|
TESTBEMANNING DEEL 28: MET GEWELD EN LIST Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 08/04/1962 (herhaling: woensdag 25/10/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - Proctor: Huib Orizand ([2]) - Kliox: Robert Sobels ([3]) - Els: Nora Boerman ([4]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5]) - de Kapitein: Johan Schmitz ([6]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([7]) - Huub, navigator: Frans Somers ([8]) - speler 1: Constant van Kerckhoven ([9]) - speler 2: Rien van Noppen ([10]) - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([11]) technische gegevens: 36’09’’ - 24,8 MB - mp3
Kliox: Veldregistrateur Kliox B-17. Ik groet u voor opname. Proctor: Eindelijk, Kliox! Gegroet voor rapport. Ja, en dit na zesmaal identificeren! Kliox: Gelukkig heb ik opwekkender nieuws, eerbiedwaardige leermeester: uw optie voor het grote project Xelentièm is erkend. Proctor: Erkend! Mm, tja… Maar, wanneer moet het project worden aangevangen? Kliox: Ja... in feite zou u zich terstond dienen vrij te maken. Proctor: Vrijmaken? Van het Terra-project?! Kliox: Uw oude assistent, Proctor Junior Pereetal, zou het misschien voor u kunnen afhandelen? Proctor: Pereetal is niet ingewerkt, en de test is in z’n climax. Hm, dat nieuwe project, dat moet toch even kunnen worden uitgesteld? Kliox: Ik heb hierover al contact met Yren-Gli-Kaâ, uw co-Proctor. Het wordt reeds gepoogd. Proctor: Ik wist dat ik op u kon rekenen, Kliox. Iets anders kunt ge ook voor me doen: gebruikmakend van mijn optie Xelentièm wenste ik dit communicatiekanaal open te houden. Kliox: Dit zal ik gaarne voor u regelen. Is er wellicht bijzonder nieuws over het project Terra? Proctor: Inderdaad, Kliox. Mijn test voor Joost Ros was - zoals je weet - erop berekend het B-getal te bepalen waarbij de Terraan volslagen ineenstort. Ros was dus, zonder dit te weten, bij voorbaat kansloos. Zonder rust, achtervolgd door angsten, verward in een schizofreen milieu en levensgevaarlijk ziek, heeft ie op het uiterste ogenblik op verrassende wijze zijn schuldprobleem doorzien, daardoor zich van z’n hallucinaties bevrijd en zelfs heeft hij nog - ergens - de kracht kunnen vinden het analoge Q-schip, door mij gestationeerd op Pleierta, te beklimmen. Kliox: Dus als eerste, Proctor Senior, van alle subgroepen? Proctor: Inderdaad! Een verrassende prestatie. Het bevestigde mijn vermoeden dat deze Terranen juist in crisis hun optimale prestatie bereiken. Kliox: Dan is ook een hogere classificatie dan B/5 geïndiceerd. Proctor: O, stellig, ik belastte hem tot aan B/9, doch hij bereikte een top, Kliox, van B/10! Jammer dat deze Ros, althans naar Terraanse maatstaven, ten dode is gedoemd. Z’n been begint af te sterven en het gif circuleert door het hele lichaam. Overigens, Kliox, houdt deze melding uit het rapport. Kliox: Met welk doel, eerbiedwaardige leermeester? Proctor: Ik zou mij in... deze prognose kunnen vergissen, misschien. Laten wij tot het rapport overgaan. Staat de vocalisator ingeschakeld? Kliox: Inderdaad. Proctor: Goed. “Staplastreu B/16. Proctor Senior aan Galactische Raad. Onderwerp Project Terra. De proefpersoon Joost op Pleierta heeft, onder omstandigheden die straks nader worden geanalyseerd, onvoorzien het einddoel van zijn testopgaaf bereikt. Hij ligt thans in de controlekamer van het op Pleierta gestationeerde Q-schip. De andere groepen worden door zijn voorbeeld tot het uiterste aangespoord om hun test zo snel mogelijk te beëindigen.”
Els: We moeten zo gauw mogelijk onze test afmaken, Dirk, en eh... Huub en Jaap ook. Dirk: Ja. Els: Misschien is het voor Joost nog niet te laat. Jaap weet iets van die geneeskundige dingen af. Dirk: Ja, we moeten opschieten, maar… voorzichtig, voorzichtig. Joost is geslaagd, maar wij nog niet. Eén fout van ons en alles is verloren. Het gaat om drie miljard mensen. Ik wou maar dat we uit dit verwenste konvooi waren!! Els: We komen vast uit bij die Kapitein. Dirk: Hè? Els: Wat zal d’r daar met ons gaan gebeuren? Die man die moet krankzinnig zijn. Denk maar ‘ns aan... aan dat gelach dat we hebben gehoord in de tunnel. Dat moet hij zijn geweest... Wie... wie anders? Dirk: Ha, met dit wapen zal ik ‘m het lachen wel afleren. Els: Nou, ik hoop het. Als die ene man een... een heel schip in bedwang kan houden, nou... Dirk: Da’s wel gemakkelijk, met die mechanische ratten. Els: Ja, en met wat nog meer? Het hele schip is automatisch. En alles komt uit bij die Kapitein. Dirk: Ja. Els: O, zeg, het konvooi gaat langzamer. Dirk: Ja, dat heb ik al gemerkt. We stoppen. Els: Nee... we komen weer in beweging. Dirk: Nee nee... nee, we gaan iets terug. Het wordt zo uitgekiend dat onze deur precies daar komt waar wij eruit moeten. (deur gaat open) O, juist, dat dacht ik al. Els: Een gang... Dirk: Kom d’r uit... Blijf jij achter me, Els. Els: Ja, Dirk. (ze gaan de gang in) Hier eh... hier is een splitsing. Hoe weten we nou welke kant wij uit moeten, Dirk? Dirk: Rechtuit, denk ik... Kom. (ze gaan verder - plots een hard geluid) Stop!! Els: O! Toeteltje schrok d’r van. Een glimmende staaf dwars voor ons. Dus mogen we daar niet in, Dirk. Dirk: ‘t Is geen staaf, ‘t is een bliksem. Els: Ooh! Dirk: Je ruikt de ozon. Els: Ja. Dirk: In de wand zitten aan weerskanten een soort noppen, elektroden. We zouden onderdoor kunnen kruipen. Els: Nou, beneden zitten nog meer van die dingen, Dirk, en als je d’r tussen komt.... Ja, en Toeteltje? Dirk: Hè, toe, kind, van jouw kanarie krijg ik ook een punthoofd. (weer dat harde geluid) Els: O!! Achter ons, Dirk, ook zo’n ding. Dirk: Ja, dat is om te voorkomen dat we teruggaan. Ik vraag me toch af hoe die ene dienaar is ontsnapt. Els: Ja. Dirk: Of die Kapitein gaf zijn andere slachtoffers zoveel te doen, dat ie niet heeft opgelet. Els: En toch moeten we... verder, en zo gauw mogelijk! Joost ligt zonder hulp te wachten, Dirk. Dirk: Ja, ik weet het, ik weet het. Die haast maakt het voor ons dubbel riskant. Nou, dan maar die andere gang. (ze stappen verder) Els: (schrikt) Ze sluiten ons bij elke stap de terugweg af, Dirk. Dirk: Deze hele wand is boven de kniehoogte met die elektroden bezet. Els: Ja. Dirk: O, hier is een deur. En nu... (deur opent zich) O, hij gaat open. Diafragmadeur. Els: Dirk... Dirk, ruik ‘ns, wat een vreselijke lucht komt hier van binnen. Dirk: Ja, die lucht kennen we al. Denk maar ‘ns terug aan... aan nulwicht. Els: Nou... ik ga niet naar binnen, hoor! Het is te donker. Dirk: We moeten. We moeten! Achter ons komen de bliksemstaven. Ja, kom nou, kom nou! Of wou je doormidden? Els: Nee! Nou, dan maar... Oh... oh... verstikkend zeg... oh... (deur gaat dicht) Dirk: Daar komt wat licht. Ik begin wat te onderscheiden. Els: Ja... Een eh... grote kamer. Dirk: Ja. Els: Daar, Dirk, dat witte, in die hoek. En daar!... En daar... Wat zijn dat? Dirk: Mag je raden. We moeten hier doorheen. Aan de overkant is ook een diafragmadeur Els: En die dingen... die apparaten hier overal, en eh… een platte tafel met grijpers. Dat is waar die... die dienaar ons heeft van verteld. Dirk: Ja. Daar verder is een ijzeren bak, met buizen en pompen. Je hoort ze werken. En een veeladerige kabel. En daar achter het eind van die platte tafel, daar is dus dat ding met tentakels dat je op je hoofd springt. Els: (schrikt) Dirk: Nou dat wil zeggen, als je er eenmaal op ligt. Els: O, toe, asjeblieft Dirk! Dirk: Een operatietafel dus... voor de offers. Els: O, laten we er doorheen zien te komen, Dirk, alsjeblief. Dirk: Tussen al die dingen met grijpers en armen? Nee, merci! Els: Offers worden ontleed... om levenskracht... Dirk: Kind, je hoeft niet zo te bibberen. We liggen nog niet op die tafel! Els: Nee, maar... maar als er dan mensen komen, en we hebben haast.... Dirk: Hier komen geen mensen. Dan hadden ze wel wat beter opgeruimd. Nee, al die automatische machinerie staat te wachten tot we uit onszelf dichterbij komen. Els: Maar… maar iemand moet de machines toch commanderen? Dirk: Ja, de Kapitein. Els: Maar waar is ie dan? Dirk: Hier in elk geval niet. Kapitein: Deze opmerking is onjuist! Natuurlijk ben ik hier wel! Dirk: Wie sprak daar? Kapitein: Ik! Dirk: Ja? Door een luidspreker. Kom maar liever te voorschijn. Kapitein: Hoe kan ik te voorschijn komen als ik er ben? Hier, boven u, onder u, in de apparatuur, overal om u heen. Dirk: In het schip? Kapitein: Ik ben het schip. Els: Hij bestaat niet, de Kapitein! Kapitein: Onjuiste conclusie! Ik denk, dus ik besta. Het schip is mijn lichaam en het stelt mij in staat te reizen tot aan de uithoeken van dit eilandheelal. Eens had ik een kwetsbaar menselijk lichaam, ongeschikt voor de ruimte, tenzij opgesloten in een schip. Ik heb mijn lichaam vervangen door dit schip. U beiden zijn voor mij slechts als bacteriën in mijn ingewanden. Dirk: Hoe hebt u dit klaargespeeld? Wie kan zich in een robot veranderen? En waarom? Kapitein: Op mijn laatste reis wist ik enige technico’s te bewegen een proef te nemen met hun experimentele instrumenten die het voor het eerst mogelijk maakten een levend brein te integreren aan een mechanisch brein. Dirk: Dus... dat is het. En daarom heb je je van de bemanning en de passagiers meester gemaakt, ze gedwongen in... in nulwicht te gaan leven, en... en mensenoffers te brengen. U moet volslagen krankzinnig zijn!! Kapitein: Ik was slechts logisch. De technico’s hadden mij gezegd dat de neurocellen van mijn brein, in contact met het mechanische scheepsbrein, langzaam moesten afsterven. Ik had dus aanvulling nodig. Zij hadden die consequentie zelf kunnen voorzien. Gelukkig reikte hun blik niet over de grenzen van hun specialiteit. Dirk: Je gebruikt ze om... om... Kapitein: Om deze neuronen te vervangen, één voor één, naargelang het nodig was. Het spreekt vanzelf dat ik hen niet langer kon toestaan zich vrij door het schip te bewegen. Ik concentreerde hen in de nulwichtsector. Els: Met... met die ratten? Kapitein: Onder meer. Ik heb - anders dan u - volle controle over mijn binnenzijde. Dirk: Ooo... Dan kunt u ons ook zien? Kapitein: Neen. Mijn visuele organen bevinden zich aan de buitenzijde van het schip. Zomin als u kan ik in mijn lichaam rondzien, maar mijn sensorische circuits in het schip voelen druk, warmte en vibratie. Ik weet precies waar u zich bevindt. Ik voel ook dat één van u doende is zich stap voor stap naar voren te bewegen, in de richting van het reservoir waarin mijn brein zich bevindt. Ik raad u dit af!! Ik zeide u dat ik volle controle heb over mijn lichaam. Els: (schrikt) Een bliksem, Dirk!! Dirk: Hier zitten ook overal noppen... Kapitein: Ik zei u toch dat ik mijzelf kan beschermen. Normaal zou ik u reeds hebben verlamd. Doch ik heb u een voorstel te doen. Sinds geruime tijd gaat de kwaliteit van de offers die mij worden toegevoerd achteruit. Dit is toe te schrijven aan degeneratie. De groep waaruit ik put heeft vers bloed nodig. Dirk: En jij wilt van ons… Els: Dirk!... Dirk: …dat wij... Els: Dirk, hij bedoelt toch niet... Dirk: Heel makkelijk zeggen, Kapitein, als jij alleen nog maar uit een... uit een stuk ijzer bestaat. Maar voor ons ligt dat een beetje anders! Kapitein: Met die mogelijkheid had ik rekening gehouden. Ik heb u lang waargenomen. Er bestaat tussen u beiden een heftig emotioneel spanningsveld, een sterke aantrekking. Els: Daar weten wij anders niets van. Kapitein: Waarom houdt u elkaars hand dan vast op dit ogenblik? Dirk: Om niet om te vallen... van verbazing... over uw kolderpraat. U kon niet zien binnen het schip. Of moet ik zeggen: binnen je lijf? Kapitein: Mijn andere zintuigen zijn hypergevoelig. Hoe dit zij, sedert enige tijd ben ik er mij van bewust dat het mechanische deel van mijn brein de overhand krijgt op mijn persoonlijkheid. Oorzaak is ongetwijfeld dat mijn menselijk brein niet jong genoeg was toen de integratie plaatsvond. Derhalve heb ik een voor u zowel als voor mijzelf nuttig alternatief voorstel, namelijk uw vitale jonge breinen in het mijne te doen incorporeren. Els: Incorp... incorpo... wat? Kapitein: Opnemen. Ik zal dan weer voelen en denken als een mens, terwijl u beiden... Dirk: Wat? Wat, wij beiden? Hè? Kapitein: Anders geformuleerd: wij drieën zullen dit schip delen als gezamenlijk lichaam en onze geesten zullen zich mengen. U beiden zult elkaar vinden als nog nooit twee stervelingen het hebben ervaren: elkaars gedachten te delen, niet gescheiden in twee elkaar gedurig misverstaande personen. Meer zelfs dan een telepathisch contact: één organische entiteit. En bovendien en voor alles: onsterfelijk. Tezamen zullen wij namelijk deze Galaxie verlaten en op weg gaan naar andere eilanduniversums, en vers leven in ons schip opnemen, zoals een mens dierlijk voedsel tot zich neemt. Overweeg het voorstel. Bedenk daarbij dat ik u beiden gemakkelijk kan dwingen door uw persoonlijkheid uit te doven. Doch voor mijn hogere plannen behoef ik inderdaad uw vrije medewerking. Els: ‘t Is... het is, Dirk, ontzettend. Nee, houd me alsjeblief nog even zo vast, ik... ik heb het koud. Ik ril helemaal. Dirk: Ik ook, kind... Het is monsterachtig. Hoe stelt die machine zich voor ons op die manier te kopen? Hoe stel jij je voor, Kapitein, dat wij zouden kunnen leven met de schuld miljarden mensen op onze wereld te hebben verraden. Miljarden die zonder ons zijn gedoemd! Kapitein: U hebt geen enkele schuld. Slechts een keus tussen dood en onsterfelijkheid. Dirk: Luister, Kapitein: jij bent een moordenaar, een robot, zonder ziel. Maar nog erger dan dat: beklagenswaardig. Beklagenswaardig, ja, omdat je in de vreselijkste val bent gelopen die een mens ooit voor zichzelf kan uitzetten: onsterfelijkheid te bereiken in een materieel lichaam. En in... in wat voor een: een mechanisch ding. Je kunt er niet meer uit. Je denkt minder en minder menselijke gedachten. Meer en meer ga je voelen en denken als een robot. Maar dit is het verschrikkelijkste: ergens, ergens in je zal altijd een sprankje blijven leven van je oorspronkelijke ziel, als een... als een miserabele rat in een val van ijzer, die eruit wil, maar het niet kan, nooit meer! En deze val van onsterfelijkheid bied je ons aan om met je te delen!? Ik heb medelijden met je, want je bent al lang ondergegaan, in een robot! Kapitein: In uw argumenten zijn weliswaar leemten, maar uw besluit laat geen twijfel. Dirk: Als jij dat dan maar begrijpt, dan zijn wij tevreden. Els en ik laten ons jouw eenheid niet opdringen. Wij prefereren ons spanningsveld! Els: Zo is het, Dirk. Precies! Kapitein: Dan moet ik helaas nu overgaan tot de routineprocedure. Els: De nippels opzij gaan gloeien. Pas op, Dirk! Dirk: Op je buik! Ja, over ons hoofd. Els: Ook net op tijd. Dirk... Toeteltje is weg! Dirk: Die nippels zitten veertig centimeter van de grond af... Wij zitten er net onder. Els: Ja. Dirk: En nou... vooruit! Kruipen! Kapitein: Blijft waar u zijt! Ik weet mijzelf te beschermen. Overigens is de straal boven u niet vernietigend. Ze bedwelmt slechts. Dirk: Wij weten ons ook te beschermen. Reken maar! Kapitein: Hoe bedoelt u? Dirk: Kom mee, kom mee, Els, zachtjes vooruit wurmen, hoofd laag houden. Els: We moeten om de machines heen, voor we... Kapitein: U gaat in de richting van mijn tank. Deze is van onkwetsbaar metaal en niet te openen. In de houding waarin u zich bevindt, bent u trouwens geheel machteloos. Els: De grijpers! Dirk! Dirk: Ze reiken niet diep genoeg. Gelukkig… We zijn om de machines heen. Daar is de tank. Els: Zeg, ‘t licht gaat uit. Kapitein: Thans bent u blind. Ik ben nu doende uw ontleding voor te bereiden. Het geschiedt alles automatisch. Inmiddels kunt u zich nog bedenken. Dirk: Die tank ligt ongeveer daar. Els: Dirk! Dirk wacht even! Niet schieten! ‘k Hoor Toeteltje rondfladderen ergens. Kapitein: U hebt dus een wapen? Maar daarmee bereikt u geen resultaat. Dirk: Nee, dat zal je gewaar worden. Els: Wacht, Dirk! Toeteltje! (probeert te schieten) Dirk: Ha!! Je hebt me een duw gegeven, jij met je sofkanarie. Mis!!... (pijnkreet) O, m’n armen... o ellendig kind... aaauuw, die bliksem heeft me geraakt, natuurlijk! Aauw! Kapitein: Ik heb u buiten gevecht gesteld. Ik had u onderschat. Die ongewone explosie eerder in dit schip was blijkbaar het werk van uw formidabel wapen. Els: ‘t Licht gaat weer aan. Kapitein: Dan kunt u zich oprichten om zich naar het midden van het vertrek te begeven. Daar wachten u mijn manipulators. Dirk: Oprichten, hè? Nee, hoor. Zolang we kruipen, kun je ons niks doen. Els, neem dat pistool. Els: Ja. Dirk: Ik kan m’n handen niet gebruiken. Els: Ja. Dirk: Hij vergeet het licht weer uit te doen. Mik goed op die tank! Els: Ja. Kapitein: Er fladdert en piept iets rond in deze ruimte! Is dit wellicht een tweede wapen? Dirk: Ja, zeer bijzonder wapen. Een hinderwapen zou je kunnen zeggen. Kapitein: Het heeft een onstabiele locatie. Dirk: Ja, daarvoor is het nou eenmaal een... een toetelwapen. Richten! Op de achterste knop drukken: maximale lading. Els: Ja, ja, ja. Kapitein: Zijn warmte-uitstraling is toch gering. Els: Ja, ik... ik heb ‘m gericht. Dirk: Druk ‘m dan, druk hem. Els: Ja, maar... ja maar... d’r gebeurt niets. Dirk: Niets, niets... Hij moet opgeladen zijn! Kapitein: Gelukkig kan ik mijzelf volledig beschermen. Dirk: Hij is niet opgeladen! Kapitein: Ik heb dat deel van het elektrisch net waaraan u energie voor uw wapen onttrekt buiten werking gesteld. En intussen zal ik andere maatregelen treffen. Dirk: Ik voel me naar... naar het midden toe schuiven. Els! Hoe komt dat? Els: Ja! Ja, we glijden weg! Dirk: Ja. Els: We worden voortgetrokken... naar... naar die tafel. Dirk: Maar door wat? Die lange kronkelarmen reiken al... naar ons toe. Els: Ik weet wat er gebeurt... Het schip... het schip wordt... wordt langzaam gekanteld! Kapitein: Neen, ik verleg het vlak van de kunstmatige zwaartekracht, als u dit wenst te weten. Dirk: Ik kan me nergens vasthouden. Ik heb geen gevoel... in m’n handen... Ik glij... Doe dan wat, Els! Els: Ja, maar wat? Had jij dan direct goed gemikt. Dirk: O, als je... als jij me niet een zet had gegeven, had ik ‘m al lang gehad. ‘t Is jouw schuld. Els: Ik deed het niet opzettelijk! Dirk: Ach, die ellende is dat... dat jij nooit wat doet. Els: Ach... Dirk: Jij hebt alles verknoeid, van het begin af. Jouw stommiteit is voor ons allemaal erger geweest dan de gemeenste opzet. Els: Wat ben je misselijk, jij! Jij bent nog niet eens geschikt voor een robotbrein. O, ik… ik zou je die bloempot wel naar je hoofd willen... Wacht ‘ns... Dit pistool weegt kilo’s... Dat brein raken! Dirk: Els! Hij heeft me te pakken! Doe wat! Vlug! Els: Ja, ik gooi al. Daar!! Kapitein: Aaaaaaagh!... Dirk: Ja. Je hebt ‘m geraakt, die bak! Je hebt ‘m knock-out gegooid! De grijper laat los, Els! Els: Zeg, wat is dat voor een lawaai? Dirk: Dat zijn alleen maar stuiptrekkingen van de machinerie. Els: O, Dirk... ik... ik was zo geschrokken. Ben je nou weer... goed... goed op me? Dirk: Ik? Goed? Huh, jij bent het die tegen me tekeer is gegaan. Jij! Els: Wat? Dirk: Ja, kom, stop nou maar, stop nou maar, voor die Kapitein weer bijkomt, moeten we z’n tank afkoppelen. Daar, die dikke kabel: doorschieten. Els: Nee... laten we nou liever ineens door die deur verder gaan Als we nou eenmaal in... in die controlekamer van het schip zelf zijn... Dirk: Als het goed is, moet daar een doorgang zijn naar het parallelschip van Joost. Maar eerst die kabel! Hier heb ik ‘t pistool... M’n handen tintelen, maar het gaat wel weer. Els: Als het wapen maar niet stuk is. Dirk: Stuk? Welnee... Nee, die knop... de kabel... (schot) Nou! Is ie heel of niet? Zie je wel? Door! Els: Ja! Ik heb Toeteltje gevonden. Hij zat op m’n schouder! Stel je voor!! Dirk: Zo. Dat is dat. Met het uitvallen van de Kapitein gaat de automatische service weer in. Spanning op het net, normaal gravitatieveld. Els: O, je bent ontzettend knap, Dirk. Dirk: Ja, ik ben knap. Kom nou maar, door die deur. Els: Ja, Dirk. (ze gaan naar buiten) Zeg... Dirk: Ja? Els: Een korte gang. Dirk: Ja. Nou... nou hopen dat daar de controlekamer is. Els: Ja. Dirk: Anders weet ik het ook niet meer.... Stop. Els: Ja? Dirk: Hier. Els: Zeg... ’t is eh... ’t is weer zo’n spleetdeur. En daar is een knopje. Ik eh... ik... ik zal daar maar... (deur gaat open) Ja, het is... het is zo’n kamer! Dirk: Controledek, ja, maar niet de doorgang. Wij moeten de doorgang hebben naar de parallelwereld, naar dat schip waar Joost ligt. Els: Ja. Dirk: Alles is hier volkomen analoog. Els: Ja. Dirk: Maar Joost is er niet!! We zijn er nog naast. Els: Ach, natuurlijk, omdat we naar binnen moeten gaan, over de drempel. (ze stappen binnen) O, Dirk, wat... wat is er hier voor... voor vreemds? Dirk: Iets met het... met het licht... Els: Ja. Dirk: Of met spiegels. Grote Horvath, wat is hier? Els: Het lijkt... het lijkt of ik alles... alles dubbel zie, alsof ik van... van binnen ronddraai. Dirk: ‘t Zijn... twee beelden. Els: Twee... controlekamers, hier? Dirk: In de ene... in de ene ligt iets ... Daar ligt iemand. Op de grond! Els: Het... het is Joost! Ja, alles... alles gaat langzaam over elkaar heen schuiven. Dirk: Ja, als twee stereoscopische foto’s. Nog even... Els: Dus… zo is de doorgang... Dirk: Ja! O, Elsje, kindje, we zijn er! Els: Ja! Dirk: We hebben het gehaald! Els: Ja! Dirk: Help me. Els: Ja. Dirk: Help me met Joost... met Joost, naar die bank. Els: Hij... hij is... hij is zo zwaar. Dirk: Ja. Els: Dirk, hij... hij beweegt niet. Dirk: Nee? Hij haalt nog adem, hij is alleen bewusteloos. Els: Ja, maar z’n voorhoofd is gloeiend heet. Joost! Dirk: We kunnen niks doen. Probeer water te vinden, Els. Els: Ja. O, was Jaap d’r nou maar. Hij weet van die dingen af. Dirk: Ja, waar blijven ze nou, waar blijven ze nou? Van Jaap hangt alles af. Els: Kijk dan in het kristal, Dirk, wat ze doen, waar ze zijn. Dirk: Ja, nou, waar is dat ding nou, waar is dat? Els: Hier. Dirk: O ja, hier… Ja, ja, ik heb ze. Ze klimmen naar boven, in die Citadel. Het is wel degelijk een ruimteschip! Als ze nou maar voortmaken. Ze moeten toch weten hoe het er hier voor staat!
Jaap: Huub, we moeten voortmaken. Dirk en Els hebben Joost bereikt, maar ze kunnen niks doen zonder mij. Huub: Aan die trappen komt geen eind. Die spelers zitten natuurlijk helemaal boven. Jaap: Ja. Ja, precies waar wij ook moeten zijn. Ach ja, hier is een splitsing. speler 1: Heren Proctors, de linkertrap leidt u in de gewenste richting. Jaap: O, ‘t is dus deze trap dus. Goed. Opschieten. Kom. Huub: Hoe eerder we deze zaak afhandelen, hoe beter. (ze gaan verder) Jaap: Hier is een luik. Volgende dek. Huub: Hé, waar zijn we nou? ‘t Is hier nogal donker. Klein vertrek. (luik gaat dicht) Zeg, het luik schuift dicht. Jaap: Een val! Da’s hun gewenste richting. Nou, daar zijn we dan mooi ingetrapt. speler 1: Wel, heren Proctors, of wie u zijt, u neemt ons deze voorzorg niet kwalijk? Huub: Voor zover het weinige licht ons toestaat te zien, is dit nauwelijks een behoorlijke ontvangkamer te noemen. speler 1: Als u verbinding wenst, drukt u dan de knop in die recht voor u in de wand zichtbaar is. (Huub drukt de knop in) Huub: Ik heb ‘m ingedrukt. Wij wensen thans te weten wat deze onbetamelijke grap inhoudt. speler 2: Als heren Proctors moet u toch weten waar u zich bevindt? Eenvoudig in een veritasindicator. Jaap: (lachje) Ik wist niet dat ze hier zo’n verouderd model gebruiken, zeg. Huub: Onze waarheidsapparatuur is meer geperfectioneerd. speler 2: Mogelijk. In de tientallen jaren dat wij hier in ballingschap leven is uw techniek wellicht gevorderd. Hoe dit zij, deze veritas heeft echter het onschatbare voordeel dat ze personen die in waarheid te kort schieten zorgvuldig in... eh… bewaring houdt. Jaap: Jullie hebt de onbeschaamdheid ons te gaan testen! speler 1: Of het onbeschaamdheid was, zal moeten blijken... uit uw antwoorden op vragen die wij gaan stellen. Voor elk antwoord dat u - om misverstand te voorkomen - goed dient te overwegen, drukt u de andere, rode knop in. Uw antwoord loopt door de circuits van de veritasindicator en de uitslag van de meter die correspondeert op de breingolven van de spreker wijst aan of u de waarheid spreekt of niet. Jaap: Nou, een uitleg van de werking van dit primitieve apparaat had ie ons beter achterwege kunnen laten, zeg. Huub, laat die verbindingsknop maar, hoor. Huub: Kunnen ze... kunnen ze ons zo niet horen. Jaap: Nou, kennelijk niet. Wat wou je zeggen? Huub: Nou, alleen dat we d’r lelijk in zitten, Jaap. Jaap: Ach joh, deze machientjes zijn primitief. We zullen d’r heus wel wat op vinden. Huub: Nou, dat zal jij dan moeten doen. Jaap: Je hoeft niet zo te fluisteren! (lachje) Ze kunnen immers niks horen voor wij één van die knopen indrukken. dus eh… praat maar, hoor. Huub: Nou eh… afwachten dan maar. speler 1: Ik zal nalaten u te vragen, heren, of u al dan niet Proctors zijt. Immers, het is in de Galaxie een zodanig wijd begrip dat het antwoord niets zou bewijzen. Huub: Begrijp ik niets van. Jaap: Ja, ik wel... Op aarde, bijvoorbeeld in Engeland, kan een Proctor een ordebewaarder aan een universiteit zijn, maar ook een procureur aan een geestelijk gerechtshof. Voel je wel? speler 1: En thans, neemt u de tijd, heren Proctors, voor deze vraag… Jaap: Hou je vast... speler 1: Bent u inderdaad hier op Mekanistreia ingevolge een opdracht van de Galactische Raad? Gaat uw gang... de rode knop. Huub: Daar zitten we dan in, hè. Jaap: Huh, dat dacht je maar. (lachje) Cybernetische machientjes zijn zo gemakkelijk te flessen. Denk nou maar ‘ns aan Ypenburg, die avond, weet je wel? Omdat ze altijd zo letterlijk zijn. Het kan, als je maar weet hoe. Huub: Nou, da’s dan kennelijk jouw job, hè, ik ben geen prater, ik kan er niet omheen draaien. Jaap: Juist. En daarom, Huub, krijg jij dit keer het woord. Huub: Ik? Jaap: Ja. (lachje) Huub: Maar... wat ik zeg, dat nemen ze altijd letterlijk. Jaap: Juist daarom. De letterlijke waarheid op de letterlijke vraag. Die vraag luidt, nietwaar, of wij hier zijn ingevolge opdracht van de Galactische Raad, te ja of te nee. Huub: Letterlijk: ja. Maar waarom moet ik dat zeggen? Jaap: Waarom? Omdat jij letterlijk bent. Ik zou andere dingen d’r bij denken, en... het apparaat zou registreren dat er wat loos was met m’n antwoord. Huub: Mm. Jaap: Concentreer je op je specialiteit, Huub: exacte logica. speler 2: Bracht deze vraag u in verlegenheid, heren? Huub: Wij moesten ons toch zorgvuldig beraden? Jaap: Je praat door de lucht, Huub. Knoppie, knoppie, knoppie. Huub: O ja, ja. (drukt de knop in) Wij moesten ons toch zorgvuldig beraden, heren spelers? Het antwoord is bevestigend: wij zijn hier ingevolge opdracht van de Galactische Raad. Een exact feit waarvan u zich gemakkelijk kunt overtuigen. speler 2: Eh... (kucht) Eh… tweede vraag. Met welk doel, heren? Huub: Met welk doel? Tja.. een… een… eh... een test ondergaan, hè? Jaap: Jij hebt helemaal geen verbeelding, jij. Huub: En jij te veel, als ik het zeggen mag. Jaap: Je moet die vraag dieper beschouwen, Huub. Nou, luister ‘ns even: welk doel heeft die hele testerij? Hè? Hè? Of we voor de Galaxie geschikt zijn? En dan? Huub: Dan wordt de aarde gered. Jaap: De aarde? Nee nee, de bevolking. De bevolking! Wat is dus ons doel? De bevolking te redden. Wie verplicht jou daarbij te vertellen dat wij een andere bevolking bedoelen dan zij? Huub: Aah! Jaap: Aha! Huub: Antwoorden dus in de termen van het vraagstuk? Uitmuntend. Jaap: Eh… rode... Huub: Knop in, hè? (schakelt in) speler 2: Ja, heren? Huub: Het antwoord luidt: ons doel is de bevolking te redden. speler 2: O! Jaap: Tja, daar moeten die knaapies nou effe over denken. ‘k Hoop niet te lang, hè. Huub: Zeg hoe eh... hoe staat het met Joost? Jaap: Nee nee nee nee niet nu, niet nu, niet nu... we moeten ons blijven concentreren. speler 1: Hebt u reeds een rapport over uw bevindingen op Mekanistreia aan de Galactische Raad verzonden? Jaap: Hebben wij dat, Huub? Een rapport verzonden over die eh… robotten, en de oorlogen, en bedwelmend water, met hun idiote schaakspelletje? Hè? Huub: Nee nee, nee, niet dat ik weet. Jaap: Klinkklare waarheid. Huub: Even zo goed komen we op glad ijs. Die waarheid kan ons onze kop kosten. Ik neem aan dat ten slotte Proctors uit de weg geruimd kunnen worden als ieder ander. Jaap: Ach, vooruit nou toch, onze koppen zitten d’r nog steeds op. We moeten opschieten. Rooie knop, rooie knop. Huub: O! (schakelt in) Het antwoord of wij inmiddels een rapport hebben verzonden aan de Galactische Raad luidt: neen. speler 2: Volgende vraag: waarom niet? Huub: Het logische antwoord... Jaap: Huub! Huub! Huub!... Huub... Huub: Ik zei: het logische antwoord luidt dat Proctors matiging moeten betonen bij het formuleren van een oordeel tot ze alle factoren van een zaak zorgvuldig en uitputtend hebben onderzocht. Jaap: Oef... daar brak het zweet me uit.. Huub: Waarom? Nou, dat is het enige waarvan ik omtrent Proctors volkomen zeker ben. Jaap: Ja! Dat hebben we wel aan den lijve ondervonden. Huub: (lachje) En wat zodanige Proctors nog meer moeten betonen... Jaap: Dat zal ons glad een zorg zijn. Nou, waar blijft die boef nou? Huub: Ik denk dat m’n antwoord behalve exact juist, ook tactisch was. Jaap: Ook hem is het zweet kennelijk uitgebroken. (lachje) Zeg, niet voor één of ander, maar voor één keer ben ik blij dat ik jou heb meegenomen in plaats van Dirk. Huub: Nou, je bent wel goed. Jaap: Jaja... Alleen, onze tijd gaat voorbij. Hè, die lui zitten nou te overleggen, en Joost en Dirk en Els die zitten op ons te wachten. Hè! Wacht effe, de gewone communicatieknop. (schakelt in) speler 1: Wat wenst u op te merken, heren? Jaap: Dit! Wij eh... wij begrijpen dat jullie zekerheid wil hebben over onze identiteit, maar dat verhoor gaat wel beledigend lang duren, neem me niet kwalijk. Als jullie dus nog wat te vragen hebben, gebruik dan je kans. We geven jullie nog vijf minuten. speler 1: Neemt u ons niet kwalijk, heren. (kucht) Dan eh... deze vraag: kunt u, na de zo eh... ongelukkige beschadiging van uw transportmiddel in feite nog wel zo’n bericht aan de Galactische Raad verzenden!? Huub: Nou zitten we vast. Jaap: Vast? Mm, effe denken. Waar is m’n kristal? Ja, hier. Kijk jij d’r nou ‘ns in, hè ,Huub, naar Dirk en Els. Zie jij ze? Huub: Nee... maar eh... Jaap: Precies! En wat betekent dat, als wij ze niet kunnen ontvangen? Huub: Dat ze op dit ogenblik naar ons zitten te kijken? Jaap: En zelfs alles kunnen horen. Nou dan? Huub: O, wacht! (schakelt in) Het antwoord op uw vraag of wij nog wel een bericht kunnen verzenden luidt: neen. speler 1: Aha! Huub: Maar het is m’n plicht u desniettemin te informeren dat enige vrienden van ons vanuit een zeer groot ruimteschip met ons verbinding hebben genomen en op ditzelfde moment alles horen. speler 2: Horen!... O, grote Carnabesus! Wat zegt u? Huub: De waarheid, spelers. En dat zij bovendien alles nauwkeurig gadeslaan wat hier gebeurt. speler 1: Maar... maar dat is... Ja! De meter bevestigt de waarheid van uw uitspraak! Jaap: Heren spelers, ik waarschuw u dat aan dit vragenspel van u een end moet komen, en wel direct. Verder talmen zou de verschrikkelijkste gevolgen kunnen hebben. speler 1: Ja ja, heren Proctors. speler 2: Ja ja, heren Proctors, de waarheid uwer opmerkingen, wij erkennen ze. (deur gaat open) Huub: D’r gaat een deur open. (ze gaan binnen) Een grote luxe kamer! Jaap: Kijk eens, daar zijn die twee boeven. Wat een tronies!... speler 1: Neemt u ons niet kwalijk, heren Proctors... speler 2: Maar wij moesten toch zekerheid hebben. Jaap: Geen fiebelefacies. Waar is de controlekamer? We moeten die direct inspecteren. speler 2: Die is... die kant... (deur open) Deze gang. speler 1: Mogen wij u voorgaan? Jaap: Nee, niets daarvan, u blijft hier en u houdt zich ter beschikking. En waag het niet de apparaten aan te raken. Uw schaakspel is uit. speler 2: Ja ja, heren. speler 1: Maar geef u ons toch een kans! Jaap: Mm. Luister dan goed: vermoedelijk zien jullie ons niet meer terug, maar denk d’r aan: de Galactische Raad heeft een heel lange arm! Begin zonder uitstel het opbouwwerk hier op deze planeet, en voor de volgende inspectie mag er geen spoor van jullie wandaden overblijven. Is dat begrepen? speler 1: Ja, ja, ja... Wij zullen alles doen wat u zegt, heren Proctors. speler 2: O, u kunt er zeker van zijn. Jaap: Huub, kom. (ze gaan - deur open) Hé! Wat is hier? Twee controlekamers, Huub! Huub: Ik zie dubbel! Alsof ik scheel zag! Spiegelbeelden... Zo is dus een raakpunt van de parallelwerelden. In die andere controlekamer! Ik zie ze! Wazig. Jaap: De andere... Daar! Dat moeten ze zijn! De beelden schuiven in elkaar. Huub: Daar ligt Joost, ik zie ‘m duidelijk. Jaap: Als we nog maar op tijd zijn. Huub: Ja... Dirk! Els! Dirk: O, jullie zijn er! Jaap: We zijn er. Allemaal zijn we er. Els: O, gelukkig Dirk: Kom, kom, Jaap Els: Help Joost voor het te laat is. Jaap: Joost! Els: Jaap, doe wat. Jaap! Hij beweegt niet, hij is bijna... Jaap: Joost, Joost! Z’n pols, z’n pols racet. ‘t Is bijna niet meer te voelen... Joost, Joost, kun je me verstaan, Joost? Joost: Hè? Ja... Jaap. Ja, Jaap... Jullie... jullie... hebben... het dus... dus... gehaald... jullie hebben... hebben het... Els: Jij ook Joost, als eerste. Joost: En... en... en toch... toch nog... en toch... toch nog... te... te... te... laat... ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (5/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [3] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351) [4] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [6] geboren te Batavia (Indonesië) op 27/12/1909; overleden op 31/10/1991 [7] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [8] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [9] geboren te Rotterdam op 21/04/1892; overleden te Amsterdam op 25/03/1966 (Code TIN: 1007) [10] geboren te Rotterdam op 24/11/1900; overleden te Amsterdam op 24/09/1967 (Code TIN: 8278) [11] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)
|