh: U wilt ontsnappen?

Jaap: Willen? Nee, doen! Hup, Tollogh. Daar ga je! Duw ‘m op, Huub, door het gat.

Tollogh: Ja, maar heren, heren! En… en… en het bombardement?

Jaap: Ja ja, geen fievelevaassies. D’r uit! Ja, hup, mooi... en een voetje graag, Huub.

Huub: Ja ja, kan je daar niet eens bij? Nou, vooruit, stap op. Heb je de rand? Jaap?

Jaap: Ja. Ja, die vent Tollogh zit warempel te simmen. Hé, jij!

Tollogh: Ja ja, wat moet ik doen? Wat... wat?

Jaap: Wat je moet doen? Je mot waffeltje houden en luisteren. Ja, niet naar die bommen. En nou, Tollogh, de waterleiding: weet je die?

Tollogh: Wa-wa-wa-waterleiding?

Jaap: Waterleiding ja.

Tollogh: Die is... die is daar vlakbij, vierkant met een...

Jaap: …met een ring!

Huub: Ja. natuurlijk, zoiets is geïmmuniseerd! De huizen zijn niet belangrijk, maar het water moet worden beschermd.

Jaap: Sta niet te oreren! Kom op! Dekken! Gooi die vent op z’n buik! (explosies)

Huub: Ja, akkoord! Witte vliegtuigen, stokvormig..., raketvleugels.

Jaap: Voorwaarts! Rennen!! (ze lopen naar de leiding) Stop! Stop, daar komt een robot van de ordedienst.

Tollogh: Oh, dat helpt niet. We worden weer gevangen. En dan…! En dan...!

robot: OG-humanoïden. U maakt zich schuldig aan overtreding. U schendt het reglement paragraaf 47 sub 1 en 2: zich bevinden in de open lucht bij daglicht.

Huub: Dekken!

robot: Terwijl alle OG-humanoïden be...

Jaap: Oooo, dat was....

Huub: Ik heb m’n mond vol steengruis.

robot: …dat zij niet mogen treden in... treden in... treden in...

Jaap: Hemel, wat... wat praat onze ijzeren vriend raar?

Huub: Daar ligt ie op de grond!

Jaap: O, wacht, effen afzetten… Zo! Zo, en nou d’r tussenuit voor het rouwbeklag... Die kant uit jongens, kom, kom.

Tollogh: Ja, maar hoe... hoe moet ik nu...

Jaap: Huub, je weet nog wel het recept, hè?

Huub: O ja ja, het helpt probaat.

Tollogh: Ja, maar wat gaat u nu doen?

Huub: Een exacte schop…

Tollogh: Au! Au!

Jaap: …op je zitvlak...

Tollogh: Ja, maar eh...

Jaap: Ja, dat is niks, dat is niks. Dat betekent dat je onze gevangene bent, regel x + y2. Kom mee! Kom mee!

Tollogh: Die... die regel, is… is die van het reglement?

Jaap: Ja, gegarandeerd: noodclausule. (ze hollen)

Huub: We zijn er. Er staat een ring op de gebouwen. Ze zijn immuun.

Jaap: Goed zo. Houd tenminste dat mechanische geteister wat uit onze buurt.

Huub: Hoe komen we nou in die waterleidingcomplexen?

Jaap: Hé, Tollogh, hé, wordt ‘ns wakker.

Tollogh: Ja... ik... ik hoor u. Ik denk na, ik probeer het tenminste. Dit is een poort, waardoor vermoedelijk... (piepen van scharnieren)

Huub: Hij gaat langzaam open!

Jaap: Jongens, uitkijken geblazen.

Tollogh: Inderdaad, heren, daar komen laadhexapoden.

Jaap: Een groepje platte lorries op poten. Wat jammer. Nou dacht ik toch werkelijk dat het welkom voor ons was bedoeld.

Huub: We gaan er gewoon achteraan.

Jaap: Jazeker, ja ja. En daar de controle met drie bewakers. Die smijt ons d’r weer uit, op z’n best: wij zijn geen lorries met zes poten!

Huub: Ja, wat nu? Ze komen al voorbij.

Tollogh: Als ik het zeggen mag, heren, met z’n drieën hebben we onmiskenbaar genoeg poten.

Jaap: Die Tollogh! Is ie goed ontregeld!! Jongens, achter mekaar, allemaal bukken.

Huub: Maar wat wil je nou Jaap? Dat helpt nooit.

Jaap: Vraag dan niet, doe wat ik zeg. Jij ook, Tollogh, jij ook. Kom kom, zo...  O! “Bok, bok, hoeveel horens heb ik op m’n kop,” hè? Ouwe spelletje, weet je wel? Achter mekaar, handen in mekaars lenden en bukken... Goed zo, goed zo, goed zo. Hier komt nog een lorrie op zes pootjes.

Huub: Hé Jaap, je schopt me!

Jaap: Hè? Dat doet hij... In de pas, jongens, in de pas! Eén twee, één twee, één twee, mooi zo, mooi zo, mooi zo. Nou aansluiten bij de colonne.

Huub: Nou, als dat maar lukt. Zo te zien controleert de selector verderop heel precies.

Jaap: Kom, mechanisme, in de pas. Daar komt de selector. Kijkt of de lorries geladen zijn.

Tollogh: Heren, ik voel iets op m’n rug.

Jaap: Ja, hij voelt je kleren. Stil! Hij denkt na of we hoog genoeg geladen zijn.

Huub: Zet een wat hogere rug op.

Jaap: Ja ja. Hij voelt onze drie bulten. Ja, wel een beetje laag, maar goed, je kunt niet het uiterste van een lorrie verlangen, nietwaar. Trouwens, zo’n staat van dienst, hè! Zie je? De draaiarm laat ons door... (lachje) Hij klikt: we zijn geteld. Eén lorrie. Nou, kom maar weer overeind, jullie. Oeioeioeioeioei... en een dorst dat ik heb met al dat water in de buurt.

Huub: Plus je eigen spraakwater dan nog.

Jaap: O!

Huub: Maar nou...

Tollogh: U bent in elk geval binnen, heren.

Huub: Rustig dit gangetje volgen, lijkt mij. Het is een hellende transporttunnel.

Jaap: Ja, we gaan fijn de lorries achterna.

Tollogh: Heren Huub en Jaap, deze lorries, zoals u ze noemt, zijn geladen met iets wits. Wat zou dit zijn?

Huub: Ik denk, goede vriend, eh... Tollogh, dat dit het chemische preparaat is waarmee men u en uw soortgenoten efficiënt geregeld houdt.

Tollogh: Als dit zo is, dan zit het dus niet van nature in het water, en dan is onze natuurlijke staat...

Jaap: Jij wordt steeds meer menselijk, Tollogh.

Tollogh: Ja, men ziet onder invloed van het een of ander gemakkelijk eh... eenvoudige waarheden over het hoofd.

Jaap: Wij ook, beste Tollogh. Bijvoorbeeld, dat jullie op Mekanistreia zo voortreffelijk ons Nederlands spreken.

Tollogh: Ja, waar zouden we al uw Nederlands zo plots vandaan moeten halen, heer Jaap?

Huub: Inderdaad wijzen de wetten van waarschijnlijkheid erop dat misschien juist wij het zijn...

Jaap: Ah, ja! Wij zijn natuurlijk aangepast, ja, aan hun taal, voor onze test. Ja. Wie weet wat voor Bargoens we in werkelijkheid hier staan uit te slaan!

Huub: Je bedoelt: omdat we niet beter weten, klinkt alles wat we hier spreken ons als Nederlands in de oren? Logisch!

Tollogh: Intussen, heren Huub en Jaap, komen wij op onze bestemming. Luistert u maar.

Huub: Voorzichtig de hoek om, en...

Jaap: Een hal, daar staan onze drie Toeteltjes.

Tollogh: Toeteltjes?

Jaap: O sorry, ik bedoelde de lorries, Tollogh.

Huub: Ze staan achter mekaar en de voorste wordt uitgeschept. Door wat?

Jaap: Ja, door een robot, hè, dat wil zeggen, z’n bovenhelft. ‘t Lijkt wel een miniatuur bovenkruier.

Huub: Een boven...

Jaap: Ja, een ouwerwetse molen met een draaibare kap. Alleen, hier zitten geen wieken aan, maar eh… een paar kronkelarmen. Mooi opgepoetst. Alleen onder het witte stof. Kijk ‘m nou braaf staan scheppen. (lachje) Zeg, kom ‘ns effe mee... Kom ‘ns mee... (ze gaan verder)

Huub: Zeg, het is duidelijk dat dat ding niet kan horen en zien. ‘t Is praktisch een automaat!

Jaap: Nou, die zullen we dan even buiten werking stellen.

Tollogh: Water!

Jaap: Kijk. Ja. Dat is het hoofdcircuit. De hoofwaterleiding natuurlijk.

Tollogh: Water! Water!! Ooh...

Huub: Ik kan het haast ruiken, dat water. Zouden we niet eerst… O, m’n tong kleeft aan m’n gehemelte.

Jaap: Ben je nou gek, zeg? Die robot staat scheppies daarin te morsen, zie je dat dan niet, vol heerlijke poeder, geconcentreerd. Wou je soms in een hexapode veranderen? Waarmee zullen we nou dat metalen geval nou ‘ns even...

Huub: Stukslaan? Waarom van dat stoere, Jaap?

Jaap: Waarom niet?

Huub: Omdat het logisch verstand ons zegt dat die machine een storingsmelder heeft. Wanneer ze ’m simpel komen herstellen, is er niks gewonnen.

Jaap: Ja, da’s waar, dan krijgen we en passant nog de hele metaalbond op visite. Je hebt gelijk, ja.

Tollogh: Ja, ik begrijp wel, heren, dat ik van dat water zo niet kan drinken, met dat onnatuurlijke poeder d’r in, maar doet u toch snel wat! Inmiddels gaan m’n nietsvermoedende medeburgers door zich ermee te laven.

Jaap: Ik voel met je mee, Tollogh, maar hoe dan als ik ‘m niet stuksla?

Huub: Hoe dan? Tenslotte ben jij de cyberneticus.

Jaap: Ja, ja, ja. We moeten dus een eh... een eenvoudige truc vinden, of liever... ja... ik moet ‘m vinden.

Huub: Ja, ‘tuurlijk.

Jaap: Effe kijken... Even zien...Telkens tilt ie z’n armpies op, en dan schept ie met z’n jatjes een kleine portie. Ja. Da’s duidelijk. En hoe, vraag ik me af, weet ie nou dat de lorrie leeg is?

Huub: Ja?

Jaap: Hoe? Nou, zou ik zo zeggen: een telwerk. Ja, een telwerk... 1000? 2000 kleine scheppies. Je hoort ‘m tikken, hè, zoals vroeger eh… de benzineautomaten bij ons.

Huub: Ja ja.

Jaap: Als we nou ‘ns... Ja... Ja ja ja, Japie begint het te zien. (lachje)

Huub: Wat ga je doen met z’n schepper? Afkoppelen?

Jaap: Afkoppelen? Nee nee nee, deze chemische arbeider mag niet onthand zijn. Nee, ik dacht eigenlijk meer aan de vermindering van de efficiency, namelijk tot nul.

Huub: Maar hoe wil je dat bereiken?

Jaap: Een automaat is zelfregelend, nietwaar? Cybernetisch. Maar, het denkt niet. Deze machine hier, die schept niks op of uit. Nee, hij maakt alleen voorgeschreven bewegingen. Na duizend van die bewegingen weet die lorrie automatisch dat ie weer leeg is, maakt ie een andere beweging, namelijk, wegstappen naar de ladingsplaats.

Huub: Waar ie weer vol geschept wordt met dit witte goedje.

Jaap: Nee, nee, niet vol geschept maar ingeschept, of ie leeg is of niet. Nee, zo moet je dat bekijken.

Huub: Ja, ik bekijk het wel, maar ik zie nog geen resultaat.

Jaap: Nou, luister ‘ns even: zolang ik dus die beweging zelf maar niet verander, nietwaar, meent die automaat dat alles in orde is.

Huub: Logisch, ja.

Jaap: Nietwaar? Dat volg je, nietwaar?

Huub: Goed, ja.

Jaap: Zo, nou moet ik n’s effe kijken. Nou eh... draai ik... wacht effe, ouwe jongen, mooi, mooi... (lachje) nou draai ik z’n scheppie simpel om... Effe stil. En de tweede dito… (lacht) Kijk ‘ns wat ie doet! (lachje) Hè?

Huub: Wat dan?

Jaap: Zie je ’t niet? Nou doet ie hetzelfde als iemand die met z’n lepel omgekeerd soep probeert te eten.

Huub: O!

Jaap: Hij schept braaf door, alleen, d’r blijft niks op z’n scheppie liggen. Ja goed, maar dat mag niet hinderen. Kijk, hier, de lorrie blijft vol.

Huub: Ja, ja, das wel een methode, maar eh… als straks die lorrie…

Jaap: ...weg stapt, omdat ie denkt dat ie leeg is?

Huub: Ja?

Jaap: Ja, ik zei het toch al: dan wordt ie weer ijverig ingeschept, of ie vol is of niet.

Huub: Totdat alle lorries blijven steken in de hoop die ernaast ligt!

Jaap: Nou, goed, dat is dan voor later zorg! Kom, brave ijzeren vriend, laat ons even langs, want we sterven van de dorst.

Tollogh: (drinkt) Aah... aah... mm, aah... dit... dit water is zoet. (zucht) Ik herinner het me uit mijn prille jeugd. Ik geloof dat u waarheid hebt gesproken: ik ben niet ontregeld, maar zij, zij allemaal!

Huub: Maar dat zal nu automatisch gaan veranderen.

Jaap: Maar graag een beetje gauw, want we hebben hun hulp nodig, Tollogh.

Tollogh: U wilt dus werkelijk deze hele robotoorlog stilleggen?  In de Citadel?

Jaap: Maar jij en je stadgenoten zullen ons een handje moeten helpen.

Huub: Wat u betreft, Tollogh, nu uw gezond inzicht heeft overwonnen, kunnen we u wel als gevangene ontslaan, meen ik.

Tollogh: U bedoelt... ‘t is niet meer nodig?

Huub: Nee.

Tollogh: U ontslaat mij dus als gevangene?

Jaap: Ho ho ho ho! Alleen op parool!

Huub: Op parool?

Jaap: Op parool, vriendje, en dat betekent dat je volkomen vrij bent om dat te doen wat jou wordt opgedragen door anderen. In dit geval door ons!

Tollogh: Ah!

Jaap: Verstaan?

Tollogh: U bent wel bijzonder vriendelijk!

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (5/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.

 

 


 

[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487)

[3] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351)

[4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[5] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[6] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[7] geboren te Amsterdam op 14/12/1911; overleden te Amsterdam op 29/06/1969 (Code TIN: 6952)

[8] geboren te Amsterdam op 27/04/1884; overleden te Amersfoort op 04/05/1971 (Code TIN: 3871)

[9] geboren te Amsterdam op 06/05/1928; overleden op 20/10/1989 (Code TIN: 560)

[10] geboren te Haarlem op 26/09/1904; overleden te Amsterdam op 02/07/1980 (Code TIN: 599)

[11] geboren te Soest op 21/09/1921 (Code TIN: 523)