|
TESTBEMANNING DEEL 29: DE TOEKOMST VAN EEN PROJECT Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 15/04/1962 (herhaling: woensdag 01/11/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - robotverbindingen: Hans Karsenbarg ([2]) & Hans Simonis ([3]) - Proctor: Huib Orizand ([4]) - Kliox: Robert Sobels ([5]) - Huub, navigator: Frans Somers ([6]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([7]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([8]) - Els: Nora Boerman ([9]) - dr. Veijerlingh, Minister-President: Louis de Bree ([10]) - hoofdingenieur Van Meeteren: Rob Geraerds ([11]) - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([12]) - kwizbaas: Rijk de Gooyer ([13]) technische gegevens: 37’20’’ - 21,3 MB - mp3
robotverbinding 1: Connectie met Galaxenter via stersysteem Perasuu, Aôt-i-Zjeewee, Haaverseey en Mörschtt. robotverbinding 2: Galaxenter, gesloten kanaal, Kliox B-17. Individueel. Proctor: Directe verbinding! Dit voorrecht het ik tenminste nog van m’n optie op Xelentièm ontworsteld. Kliox: Veldregistratuur Kliox B-17. Proctor: Een uitkomst, deze verbinding, Kliox. Kliox: Doch louter bedoeld voor overleg met uw aanstaande medewerkers in het project Xelentièm! Hebt u de folie met namen reeds geteleporteerd? Proctor: Eh... ik vrees dat de gelegenheid me nog ontbrak. Het project Terra... Kliox: Deze eenvoudige test... Proctor: Ze begon eenvoudig, inderdaad, doch kwalitatief onderscheidt het Terra-project zich van alles wat ik ooit heb ervaren. Kliox: Maar de test is toch beëindigd? Proctor: Mm, ja, ja, bij Glôr en z’n duizend tentakels, ja! De test is beëindigd, maar het project, Kliox, is dat beëindigd? Nee! Ik heb zelfs een gevoel dat het nog moet beginnen. Kliox: Uw emotioneel quotiënt, leermeester...! Proctor: Naar de Knorkels van Vraan met het quotiënt. Kliox: Maar leermeester!... En dat project Xelentièm? Proctor: Ik vreesde het al dat ik ten slotte een keuze zou moeten doen. En voor de eerste maal zal ik het voorbeeld der Terranen volgen en kiezen tegen elke rede in: laat Xelentièm worden uitgevoerd door Gli-Kaâ. Hij is jong en competent, laat hem z’n kans krijgen. Kliox: U houdt dus het toezicht over de afwikkeling van uw huidige Terra-project, omdat u er emotioneel in zijt verwikkeld geworden? Proctor: En gij, mijn oud-leerling, die mij tot m’n vreugde zelfs een volle classificatie zijt ontwassen, gij hadt mijn keuze voorzien. Kliox: Zien groeien, niet meer dan dat. Voorzien, Proctor Senior, dat deed een ander, ver boven onze classificatie. Nu gij deze keuze hebt gedaan, ben ik gemachtigd u te zeggen dat de Terra-opdracht, die gij met tegenzin aanvaardde, u destijds niet administratief door Galaxenter werd toegewezen. Proctor: Niet door Galaxenter, Kliox? Door... ja, door wie dan?? Kliox: Door niemand minder dan de grote adviseur van de Raad. Proctor: De oude Quontark? Hijzelf? En op grond van de oorspronkelijke rapporten? En waarom? Kliox: Waarom? Wie kan de diepste gedachten van de adviseur peilen? Zijn plannen en voornemens? Hij is B-19. Vermoedelijk wekte een zekere schommeling in het B-quotiënt van de Terra-rassen zijn belangstelling. Het verklaart in elk geval waarom u, als één der oudste en ervarenste Senior Proctors, met deze schijnbaar onbelangrijke opdracht werd belast. Proctor: Zo! Wel, bij alle tentakels!... En Quontark heeft goed gezien, Kliox. Dit schijnbaar B-5 ras, dat te vangen is in een val voor B-3’s, en kan ontsnappen aan constructies tot B-9 toe, wordt bestuurd door een oerprincipe, iets wat bij ons, naar ik steeds meer inzie, ten onrechte is uitgeselecteerd: creatieve emotie. En daarom heeft Quontark, m’n eigen emotionele aanleg kennende, mij met dit project belast, wetende dat een dergelijke factor, als zij bestond, mij niet zou ontgaan. Kliox: Wat mijzelf niet ontging, eerbiedwaardige leermeester, is de indicatie dat ergens in dit project tevens een persoonlijke band moet zijn ontstaan. Proctor: Ja, inderdaad. Het is deze jongeman, deze Ros, Joost, kortweg Justus… Ach, die Terraanse namen! Welnu, ik moest in deze test iemand opofferen. Ik koos hem uit. Een ernstige fout... Hem had ik nooit mogen kiezen. Elk van ons in de Rytalgroepen heeft drie of vier vaderfiguren. Deze Joost had er geen. En mijn roboteenheid had hierbij natuurlijk niet stilgestaan. Kliox: Is dit waar? Proctor: Hij had nog minder kans van slagen dan ik mij bewust was. En desalniettemin, Kliox, is hij als eerste aangekomen! Hij ligt nu op sterven. En voor het eerst in m’n lange praktijk weet ik niet wat ik doen moet, word ik heen en weer geslingerd door emotie...
Huub: Is ie bewusteloos, Jaap? Jaap: Ja. Hoge koorts. Dirk: We moeten Joost redden. We moeten ‘m redden, Jaap. Jaap: Het moet, het moet, Dirk, maar hoe? We hebben hier niks. Dirk: Nee. Nee, natuurlijk niet hier in het controledek. Ik heb geen idee waar al die apparatuur voor dient, maar één ding weet ik: naar medicamenten hoeven we hier niet te zoeken! Huub: Dan moeten we verder exploreren. Dit is een heel ander schip dan die drie van waaruit we zijn samengekomen. Kennelijk is het operationeel. Er moet stellig een medische sectie zijn. Dirk: Zeg!... Daar is een deur. Els: Die heb ik al geprobeerd voor jullie Dirk: O… Els: Die is afgesloten. D’r... d’r zit geen knop, of... of niets bij. Dirk: Ja. Hermetisch, bij Kijenkevics! Waarom hebben ze ons opgesloten? We zijn er nou toch! Huub: Waar zijn we? Dirk: Hè? ‘k Heb geen idee. Maar wel dit... Els: Natuurlijk! Je bloem... Je wapen. Dirk: Ja, precies, we... we zullen door die deur, hè. Ga ‘ns even achteruit, jullie. Zo... achterste knop... (schot) ...Nee!... De deur blijft dicht. Jaap: Wat is dat dan voor een supermetaal? Dirk: Weet ik veel. ‘t Voelt zelfs niet warm aan. Nee, dit... dit is plastisch. O, energiescherm is ingeschakeld. Huub: Ja, wat nou? Jaap: Ja, d’r blijft eh… één ding over, jongens. Dat been dat eh... dat been, dat moet eh... Dirk: Eraf? Hoe? Jaap: ‘k Heb nog iets van noodverband in m’n koveralzak. O ja, hier. Dirk: Ja, waar ga je nou op af? Wat doe je nou? Jaap: Ja. Dacht ik wel. Gereedschap. Hiermee. Els: Maar Jaap!! Je wilt toch niet met dat ding... Jaap: Bemoei je d’r niet mee, Els, bemoei je d’r niet mee. Blijf jij nou bij Joost. Els: Onverdoofd? Jaap: We hebben niks!! We hebben niks, behalve dit. Ja, en een zakmes. Wat wil je dan anders? Els: Ja, maar luister nou ‘ns, Jaap... Dirk: D’r moet... d’r moet toch een andere mogelijkheid zijn. Jaap: Ik ben geen dokter, jongens, ik ben geen dokter. De enige mogelijkheid die ik weet, die wordt met de minuut minder. Dit... dit is koudvuur. Het gif circuleert al door z’n bloedbaan. Hij heeft een hoge temperatuur: over de 40 zeker. We kunnen deze zaa... deze... dat ding steriliseren. Hier, dat lijkt me wel een... een vlamboog, een elektrische vlamboog. Ja, waarvoor dat dient, dat weet m’n tante. ‘t Moet in elk geval heet genoeg zijn. Huub: Ja... Hoe moet het nou, Jaap? Jaap: ‘k Weet niet. ‘k Hoop alleen dat ik het nog weet. Boven de knie afbinden...
Veyerlingh: Van Meeteren! Van Meeteren: Excellentie? Eh… sorry... Veyerlingh? Veyerlingh: En? Wat zegt dokter Bernström? Van Meeteren: Het is praktisch hopeloos. We kunnen alles zien van nabij over die continu-ontvanger, maar ze niet waarschuwen, ze geen aanwijzingen geven hoe die amputatie moet. Het is verschrikkelijk, Veyerlingh! Zij en vooral Ros hebben ons gered. Ze deden een wonder. Zij kwamen door hun test, maar wij kunnen niets doen om Ros te redden. Veyerlingh: Ja, daarom, Van Meeteren, hebben zij recht op nog een wonder. Overigens, kon Dokter Bernström het wel goed genoeg zien? Van Meeteren: Hier, vanuit de tridistudio’s in een soludobeeld van... van zes maal acht maal twaalf meter, Bernström zit bij wijze van spreken tussen die mannen in, en kan ze niets zeggen, want het is maar een beeld, op een miljard kilometer afstand vanuit de Galaxie. Veyerlingh: Dit met Ros grijpt mij nog sterker aan dan alles wat de wereld aan angst en radeloosheid heeft doorgemaakt deze laatste maand, want dit hier onderga ik niet als staatsman, als minister-president, maar individueel, als mens. Hoe die jonge mannen daar, in dat ruimteschip, de moed kunnen vinden. Misschien lukt het Jaap toch om het wonder te... Van Meeteren: Nee, Veyerlingh, zo zit het niet. Joost is op het randje, maar het kan nog. Maar Jaap kan niet. Veyerlingh: Wat zeg je? Hoe weet je...? Van Meeteren: Hij kan het Joost niet aandoen. Het ligt niet in z’n psychografiek, Veyerling. Dokter Heukelom heeft hun psycho-dossiers nageslagen: geen van de vieren kan dat opbrengen. Veyerlingh: Ja, het is dus Jaap psychisch onmogelijk!? Van Meeteren: Dr. Heukelom zegt: daarom heeft Jaap destijds ook de medicijnen moeten opgeven, omdat ie geen bloed kan zien...
Jaap: Mm, tenslotte weet ik het ook maar... maar zo-zo. Eh... ‘k was eerstejaars toen ik er met de geneeskunde uitschee. Nou... wie eh... wie zegt het ‘m, terwijl ik deze dingen steriliseer? Huub: Ik. Jaap: Goed, Huub. Huub: Els, is ie bij kennis? Els: Ja, het... het lijkt wel zo. Huub: Joost... Joost... Joost: Ja... je hoeft niets te zeggen, Huub. Het moet eraf, nietwaar? Het had al eerder moeten gebeuren, veel eerder. ‘t Is te laat. Ik... Huub: We moeten het proberen. We moeten... Joost: Draai... draai je hoofd... iets... iets naar dat licht, Huub. Huub: Ja, Joost, maar... waarvoor? Joost: Ik... ik zag het dus... goed. Je... je voorhoofd is... bezweet, Huub. Wat vreemd dat ik je nooit... nooit gekend heb zo... als je... werkelijk bent. Huub: ‘t Moet lukken, Joost. Je moet beter worden. We zijn samen door zoveel gegaan. ‘k Wou maar één ding: dat ‘k het van je kon overnemen. Zie je, we... we hadden een kristal, Joost. Ik heb gezien wat je hebt doorgemaakt. Joost: Je... kon... je kon mij zien? Huub: De anderen ook. Ja, ik heb lang niet alles begrepen, Joost, maar wat ik begreep was... al meer dan te veel. En nou ook dit nog. Joost: Trek het... trek het je niet aan, beste Huub, hoe het ook afloopt. En... en wie... wie zal het doen? Huub: Jaap, neem ik aan. Jaap: Nou, het eh... het is zo ver. Wie eh... wie doet het? Huub: Hè? Jij toch immers, Jaap... Wie anders? Dirk en ik kunnen... we kunnen vasthouden. Jaap: Dan eh... dan moeten we nu eh… eerst gaan afbinden. Dirk: Hè, Jaap, schiet nou op, schiet nou op! Jaap: (slikt) Dirk: Wat heb je, Jaap? Jaap: Ja, ik... ik kan... ik kan niet goed tegen... Dirk: Huh? Jaap: Ik kan het niet doen! Ik kan het niet! Daarom ben ik afgenokt met geneeskunde. Goh, ik kon die dingen niet aanzien, snap je dat dan niet? Dit en dat! Doe jij het dan zelf als je zo flink bent. Doe het dan zelf, ja! Dirk: Ik? Ik? Hoe kan ik het nou doen, ik... Huub: Ik kan begrijpen dat zoiets Dirk niet ligt. Mij evenmin, Jaap. We zouden z’n dood op ons geweten hebben. Van een vriend als... als Joost. Nee. Els: D’r is dus niemand... van jullie... die durft? Dirk: Bij Kijenkivics! Zij moet het ons nog vertellen ook! Uitgerekend zij. Dat we hier met z’n allen als... als een stelletje lafbekken erbij staan, terwijl Joost kapot gaat. Geef hier die dingen. Ik doe het zelf. Els: Dirk, ik zal... ik zal vasthouden. Dirk: Goed! Afbinden jullie. Daar. Neem m’n ceintuur daarvoor. Losse lus toch, hè? Jaap: Ja ja ja... Dirk: Goed. Boven de knie afbinden natuurlijk. En dan moeten jullie, Huub en Jaap, daar gaan staan. Geef me die spullen, Els!
Kliox: Veldregistratuur Kliox B/17. Proctor: Kliox! Kliox! Kliox: Proctor Senior? Proctor: Geloofd de Galaxie met dit rechtstreeks kanaal. Het is ongelooflijk, Kliox, verbijsterend! Deze Terranen zijn tot alles in staat. Als het moet, deinzen zij nergens voor terug. Kliox: U bent geheel emotioneel, Proctor Senior. Proctor: En met reden! Deze Terranen, onkundig en met de meest primitieve middelen, ze maken zich op Ros eigenhandig en zonder gereedschap of wat ook een been te amputeren. Wie in de hele Galaxie zou deze moed kunnen opbrengen? En juist de naaste vriend, Dirk, hij doet het. En het meisje helpt ‘m! O, ik voelde wel dat ik dit project zelf in de hand moest houden. Kliox: Gaat u ingrijpen? Maar dat is een overtreding! Proctor: Soms, Kliox, is een overtreding eervol. Kliox: U kunt op mij rekenen. Proctor: Teleporteer mij dan instantieel een Klavor B/14 van het humanoïde type.
Dirk: Els. Els, heb je ’m goed vast? Jullie tweeën... hou dan tenminste het been onbeweeglijk. Nou, vergeef het me, Joost. Proctor: Stop daarmee! Dirk: Wat zei jij, Huub? Ben jij gek nou? Proctor: Ik zei: stopt u daarmee. Dirk: Wie bent u? Huub: Ik... ik herken zijn stem ergens van! Els: (schrikt) De Proctor! Proctor: Proctor Senior Staplastreu B/16. Hier ben ik. Dirk: Ja, om uw slachtoffer te bekijken. Hier, Proctor! Proctor: Meer dan dat. Gaat u allen opzij. En u, Dirk, leg die twee nutteloze instrumenten weg. Dirk: Zo! Wat bent u dan wel, hè, om ons hier te gaan commanderen? Ik denk er niet aan! Proctor: Doet u wat ik zeg! Dirk: Goed... Proctor: Ondanks uw zeldzame talenten hebt u geen notie wat ongehoorzaamheid aan een Proctor kan betekenen. Joost? Eh... Ros? Joost: U... u... u bent 't... Proctor? Proctor: En op tijd, zoals steeds... Thans strekt u zich rustig uit. Joost: Wat… gaat u doen, Proctor, met die glimmende… reflector...? Proctor: Een regenerator, zoals uw ras het stellig zou noemen. Een humanoïde type, alleen vier categorieën boven uw maximaal niveau. Het lost de aangetaste cellen en hun schadelijke producten op en spoort het lichaam aan tot regeneratie... Ik weet niet recht wat mij bracht tot deze inbreuk op de galactische classificatieregelen. In uw Terraanse taal bestaat er een woord, hoewel, zonder verstandelijke zin. Joost: U bedoelt... menselijkheid? Proctor: Een... atavisme..., wellicht. Joost: En... daarom wilt u dit voor mij doen? Proctor: Mogelijk. Hoewel het inmiddels reeds is geschied. Jaap: Het… het is al gebeurd? Els: En… u hebt ‘m helemaal niet aangeraakt. Proctor: Niettemin is het genezingsproces ingezet. Joost: Die... die koorts gaat weg... en, nou... het... het been zit er nog aan. Jaap: Daar had ik nou een... een voorgevoel van... dat ik... dat ik d’r af moest blijven. Dirk: Ja ja! Ja!! Nou wordt ie goed! Ha! Daarom liet je ’t zeker aan mij over, hè? Moet je dat horen! Jaap: Ja, goed, omdat jij nou eenmaal zo... zo... zo doldriftig bent, Dirk. Jij doet maar en jij... Dirk: Zeg, nou zal ik jou iets eventjes wat vertellen, hoor... Els: Toe Dirk, laat die arme Jaap nou maar praten. Jaap: Och ja, jongens, ik... ik... ik sta nog te bibberen op m’n benen. Lieve mensen, ik was nog liever naar die ijzeren feestneuzen daar op Mekanistreia teruggegaan, dat verzeker ik je. Joost: Ja, mannen, eh… wees nou even stil... Wat we voor alles willen weten, Proctor: de aarde, onze test, zegt u ons één ding: zijn we d’r door gekomen? Proctor: Uw aller aanwezigheid hier, captain, bewijst dat het antwoord bevestigend moet luiden. Ja, de Galaxie zal uw Terranen tijdig redden. Els: Oh! Proctor: U hebt niets meer te vrezen. Vermoedelijk echter wel te vragen. Joost: Gelukkig, ja. Ja, gelukkig... Eh... eh... te vragen. Ja, natuurlijk. Ja, ik weet niets van de anderen... Wat hebben jullie allemaal moeten doen? Dirk en Els, en... en jullie, Huub en Jaap? Jaap: Nou, die eh... die meneer Proctor had me wat heerlijks voor ons twee uitgedokterd, jongen. (lachje) Een hele cybernetische planeet. Nou ja, als Japie d’r niet geweest was... Huub: Zeg, wacht nou ‘ns even... Jaap: Hè? Huub: Vermoedelijk wordt het weer een schandelijk snoefverhaal van Jaap. Ik zal het wel meteen tot z’n ware proporties terugbrengen. Jaap: O ja, natuurlijk, volgens Huub is ’t allemaal niks geweest, nee. We zijn in brokken op een schaakplaneet naar beneden gekomen, we zijn bijna doodgevallen, daarna zijn we platgestampt, verdorst, doodgeschoten, lobotomie in onze transistors... O ja, o ja, nog een paar kleinigheidjes met robotten en een waarheidsmachine, ja. Maar ja, als Huub het gaat herleiden, nou ja, dan hadden we makkie, hè? Dat komt, dat jongetje is veel te bescheiden. Joost: (lacht) Veel eh... veel begrijp ik er niet van, Jaap. Huub: Ja... dat komt nog wel in orde, Joost. Dirk: Nou, voor ons is het trouwens ook moeilijk zomaar eh… één twee drie te vertellen wat we gedaan hebben. Els: Nou, haha! Huub: Moeilijk? Jij en Els waren al in het schip. Als ik het goed begrijp, hoefden jullie alleen maar linea recta naar het stuurdek te wandelen. Dirk: Hè ja! Natuurlijk!! Ja, ja. Els: Hè ja, zeg! Dat is helemaal niet waar, hoor! Jaap: Wandelen! Wandelen! Ja zo, Joost, wandelen in het schip zo groot als Rotterdam, compleet met een metro en al. Els: Nou! Jaap: Zeg, en... en… en weet je wat ze onderweg hebben gedaan? Joost: Huh! Ik kan het haast wel raden. Jaap: (lacht) Niks dan ruzie gemaakt. Huub, waar of niet, Huub? Huub: Ja, in essentie wel. Dirk: Zeg zeg zeg, wacht ‘ns eventjes, wacht ‘ns even... Els: Dirk en ik ruzie? Zeg, kom nou! Huub: Ontegenzeggelijk is een deel van Jaaps bewering juist. Dirk: Jij kletst uit je nek, jij! Els: Bovendien kon dat niet, want ik heb ‘m altijd gelijk gegeven. Dirk: Wat zei jij? Wat zei jij? Heb je me altijd gelijk gegeven? Zeg, maak het nou even! Jij dreef altijd je zin door! Daarvan al die beroerdigheid waarin we terecht gekomen zijn! Els: Nou wordt ie goed! En wie moest die gevaarlijke tunnel in, waar we bijna door dat konvooi zijn overreden? Dirk: Daar heb jij niks tegen gezegd! Els: O, dat heb ik wel gezegd. Dirk: Dat is niet... Els: Wel! Wel waar! Dirk: Da’s niet waar, het is niet waar, absoluut niet! (gelach) Huub: Quod erat demonstrandum, Joost. Dat schip waar ze in rondliepen, werd bestuurd door een robotbrein dat hun beiden wilde “inbouwen”, en op het kritieke ogenblik, zelfs toen kregen die twee nog twist.. Jaap: Twist! Els: Nou ze! Jaap: Twist noem je dat. Twist! (lacht) Zeg, je raad nooit, Joost, je word op slag beter als je ’t hoort: toen mikte Els het hele wapen en al naar Dirk z’n kop... Juist juist juist, stil nou, stil nou... Ja, maar natuurlijk miste ze, nietwaar, nou en eh… dat zware ding kwam kletter terecht tegen de hersens van het robotbrein... Nou ja, kat in ‘t bakkie! Dirk: Nee nee nee, ze heeft me niks naar m’n hoofd gegooid, da’s helemaal niet waar. Els: Ah, natuurlijk niet. Ach lieve Dirk, stel je voor! Dirk: Ach, die Jaap, die Jaap die kletst ook maar wat... Jaap: Ah, wat kletst nou? Wat wou je dan? Zo is het immers toch veel leuker, jongens. Wat hebben we nou aan dat stoere gedoe? (lachje) Nou ja, Joost, luister ‘ns even: het komt erop neer dat we ‘t samen verrekte goed hebben gedaan. Later krijg je alles te horen. Rapport van je bemanning, hè? Joost: Eh... en... en feitelijk is nu de beurt aan mij, hè, om jullie te vertel... Alleen, dat is geen prettig verhaal. Dirk: Nee nee nee nee nee, je hoeft ons niks te zeggen. We hadden immers een soort eh... kristal, waardoor we van elkaar konden zien wat we deden... Onze test (lachje) was een aardigheidje bij die van jou vergeleken. Els: O. Joost, die laatste trapjes van die touwladder die je opklom! Dirk heeft me m’n hand zowat fijn geknepen, eerlijk. Dirk: Wat zeg je? Hoe kom jij daar nou bij? Ja, ‘k zal een beetje jouw hand gaan vasthouden. Jij klampte je aan mij vast! (Els sputtert tegen) Jaap: Hé hé hé, jongens, begin nou weer niet opnieuw, kom nou, kom nou. Joost: Ik geloof, Proctor, dat u een zonderlinge indruk van ons zult behouden. Proctor: De waarheid, captain, is dat hoe meer ik bij dit rechtstreeks contact met u, Terranen. u beschouw, des te meer ik besef dat uw ietwat onbegrijpelijke omgangsvormen in wezen een frisheid bezitten die in de Galaxie nauwelijks nog wordt aangetroffen. Dat uw onenigheid een... vorm van... sympathie kan uitdrukken. Joost: Dan zult u misschien zelfs begrijpen waarom juist mijn persoonlijke vriend Dirk het op zich nam mij te eh... amputeren. Dirk: Maar... ik heb het niet eens gedaan, Joost. Proctor: Niettemin heb ik het feit rechtstreeks aan de Galactische Raad doen rapporteren. Dirk: Gerapporteerd? Waarom? Proctor: Als vriendschap onder Terranen reeds een dergelijke daad kan stellen, waartoe moet dan hun woede in staat zijn? Uw ras, onaanzienlijk gecamoufleerd als B/5, blijkt in feite één van de meest vitale rassen van de Galaxie. Ja, en dit brengt mij op iets anders: de rusteloosheid van uw ras, uw conflicten, oorlogen, hebt u d’r ooit de oorzaak hiervan overwogen?? Joost: Ja, Proctor, velen hebben over het vraagstuk nagedacht, maar het niet opgelost. Proctor: Het is eenvoudig: uw stelsel, in één der spiraalarmen aan de rand van dit sterrenheelal, was te lang geïsoleerd. U had reeds lang geleden moeten zijn opgenomen in de Federatie, in uw werkelijke capaciteit: de ruimtevaart, communicatie, teleportatiesystemen en verkenning van nieuwe werelden. Maar alsnog zal dit nu geschieden. Ja, en dan... van het algemene naar het persoonlijke. U bent weer redelijk ter been, Captain Ros, en in dit verband: er was een bijkomende reden waarom ik uw been voor u behield. Immers de schepen van de Galaxie, Ros, hebben zoals u merkt kunstmatige graviteit. Joost: Wat bedoelt u daarmee? Proctor: Anders dan in uw primitieve ruimtescheepjes zijn de gezagvoerders dus aangewezen op het gebruik van beide onderste ledematen. Joost: De gezagvoerders van uw schepen? Proctor: Derhalve ook... toekomstige gezagvoerders. Joost: U bedoelt... dat ik... op zo’n schip...! Ja, maar ik... ik... ik weet niets... U hebt ‘ns via die robotcoördinator gezegd dat aan de universiteit waar u college liep, Proctor, wij ons toelatingsexamen nog zouden moeten doen. Proctor: Maar ik vertelde u niet over onze somnische leercerebristor. Met mijzelf als uw geadopteerde leermeester zou het u als B/10 niet zo zwaar vallen. Joost: Ja!... Dan eh... Ja, ik zou niets liever... Ja... maar Proctor! Mijn mannen! Dirk: Wij blijven toch zeker bij je? Proctor: Ik hoopte reeds dat u dit zo zou opvatten, Dirk, want het wordt mij steeds meer een genoegen onder ulieden te verkeren. Jaap: Nou, als we bij elkaar kunnen blijven, wordt dat genoegen vast wederzijds. Huub: Ja, maar nu onze mensen op aarde...? Als het waar is wat u stelt, heer Proctor, dat deze ruimtevaart door de Galaxie hun ware bestemming is, dan moeten zij, logisch, ook niets liever willen. Joost: Ja, maar eh... ja, daartegenover, Proctor: onze Terranen zijn gehecht aan hun milieu, hun dorpen, steden, landschappen... Hoe kunnen ze in die paar maanden die d’r nog overblijven d’r op worden voorbereid de aarde te moeten verlaten? Els: Ja, ze weten nog nergens van. Dirk: Had ik m’n communicator maar hier. Proctor: In de Galaxie kennen we, heer Dirk, teleportatie van berichten. Dirk: Teleportatie? Van geluidsenergie? Daar ben ik al ’s op gekomen, maar da’s niet praktisch, Proctor: te veel tussenstations! Proctor: Dat ben ik volkomen met u eens, Dirk. Dirk: Bovendien heeft de aarde voor zo’n ontvangst geen apparatuur! Joost: Ja, hoe kunnen we onze aarde dan bereiken, de basis berichten? Proctor: Daarin had ik reeds lang geleden voorzien, vrienden. Met enige moeite, heer Dirk, zult ge dit nogal uitgebreide apparaat in grondvorm moeten herkennen. Dirk: Dat instrument? ‘t Is een... ‘t is een reusachtige communicator! Ja, maar... maar die schalen, die… die aflezing, die... die lijken op... Proctor: Het is uw sub-etherset. Ik liet er een galactische uitvoering van construeren en installeren in mijn inspectieschip. Dirk: Mijn installatie! Proctor: De beste technico’s van de Galaxie stonden voor een raadsel, gelooft u mij! Ze zal carrières en reputaties breken, de federatieve organisatievormen in de toekomst veranderen. En dit is dan nog slechts één van uw Terraanse uitvindingen. Uw desintegrator is nog radicaler! En wat zal er geschieden wanneer ik uw ras in de Federatie ga inpassen? Joost: U voltooit uw zin niet, Proctor. Proctor: (Wie had dit alles kunnen voorzien, vermoeden? Tja, behalve wellicht één oude man, de grote adviseur. Maar hij is tenslotte mijn meerdere, zelfs bij drie volle categorieën.) Ja, hoe het zij, Captain Ros, de test Terra is geëindigd, maar een groot project, het project Terra, gaat beginnen! Joost: We kunnen dus verbinding maken met de aarde, Proctor? En hoeveel tijd resteert nog om de aarde te evacueren? Proctor: 1546 chroniklos, captain. Uw aardse tijdmaat: omstreeks zes maanden. Dirk: Ja, maar... ja, maar, Proctor, dan... dan is het toch al te laat! Drie miljard mensen die moeten worden voorbereid, die van niks weten, behalve een… een handjevol mensen die ons hebben gestuurd om in de ringen van Saturnus hulp te gaan halen. Proctor: Het vervoer? Ja... Hoe groot was, Dirk, naar uw mening dat Ypsilon-schip waarin u en dit meisje Els werden getest? Dirk: Hoe groot? Ik schat, met dat konvooi... een hele trein door een schip... nou eh… tien kilometer. Meer?? Proctor: In uw metrieke stelsel uitgedrukt 15,6 kilometer lang. Dirk: Wat? Els: 15,6 kilometer... Proctor: Welnu, dit schip is in de parallelwereld bekend als het Ypsilon-scheepje. Els: Scheepje... Proctor: Begint het u al te dagen, Dirk? Dirk: Ja ja. U meent dat er nog... nog groter schepen zijn? Proctor: Als u deze kamer, welk u ongetwijfeld voor een zaal hebt gehouden, zou verlaten voor een rondreis te voet door mijn schip, raad ik u aan flink door te stappen zonder rust te nemen. Dan zien wij u over… dertien uur terug. (verbazing) Els: Dertien! Huub: Dertien uur à vijf per uur. De lengteas van dit schip bedraagt tweeëndertig en een halve kilometer? Proctor: Reguliere klasse. Els: Nee! Proctor: Daarboven de semizware klasse, de zware, en de superklasse. De Galactische Raad beschikt in deze superklasse over een vloot van 57 heteroriximinos. Ik bedoel, tienduizend stuks. Elk van deze schepen meet honderd kilometer lengte. (verbazing) Gelooft u mij, we hebben groter werelden dan de uwe in minder tijd moeten ontruimen. Overigens zijn deze schepen thans op weg naar Terra. Jaap: Ze zijn op weg naar Terra? Dirk: Ma... wanneer komen ze aan? Els: Maar Proctor, de mensen schrikken zich dood! Ze weten van niets! Huub: Ze weten zelfs niet beter of het was een... een reclamecampagne of zoiets. Els: Ja! Proctor: Naar het schijnt kon slechts een kosmische catastrofe dit zinloos instituut enig nut doen afwerpen... Die reclame paste aanvankelijk in mijn plan. Tijdens het eerste deel van uw test diende u niet te weten dat u getest werd, maar daarna leek het mij nuttig de aarde rechtstreeks en algemeen te gaan voorlichten. Joost: U hebt zelf de aarde voorgelicht! Proctor: Volledig! Er was enige tegenwerking. Sommige van uw regeerders meenden ten onrechte dat zij de enige volwassen op Terra waren. Maar de Galactische beeldzenders discussiëren niet. Joost: De hele wereld heeft ons dus gezien!? Proctor: En gehoord! Ik verzeker u, uw programma was het enige dat nog bekeken en beluisterd werd. Uw zogenaamde nieuwsberichten, ja, ten slotte sport, verloren elke attractie. Joost: Maar... maar dan... dan weet men ook... hoe het afgelopen is! Proctor: Ja! Zelfs hoe wij hier bijeen zijn. Dirk: Dus... dus… al die... al die lichtjes, die lichtjes die daarstraks zaten te wenken, op dat tableau... Proctor: De aarde!... Het wordt tijd eindelijk de verbinding te openen. Daarstraks heb ik, om spraakverwarring tegen te gaan, van alle seinende aardse zenders één uitgeselecteerd. (applaus in de zaal) Dirk: Gloeiende Horvath!! Daar komt een hele zaal op het scherm! Jaap: Zitten we net effe uit te blazen van het redden van de aarde, wat komt er uit de subether vliegen? Vast weer een forum! Huub: Ik ben bang iets veel ergers, Jaap: redevoeringen!
Van Meeteren: Veyerlingh... Veyerlingh! U moet ons helpen! Veyerlingh: Van waaruit spreek je, Van Meeteren? Van Meeteren: Vanuit de studio R.C.O.O. In het grote zaal rond het solidopodium zitten twee en een half duizend mensen opgepakt. Er is dit gebeurd: zodra de verbinding naar dat Galactische schip werd geopend, probeerden alle aardzenders tegelijk boodschappen te seinen. Daarom heeft die Proctor de zendstraal van zijn installatie versmald en op ons land geconcentreerd. Wij hebben de alleenverbinding. Dus zijn alle kopstukken hierheen gestroomd: enthousiaste industrieleiders, ingenieurs, astronomen, ambassadeurs van de USA, van de Sovjetunie, ja van wel twintig regeringen staan erop redevoeringen te gaan houden tegen die bemanning. Hoe kunnen wij hier dit beletten? Ja, u bent de enige die hiertegen wat kunt doen? Veyerlingh: Nou ja, ik zie uw dilemma. Ja... vooral nu had ik eh... zoals ik totnogtoe steeds heb gedaan... achter de schermen willen blijven, vanuit de stilte van mijn studeerkamer toezien, maar... Van Meeteren: Die lawine van speeches moet die mensen worden bespaard. Zeker nu! Ze hebben te veel doorgemaakt. Veyerlingh: Goed. Luister. Als de naaste bloedverwanten met de bemanning hebben gesproken, neemt u het woord. U zult uw dochter Els ook wel iets te zeggen hebben. En dan laat u mijn privé-lijn in de uitzending schakelen.
kwizbaas: O ja. En als het nog toelaat, jongens, voor iemand een standbeeld hier op aarde op te richten, dan zou het voor jullie zijn. Ja en ook voor Elsje! Maar wel heb ik hier een lijst van vooraanstaande personen, afgevaardigden van hun regeringen, die voor u dit monument van dankbaarheid mondeling zullen... O pardon, eh… ingenieur Van Meeteren, wilt u nog spreken? Van Meeteren: Ja, niet als vooraanstaand persoon, maar als vader van een bemanningslid. kwizbaas: Pardon, natuurlijk, gaat uw gang. (applaus) Van Meeteren: En daar is dus eindelijk die dochter van me. Zo, Els! Kom ‘ns wat dichter bij die bolcamera, hè. Els: Eh... ja, vadertje. En eh... u bent toch niet meer boos op me, hè, of eh... mama? Van Meeteren: Nee, nee nee nee. Wel, jij bent sindsdien opgegroeid? Els: Ik eh... ik denk van wel... Alleen, al... al die mensen! Van Meeteren: Ach, wie heeft er nog een privé-leven op de aarde, dochter? Al die mensen hebben jou toch ook door dat schip gevolgd met eh... Dirk, mm? Els: Maar we hebben ons toch goed gedragen. (gelach in de zaal) Van Meeteren: Sommigen vonden dat je je kans wel hebt laten voorbijgaan, of heb je nu eindelijk je keus bepaald tussen al je aanbidders? Els: Vadertje, je kunt me toch niet zo... zo gaan staan uithuwelijken! Ik... ik... ik weet gewoon niet waar ik heen kijken moet. Van Meeteren: Nou, waarom zit je dan al die tijd te kijken naar wat jouw Dirk ervan zegt. Dirk: Eh… meneer Van Meeteren... meneer Van Meeteren, ik wil me d’r niet mee moeien, maar al is ‘t uw eigen dochter, dan hebt u nog niet het recht d’r voor iedereen voor gek te zetten. Ze kan ‘t heus wel alleen af. Els: O, je bedoelt dat ik mezelf voor gek zet! O, zeg ‘ns, m’n vader alleen is al erg genoeg, en nou begin jij ook al. Dirk: Ik begin helemaal niet, ‘k probeer je te helpen. Els: Ja! Van de wal in de sloot. (gelach in de zaal) Dirk: Nee nee nee! ‘t Gaat jullie niks aan! Als wij ruzie willen maken, is dat onze zaak. Els: Goed zo, Dirk! En we zullen net zoveel ruzie maken als we d’r zelf zin in hebben. Dirk: Ja! Els: En dan zullen we het wel ergens anders gaan doen. Kom mee, Dirk, gaan we naar hiernaast om “ruzie te maken.” Als je ‘t nog wilt?! Dirk: Mm! (applaus) Proctor: Moment, jongelieden, voor u zich door deze deur onvindbaar maakt, of voor uw uitstekende stemming weer ‘ns omslaat. Dirk: Onze stemming? Els: Dat hoort zo bij ons, lieve Proctor. Proctor: Goed, goed, jongedame. Ja, kijk, hij is wel niet van u... Els: Wat! Hij is niet van mij? Proctor: Ja, ik bedoel, juffrouw Els, exact gezegd, dit... Rechtens heeft de heer Jaap aanspraak... Jaap: Wat heb ik nou aan m’n robo hangen? Proctor: Kortom, ik wil ‘m gaarne van u of van de heer Jaap overnemen, als... als een memo. Een klein aandenken. Dirk: Maar meneer de Proctor! Els: Dirk als aandenken! Proctor: Dirk van u afnemen? Nee, meisje Els, daartoe zou de macht van zelfs de gehele Galaxie te kort schieten. Trouwens, ik spreek ik het geheel niet over uw Dirk... Els: Ja, maar... maar wie wilt u dan over… overnemen? Proctor: Slechts dat aardige, kleine, geelkleurige wezentje op uw schouder, dat vliegt, dat piept en zingt, het heet... Els: O, lieve Proctor... Proctor: Het heet vogel, of kanarie, of kortweg: Toeteltje. (applaus)
Van Meeteren: Vrienden en aanwezigen. Nu dit probleem, mag ik wel zeggen, tot mijn vaderlijke geruststelling eindelijk tot een oplossing is gebracht, zou ik graag als hoofdingenieur van de basis het woord vragen. Maar, dat wil elk van u eveneens, en met evenveel recht. Om het moeilijkste te ondernemen dat er bestaat, een dank uit te spreken, zo diep dat die in geen enkele taal onder woorden kan worden gebracht. Om u dit alles te besparen, stel ik voor deze taak gemeenschappelijk op te dragen aan één enkel man die vanuit het verborgene mede de ziel van deze hele bovenmenselijke onderneming is geweest: zijn excellentie, Prof. Mr. Dr. Veyerlingh, minister-president. Veyerlingh: Testbemanning, vrienden. Nu ons verblijf op deze kleine aarde spoedig een gelukkig en hoopvol einde zal nemen, heeft het voor mij niet veel zin meer hier minister-president te zijn. Toch ben ik op dit ogenblik dankbaar dat ik het ben, om namens alle volkeren hier op Terra onze bewondering te kunnen uitspreken voor de bovenmenselijke prestaties die u als testbemanning hebt geleverd. Door uw opoffering en moed wordt het Terraanse ras van vernietiging gespaard en een nieuwe bestemming geboden. Onze zwaarste beproevingen zijn voorbij. Echter uw moeilijkste test gaat nog komen. Gij, Captain Ros, Huub, Dirk en Jaap, zullen namelijk de dank moeten torsen van niet minder dan drie miljard stervelingen, van ons hele Terraanse ras. Namens ons allen mag ik hier de hoop uitspreken dat u ook deze test glansrijk zult doorstaan! (applaus) ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (5/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te Utrecht op 12/07/1938 [3] nog geen gegevens [4] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [5] geboren te Lisse op 13/11/1915; overleden op 23/01/1991(Code TIN: 1351) [6] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [7] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [8] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [9] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [10] geboren te Amsterdam op 27/04/1884; overleden te Amersfoort op 04/05/1971 (Code TIN: 3871) [11] geboren te Amsterdam op 24/01/1903; overleden te Overpelt (België) op 04/09/1981 (Code TIN: 659) [12] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515) [13] geboren te Utrecht op 17/12/1925 (Code TIN: 682)
|