TESTBEMANNING

DEEL 5: HET LOT VAN EEN VERSTEKELING

Carl Lans (1913)

uitzending: KRO, zondag 29/10/1961 (herhaling: woensdag 17/05/1989)

regie: Léon Povel ([1])

rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids]

- ir. Reitsema: Wam Heskes ([2])

- Gerda, secretaresse: Irene Poorter ([3])

- Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4])

- Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5])

- Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6])

- Huub, navigator: Frans Somers ([7])

- coördinator: Jo Nobel ([8])

- hoofdingenieur van Meeteren: Rob Geraerds ([9])

- mevrouw van Meeteren: Dogi Rugani ([10])

- Els van Meeteren: Nora Boerman ([11])

- Jolsen, aardcontrole: Johan Wolder ([12])

technische gegevens: 40'07" - 27,5 MB - mp3

 

Reitsema: Gerda, je hebt, toen je mijn secretaresse werd, een belofte van geheimhouding afgelegd. Wat je straks zult horen, valt onder die belofte. Ik weet namelijk nog niet wat ik vrij zal geven en wat niet.

Gerda: Het is mis met de Alpha?

Reitsema: Ja, Gerda. Ze kunnen nog steeds hun val langs de zon niet beginnen.

Gerda: Dus ze gaan nog, net als de aarde, in een baan rond de zon?

Reitsema: Ja, daargelaten dan een opwaartse sector van 30 graden noord. De bedoeling was die te wijzigen in een koers zuidwaarts, onder de zon door, en het zo uit te mikken dat de zon ze noordwaarts zou afbuigen onder een hoek van 16 graden, genoeg om later over de gevaarlijke asteroïdengordel heen te komen.

Gerda: Ja, de Alpha had natuurlijk niet recht toe recht aan kunnen vliegen.

Reitsema: Ik zal het straks, in het dictaat, nog wel uitwerken. Maar… nu de moeilijkheden. Door onopgehelderde oorzaak waren de boosters van de Alpha veel sterker dan berekend.

Gerda: Mm.

Reitsema: Maar de Alpha kwam toch naar verhouding niet zo hoog als wel had gekund. Da’s één.

Gerda: Mm.

Reitsema: En ten tweede, Gerda, na het verkrijgen van de ontsnappingssnelheid bleek dat de hoofdmotor één vol procent meer stuwstof had gebruikt dan toelaatbaar was.

Gerda: Maar dat mag toch niet, meneer Reitsema, want dan komen ze d’r nooit.

Reitsema: Ja... En daarna ontdekte de bemanning een helse machine, in de stuurautomaat van de navigator.

Gerda: Een wat?? Dus dan zijn die arme jongens...

Reitsema: Nee... Nee, ‘t is goed afgelopen. Nu zoeken ze nog naar de saboteur.

Gerda: Saboteur? Ik dacht... dacht dat dit iets was van vroeger.

Reitsema: Vandaar dus dat ze niet durfden manoeuvreren voor dat de oorzaak gevonden was.

Gerda: Die saboteur had ook aan de stuwstof geknoeid! Vandaar dat het gebruik ook niet klopte.

Reitsema: Nee, dat water was okay. Dat bleek wel uit de analyse.

Gerda: Mm.

Reitsema: Ze zaten dus met de kwestie van een noodlottig meerverbruik en aan de andere kant met die kwestie van een saboteur.

Gerda: Ja.

Reitsema: En toen hebben de ingenieurs van de basis Betje aan het werken gezet.

Gerda: Betje? Hebben ze daarvoor die enorme rekenmachine nodig gehad?

Reitsema: Ja, zij wel.

Gerda: Maar ‘t is toch duidelijk: als die boosterstart vertraging had en die hoofdmotor meer gebruikte, dan moest dat schip zwaarder zijn dan ze dachten. En zo’n bom komt niet alleen aanrollen, dus die saboteur kwam mee in de Alpha. En misschien kon die d’r niet ongemerkt meer uit.

Reitsema: Zo is het, Gerda. Hij moet erin zitten en met z’n eigen doodvonnis in z’n koveral. Zelfs al was hij onschuldig, dan nog moet ie overboord worden gezet. Loopt de scribiteur?

Gerda: Ja, meneer.

Reitsema: We zullen die saboteur voorlopig maar in het midden laten... Mooi. (schakelt in) “Er is thans, lezers, gegronde redenen te geloven dat, hoe onwaarschijnlijk ook, om niet te zeggen onmogelijk, zich aan boord van de Alpha een verstekeling bevindt. Uit berekeningen van Betje, zoals men op de basis de grote calculeur noemt, blijkt een gewichtvermeerdering van circa 60 kilogram...”

 

Joost: De saboteur... Aan boord, Van Meeteren? U zegt: aan boord?

Van Meeteren: Natuurlijk, Ros. Waar anders? Het gewichtsverschil is de enige verklaring. Hij is aan boord geslopen om die bom te plaatsen en heeft geen kans gezien er ongemerkt weer uit te komen. U hebt uw schip onvoldoende gecontroleerd en dat is voor uw verantwoording, Captain.

Joost: Mogelijk. Maar wat we nu nodig hebben is geen discussie, maar actie. Sluiten?

Van Meeteren: Goed. Maar wees voorzichtig Joost. Neem je tijd.

Joost: Tijd... Zo vliegen we steeds verder uit de koers.

Van Meeteren: Druppel in de oceaan. We moeten toch een nieuwe baan plotten. Wees voorzichtig. Sluiten. (schakelt uit)

Dirk: Een saboteur aan boord...? Wel, zo’n varken!

Jaap: We zullen die met onze kolenschoppen wel ‘ns effetjes opgraven.

Dirk: Ik draai ‘m z’n nek om, met m’n eigen handen.

Joost: Best, Dirk, maar dan toch niet met lege handen.

Huub: Ja, Joost heeft gelijk: deze saboteur kan gewapend zijn.

Jaap: Pikken wij een paar vlampistolen?

Dirk: Vooruit nou, vooruit nou, naar het woondek. Die dingen zijn toch naast luchtsluis bij de pakken en de luchtcilinders?

Joost: Stop nou ‘ns even, jullie. Voor we op jacht gaan, dan kunnen we toch beter even nadenken.

Jaap: Nadenken?

Joost: Ja, natuurlijk. We moeten d’r op rekenen dat die saboteur ook opzettelijk kan zijn meegegaan. Hij plaatste een bom, maar wij konden die ontdekken.

Jaap: Ja. Inderdaad, gelukkig.

Joost: Nou, voor dat geval moest ie zorgen dat ie de start overleefde om z’n karwei af te maken.

Jaap: Dat wil zeggen: ons.

Joost: Daarvoor moest ie de start overleven. We moeten dus zoeken naar een plaats waar een man horizontaal kan liggen. Ja.. .wie weet heeft ie een... een opblaasmatras meegenomen.

Huub: Ik dacht even aan de luchtsluis.

Jaap: Nee, nee, daar eh... daar kun je je niet in uitstrekken. Nee.

Joost: Nee, alleen liggend en ondersteund was die versnelling te harden. Ja... goed, op dit controledek waren we zelf. En het woondek biedt geen schuilplaats. Het gyrodek misschien?

Jaap: Het gyrodek? Nou ja... ruimte zat maar eh... geen schuilmogelijkheid. Ik denk aan zoiets als eh... een platte tank, hè, of eh... ja... eh...

coördinator: Bij eliminatie blijft slechts over het machinedek, en daar is de bewaarplaats voor gereedschappen. Er is dus ruimte.

Joost: Ja. De coördinator heeft gelijk: de enige schuilmogelijkheid is die bergplaats.

Dirk: Wacht ‘ns even! Tijdens dat verslag vóór de start, toen…

coördinator: U wilt zeggen, heer Dirk, dat ik nog op het punt stond die bergplaats te openen?

Dirk: Ik kreeg het op de monitor. Verdraaid jammer dat u zich bedacht...

Joost: In die bergplaats is dus ruimte. Nou, dan zullen we ’m onderzoeken. Volg me, zonder lawaai…. Naar het woondek!

Huub: Auuw. Ik stoot ‘n hoofd.

allen: Ssstt sssst sssst!

Joost: Eén voor één langs komen bij mij. De vlampistolen. Pak aan, Huub.

Huub: Ja, merci.

Joost: Dirk.

Dirk: Dank je.

Joost: Jaap.

Jaap: Mm.

Joost: Coördinator.

coördinator: Dank u.

Joost: Zo, en ikzelf. Nu gaan we ons verdelen. Jij Huub, terug naar het bovendek met je pistool... Je kunt nooit weten.

Huub: Mm. Heb ik nou daarvoor m’n hoofd gestoten?

Joost: Dan blijft u, coördinator, hier op het woondek. Dirk en Jaap…

Dirk & Jaap: Ja.

Joost: ...mee.

Jaap: Mee.

Joost: En jij, Jaap, blijf hier op het gyrodek.

Jaap: Ik pieker d’r niet over, ik blijf niet op het gyrodek.

Joost: Ja, ‘t zal toch moeten, kwestie van dekking.

Jaap: Nou, goed!

Joost: Kom, Dirk, geen geluid.

(snorrend geluid)

Dirk: Wat snort er zo, Joost?

Joost: De klimaatregelaar. Daar is die bergplaats. D’r naartoe. Je oor… Ertegen… Zo.

Dirk: Niks!

Joost: Wacht even, wacht even, tot dat gesnor stopt. Jawel… Er zit iets in die kist.

Dirk: Da’s verbeelding.

Joost: Nee nee nee. Luister goed.

Dirk: Ja..., ja, er ritselt wat!

Joost: Jij, achteruit, Dirk.

Dirk: Ja.

Joost: Dek mij met je pistool. Hou je aan die greep vast voor je schiet, anders ga je achterover

Dirk: Ja.

Joost: Ik clip het deksel los.

Dirk: Ja.

Joost: (maakt de clips los) Ja?... Nou! Kom d’r maar uit, jij!! Kom!... Wel... alle mensen!!

Dirk: Huh! Zit er dus toch niks in? Hè? Nou? Wat sta je daar nou? Kom mee nou, joh. Bij Kijenkivics! ‘t Is een griet! (lacht uitbundig)

Jaap: Hé... ben je niet lekker...? H... wat is er hier aan de hand? Hé?

coördinator: Een saboteuse of sabotrice, hoe moet het woord luiden?

Jaap: Wat? Wat? Wat zeg je?... Een meisje? O ja, zoiets kwamen we nou echt te kort.

Joost: Ze is bewusteloos. Al d’r haar slingert voor d’r gezicht.

Dirk: Ja. maar hoe heeft ze die enorme versnelling overleefd?

Jaap: Opblaasmatras meegebracht!

Joost: Ja, maar bij Brennschluss en dat plotselinge intreden van gewichtloosheid heeft die vering haar natuurlijk tegen de dekplaat gesmeten.

Huub: Hè, wat is hier te doen?

Jaap: Ja, nou eh…

Huub: Wat hebben jullie nou gevangen?

Jaap: Nou, wrijf je oogies maar uit, Huub. Eerst dat malheur met de brandstof, toen ellende met de bom, en nou... wat denk je? Een griet. Ha, wat kan ons nou nog gebeuren?

Huub: Is ze... is ze dood, Jaap?

Jaap: O, weet ik veel... Eens kijken. Nee... nou nee,’t lijkt me niet ernstig. Hier... dat haar ‘ns effe weg... Zo. Mm... flinke buil... Knap grietje, dat wel... Leuk smoeltje ook. Maar verdraaid als ik weet waar ik d’r eerder heb gezien.

Dirk: Zeg, Jaap?

Jaap: Ja?

Dirk: Dat... dat is toch... dat is toch...

Jaap: Wat nou? Wat nou?

Joost: Nou, kom. Pak d’r nou maar op.

Jaap: Ja... goed, daar gaat ie.

Dirk: Nee nee nee nee, laat mij maar, Jaap. Jij bent veel te onhandig.

Jaap: Moet jij hem horen... Ik onhandig! Kom, hè, prinses op de erwt. Hup!

Joost: Vaar d'r maar in ’t woondek, op één van de bedden.

Huub: Voorzichtig, Dirk.

Dirk: Nou nou, kijk jij zelf maar uit, hoor.

Huub: Ze heeft geen gewicht, maar wel massa.

Jaap: Ja, sloof jij je nou maar niet uit, Dirk, want ze is toch van d’r sokken.

 

Joost: Uitgerekend een verstekelinge! Coördinator, wat moet ik beginnen?

coördinator: Naar dit laatste ben ik zeer belangstellend, Captain Ros.

Joost: Ja, ik... ik weet werkelijk niet hoe ik het haar vertellen moet. Het is... het is een verschrikkelijke beslissing.

coördinator: En voor uw verantwoording, namelijk de verstekeling overboord te zetten.

Joost: Ja, tot de anderen is het nog niet doorgedrongen. Komt u mee naar boven?

coördinator: Pas op, Ros, u stoot uw hoofd. En u zult het straks bitter hard nodig hebben.

Joost: Zo iets. Ook dat nog.

 

coördinator: En ook nog de hoofdingenieur Van Meeteren.

Joost: Die? Die zal het makkelijk bekijken. “Het surplusgewicht is gevonden? Dumpen.”

coördinator: Normaal wel, maar in dit geval...

Joost: Wat bedoelt u?

Dirk: Joost! Joost!! Joost!

Joost: Ja.

Dirk: We weten wie ze is!

Jaap: Ja... Hou je vast, hou je vast: ‘t is de enige dochter van de hoofdingenieur, van Van Meeteren! Ja, weet je wel? Dat… dat knappe grietje dat toen het eerste schip heeft gedoopt.

Huub: Hé, ik dacht al dat ik ‘r kende. En we hebben haar toch ook al ergens anders gezien?

Joost: Ja! Nou weet ik het weer! We hebben haar gezien toen… toen onder het viaduct, met u, coördinator.

coördinator: Ze heeft in de stad Groningen bloedverwanten. Ik bracht haar weg.

Joost: Hoe oud is ze?

coördinator: Zeventien jaar.

Jaap: Mm… Mm. Die Van Meeteren, hè. Eerst stuurt ie showtelegrammen en nou z’n eigen glamourdochter. O, wacht, stil… stil... stil, ze komt bij.

Huub: Hoe is d’r pols, Jaap?

Jaap: Mm? O... niet eh... merkbaar vertraagd. Geen hersenschudding. Waarom?

Huub: Nou, dan kun je die pols net zo goed loslaten.

Jaap: He, he, o, pardon

Dirk: Joost! Joost, zal ik Van Meeteren oproepen?

Joost: Nee, wacht even, wacht even. Nu niet. Nog niet.

Dirk: Maar...

Jaap: Ik zou z’n gezicht wel ‘ns willen zien.

Joost: Ja, nu nog niet.

Dirk: Ik begrijp je niet. Hoezo?

Joost: Ik... ik moet nadenken. Ik moet nadenken, ik zoek een uitweg, en... ik zie ‘m niet.

Jaap: Joost, eh... Joost bedoelt dat eh...

Dirk: Dat... dat ze dat kind...

Jaap: Dat kind, ja...

Dirk: Joost!

Huub: Je bedoelt dat ze het schip uit moet? En wie moet het ‘r zeggen?

coördinator: En vooral, heren, wie zal het doen?

Jaap: Joost! Joost! Joost! Ze… ze komt bij... Wat... ja, wat… wat moeten we nou beginnen. Hè?

Els: Eh... hé... Wie heeft me vastgebonden? Waar ben ik? ’t Lijkt wel of ik… val… Ik eh... ik ken jullie ergens van. En u, u bent de coördinator, dokter... ja, dokter Thomson. En dit... dit is de Alpha! Ik ben in de Alpha!

coördinator: U had toch vroeger al eens dat plan, mejuffrouw Els.

Els: Ja... toen...

coördinator: Nu dus niet?

Els: Nee... En hoe kan ik nou toch hier zijn? De vorige keer was ik zo geschrokken. O, ik weet zeker... gisteravond ben ik er express voor... voor weggegaan naar Groningen.

coördinator: Dan zou u nu op twee plaatsen tegelijk moeten zijn, dat is niet plausibel. Wat is uw mening, Captain?

Els: O, u bent de Captain? Dan eh... dan heet u eh... Joost Ros. En eh... en hij, die... die lange die zo streng kijkt, dat…

Joost: Mijn marconist-elektronicus.

Els: U... u bent Dirk, ja... Die dat leuke ding heeft bedacht, iets van eh... een radio op grote afstand. Ja?

Joost: En daar is Huub.

Els: O, hoe maakt u het? En eh… u, u bent de navigator eh…

Huub: Ja... ja.

Els: Dan... dan moet u Jaap zijn.

Jaap: Nee, nee, hij niet, ik ben Jaap.

Els: O... o, wat een gek gezicht, jullie allemaal om mijn bed. Ik lijk toch echt niet op Doornroosje, Captain?

Jaap: Nee.

Els: Mm... wat kijken jullie ernstig. Mm, jullie zijn natuurlijk eh... boos. Maar ik eh... ik weet echt niet hoe het gekomen is. Ik... ik zal wel werken voor de kost. Ik eh... ik kan borden wassen en eten koken en bedden opmaken en... zelfs wat naaien en zo en…Of eh... hebben jullie misschien al een fixomaat aan boord?

Joost: Nee, een fixomaat hebben we niet.  Je weet natuurlijk heel goed hoe je hier bent binnengekomen.

Els: Nee, heus, ik weet het niet... Nou, goed, dan wilde ik graag het eerste meisje in de ruimte zijn. Waarom mogen jullie alleen dat zulk dingen? Nou, ik zou niet weten waarom. En daarom ben ik lekker meegegaan. Is ’t zo beter?

Joost: Jij moet wel volkomen knetter zijn.

Els: Gek, hè? Als ik maar wat verzin, dan ben ik knetter en als ik de waarheid vertel, geloof je me niet. En toch ben ik hier nog nooit binnen geweest.

Joost: Jij wist dus ook niets van die bergplaats in de machinekamer?

Els: Nee, echt niet!

Joost: Nee, meisjes weten nooit van iets. En dat die bergplaats mee in de luchtcirculatie was opgenomen, wist je ook niet. Anders was je nou al dood. De verbruikte lucht zou gewoon om je gezicht blijven hangen.

Els: O... ja...

Jaap: Juist.

Els: Gussie...

Joost: Bovendien nam je uit voorzorg een bed mee. Misschien een kwartier besteedde je om het keihard op te blazen. Allemaal uit voorzorg om de start te overleven. Afgezien van de moeite om door de bewaking heen te slippen.

Els: Ik… ik... ik weet het echt niet allemaal zo precies.

Jaap: Ja... eh... Joost, luister ‘ns... Misschien eh... is ze ’t vergeten. Weet je, die klap, hè, die klap tegen die dekplaat, die kan hard aangekomen zijn, niet waar.

Els: Ach, Captain Joost, wat doet het er nou toe? Ik... ik ben er... Och, ’t is… ‘t is gewoon fantastisch. Ja, en… en veel gezelliger voor jullie.

Jaap: Ja. (zucht)

Els: Het moet toch vreselijk saai zijn in je eentje op zo’n lange reis. En eh... en dan weet ik nog wat: de hele wereld wordt dubbel zo benieuwd naar onze reis, omdat ik erbij ben.

Joost: Als jij...

Els: Ja, als jullie zo niet om me heen dringen, dan kan ik ‘ns wat zien… Ooo! Wat knus, zeg! Ja, nog leuker dan op de trideo. Ja! Ja,  jullie me eerst ‘ns alles gezellig laten zien.

Joost: Wil je nu...

Jaap: ‘t Is waanzin!...

Els: Eentje is wel genoeg! Jullie hebben natuurlijk je... je plichten en zo, hè? En eh... Captain Joost... of zal ik maar ineens Joost zeggen?... Hè, weest u ‘ns lief, en bel papa op, anders wordt ie misschien ongerust waar ik zo lang blijf.

Jaap: Bel papa op...

Els: Wel, en als jij ... Jij bent toch Dirk, hè?

Dirk: Ja.

Els: …als jij me dan ‘ns rondleidt. Ja, kijk maar nou niet zo zwart. Zo erg is het toch immers niet?

Jaap: Ja, ik eh... (kucht) ik ben toch bang eh…, kleine meid, dat dat wel zo erg is.

Dirk: Jaap! Jaap! Hou jij je...

Jaap: Ja, nou ja, goed... hè. Tenslotte is ‘t een zaak voor Joost.

Joost: Ja, ik eh... ik zie geen uitweg.

Els: Ja, maar wat hebben jullie nou toch? Hè, zeg nou ‘ns wat.

coördinator: Om daarmee dan tenminste een begin te maken, jongedame: een tijd terug heb ik u eens aangeraden iets meer te lezen over het onderwerp. Dat hebt u dus niet gedaan.

Els: O, toch wel. In tijdschriften, en in ons schoolblad. En... en ik weet overal van. Van… van… van eten en drinken, en valnachtmerries. En ik begrijp heel best waarom jullie daar in één van die malle standen zweven in plaats van netjes op... op een stoel te zitten. En als ik niet door deze riem werd tegengehouden, dan eh... nou dan zweefde ik ook rond, op m’n hoofd of zo. O ja, en dat hier alles zo huiselijk d’r uitziet, dat is om het idee te houden dat de kamer gewoon rechtop staat. O... alles...

Joost: Jij weet niets. Nee, jij weet niets. Je komt hier zomaar binnen... Wat dacht je te vinden? Een poezennestje om je gezellig in rond te draaien en iedereen toe te lonken? Ja, ik zie het heus wel.

Els: Maar Captain!!

Joost: Terwijl je geen idee hebt van de catastrofe die je over je hoofd hebt gehaald! Onnozel wicht! Van de rakettechniek, daar had je over moeten lezen, de massa-ratio, de...

Els: Zeg, je hoeft niet zo te schreeuwen. Hoor ‘ns, die… die techniek en machientjes, dat… dat zijn jullie dingen, daarmee heb ik niks te maken.

Jaap: Mm?

Joost: Maar dat is een verschrikkelijke vergissing, Elsje. Zo heet je toch? Elsje?

Els: O, je bedoelt het eten en drinken en eh... en... en de lucht? O, dat. O, ja, maar ik eet heus niet zo veel, en... en ik heb gehoord dat de mensen in de ruimte maar... maar één derde nodig heeft per dag, en dat... eh... Staren jullie me daarom zo aan? Ach, daar vind je toch wel wat op? Jullie zijn zo reuze knap… Of eh... niet?

Joost: Elsje, het is veel erger dan je denkt, zo erg dat ik… dat ik niet weet hoe het je te zeggen.

Els: Maar wat bedoel je?

Joost: Je bent hier binnengedrongen, meisje...

Els: Niet met opzet!

Joost: ...nou goed dan, niet met opzet, maar je bent hier. Luister en val me niet in de rede. Een ruimteschip is een levensgevaarlijk ding voor z’n bemanning. Er is een ongehoorde kracht nodig om het van de grond te lichten, een kracht die de inzittenden bijna verplettert, en daarom moet de structuur zo stevig mogelijk zijn. Daartegenover, om die enorm zware constructie op te heffen wordt een enorme boel brandstof verbruikt, zoveel zelfs dat je later nauwelijks wat over hebt om naar je bestemming te manoeuvreren. Daarom moet die scheepsconstructie juist zo licht mogelijk zijn. Duidelijk?

Els: Ja, ik begrijp het. En zoiets is natuurlijk...

Joost: Ongerijmd, ja. Dat houdt in dat je, hoe je ook op het gewicht bezuinigt, eigenlijk nog bandstof te kort komt. En als we straks bij Saturnus geen stuwstof vinden, ijs in dit geval, dan... dan hebben we simpelweg een kaartje enkele reis.

Els: O... Nou, met mij d’r bij heb je vast geluk, dat heb ik altijd.

Joost: Het gewicht en de constructie van de Alpha is dus gereduceerd tot het minimum nodig om met de maximum brandstof er net te kunnen komen. Net!

Els: Nou, wat zet je dan een zwart gezicht?

Joost: (kucht) Tot dat gewicht, die massa behoren ook wij. Ons gewicht is erin meegecalculeerd, niet het jouwe.

Els: Oh...

Joost: Om op te stijgen en om jouw zestig kilo mee te nemen naar Saturnus is een hoeveelheid extra stuwstof nodig… die we niet hebben. In feite, Els, hebben we door jouw aanwezigheid bij de opstijging al bijna onze reserve verspeeld.

Els: Reserve?

Joost: Reserve aan stuwstof om te kunnen manoeuvreren in de ringen van Saturnus tot we geschikt ijs vinden.

Els: Nou ja... dat is natuurlijk lastig, maar... Ach, met een beetje geluk…

Joost: Met een beetje geluk kunnen we het nog halen, op één voorwaarde, namelijk dat vóór we verdere manoeuvres beginnen met de Alpha, dat extra verbruik eerst is verholpen.

Els: Maar... maar hoe kan dat nou? Ik... ik ben er nou eenmaal bij?

Joost: Daarom zal jij, Elsje, alleen jij het antwoord op die vraag kunnen geven. En moeten geven.

Els: (lacht)

Joost: Hou op met lachen, alsjeblieft!

Els: (lacht verder) Ik... ik moet jullie vertellen hoe je dat gewicht kwijt raakt? (lachje) En daarover zitten jullie te prakkiseren? D'r is niks aan: je zoekt gewoon wat rommel tot je zestig kilo bij elkaar hebt.  Nou, die gooi je d’r uit. Klaar!

Jaap: Joost! Joost! Zijn wij even een stelletje hengsten!

Dirk: Dat is de oplossing!

Els: Nou, zien jullie wel dat er altijd een vrouw nodig is als jullie mannen in de klem zitten?

Joost: Wat zouden we kunnen dumpen?

Els: Nou, nogal wiedes. Hier, al die ijzeren schuttingen rond de bedden. Mooi, en... en dan daar: die… die… die stoelen en...

Joost: En boven, de veerstoelen?

Els: Ja!

Joost: En het materiaal van de douchecel, en het handenwasapparaat?

Els: Ja! Nou, dan ben je d’r toch wel?

Joost: Ja, op een dikke vijftig kilo na.

Els: Dat alles weegt bij mekaar maar… maar tien kilo?

Jaap: Da’s waar ook.

Joost: Daarvoor, meisje, is het lichtste materiaal gebruikt dat er bestaat: Delta-aluminium. Het is tussen haakjes geen aluminium. De werkelijk zware stukken die zijn onmisbaar, anders stonden ze d’r niet.

Dirk: Joost! Zeg! Ik weet wat: we slopen die conventionele ontvanger die we bij ons hebben. En Huub z’n... en Huub z’n rekenmachine.

Huub: Ja, tenslotte: ‘t is eigenlijk maar een approximator. Voor exacte gegevens moeten we toch op aardcontrole terugvallen.

Joost: Nee.

Dirk: Nee, zeg je?

Joost: Dirk, ik heb je al gezegd waarom.

Dirk: Ja, als ver… als verzekering, maar... ik vind het driedubbel overgehaalde nonsens.

Joost: Hou je mond, Dirk! Luister: die conventionele set is geïnstalleerd op dringend advies van Dr. Hoving uit Leiden, Reams van Cambridge en nog een paar van die knapen. Op het gevaarlijkste punt van de reis, het passeren van de zon op de exact berekende afstand, wordt de sub-etherverbinding onbetrouwbaar. De distortievelden rond de zon krommen de ruimte dermate - lees je Einstein eindelijk ‘ns! - dat je signalen onbestuurbaar worden. Alleen met de lineaire conventionele set kunnen we volgens de theoretici verbinding houden met de aarde.

Dirk: Theoretici! Die zouden nog beweren dat...dat… dat een vis niet kan zwemmen.

Joost: In elk geval niet door een vat stroop.

Jaap: Da’s moeilijk, ja.

Dirk: Maar als het nou achteraf blijkt dat het toch kan. Nou? Wat dan?

Joost: Nee. Het risico is te groot. En hetzelfde geldt voor Huub z’n approximator, want als de beide communicators ons in de steek laten - en dat is ook mogelijk - is de approximator onze enige redding.

Huub: Ja, dat is misschien wel logisch, maar...

Joost: Het is een axioma. Die lui beneden hebben geen gram apparatuur ingebouwd die niet honderd procent nodig is. Of wou je de druk... de drukpakken dumpen? Of de drukpistolen, de zuurstofcilinders, de gyro’s, het inertievlak? Ga maar door! Ga maar door! Het kan gewoonweg niet. Bovendien, de set en de approximator zijn samen nog geen dertig kilo.

Huub: Dat helpt dus niet. Sorry. Alleen, ik zit te denken... Kom ‘ns even mee naar boven, Joost. Ik moet eerst wat uitrekenen. Boven.

Jaap: Zeg, wat zijn jullie van plan?

Huub: Ik weet het nog niet. Het hangt ervan af.

Els: Wat eh... wat geen ze eigenlijk daarboven doen? Nou, die Huub van jullie kijkt anders ook niet zo pienter...

Dirk: O, jij klein uilskuiken! Dat zelfs nou nog geen idee hebt waarom het hier gaat... Huub, hè, Huub, weet je, Huub heeft vier academische graden: scheikunde, astrofysica, mathematica en astronautica. En hij is de enige man, de enige man die jou misschien nog kan redden. Misschien. Voor we je vader moeten oproepen...

 

Van Meeteren: Een half uur, Jolsen, en nog niets. Wat houdt ze nu weer op? Zo lang hoeven ze toch niet naar die saboteur te zoeken, die botteriken? Toen ze op de grond stonden, ellende; toen ze opstegen, meer ellende; en nou zijn ze boven, nog meer ellende. (zoemer) Mm. Daar komen ze weer met nieuwe koersen! ’t Wordt hier onderhand een effectenbeurs... (schakelt in) Jij? Ja, maar ik heb je toch al gezegd...

vrouw van Van Meeteren: Henk, Henk! Ze kunnen Els nergens vinden! De terreinpolitie ook niet.

Van Meeteren: Ze zit in Groningen bij... Nou, laat me toch met rust!

vrouw van Van Meeteren: Nee nee , ik zei het je toch al: ze is er niet!

Van Meeteren: Nou dan, dan is er toch niks... Ja, maar... waar is ze dan?

vrouw van Van Meeteren: Els is niet bij Greta aangekomen.

Van Meeteren: Maar... ja , maar m‘n lieve kind, ze is toch niet van de wereld af gevallen?

vrouw van Van Meeteren: Ach, Henk, toe, asjeblieft, doe dan wat. Laat dat ding, laat dat schip! Dat is nou toch in de lucht.

Van Meeteren: Ja. verdorie, het is in de lucht en het is één stinkboel! En nou kom jij nog! Bel dan de recherche. Je hebt toch ook twee handen? Ik kan hier niet weg!

vrouw van Van Meeteren: Henk, bedenk 't toch: Els is pas zeventien.

Van Meeteren: Ik kan hier niet weg!! Het is onmogelijk. (schakelt uit) Jolsen, roep die Alpha op.

Jolsen: Zouden we nog niet even wachten? Ze hebben misschien hun handen vol aan die vent. Als ie er niet was, hadden we ‘t al dadelijk gehoord. ‘t Is me een job om iemand in de luchtsluis te douwen en pfft!...

Van Meeteren: Nah, schoft minder. De hoofdvraag is of ze Saturnus nog zullen halen, praktisch zonder hun reserve.

Jolsen: Ja, maar eh... kunnen ze niet eh... in een andere baan? Een langere, die niet zoveel energie...

 

Joost: O, dus dat wou je, Huub?

Huub: Ja, maar wacht nog even. Papier is zo geduldig. We zetten het eerst in een rekenmachine, al blijft het uiteindelijk een benadering. Daar hebben we het extra verbruik, nu de daarmee overeenkomstige baan... Zo... Zo... Zo. (machine calculeert) Hier is ie. Eens kijken. Ja. Ja! Ja, dat moet kunnen! Alleen, de reis gaat langer duren.

Joost: Nou ja, al is het maanden, maar we moeten haar redden. Je weet niet, Huub, wat het is om de hand te hebben in iemands dood.

Huub: Nee, tot dusver gelukkig niet.

Joost: Ik wel, Huub, ik wel. Toen ik 14 jaar was, toen... Ach, laat maar. Man, kom mee naar het woondek. Pas op, stoot je hoofd niet. Die rand van het luik is gemeen...

 

Jaap: Nou?

Dirk: Joost? Huub? Nou? Nou, zeg op!

Joost: Eureka!

Jaap: Ach!

Dirk: Hoe? Hoe? Hoe?

Huub: Eenvoudig: we halveren de baansnelheid rond de zon en gaan er wijd omheen. Parabool. Brandstofbesparing, minder snel, minder deceleratie, hooguit zeven maanden, acht, ik moet het nog met de aardcontrole opnemen.

Dirk: Prachtig!! Els? Meid?

Els: Nou, heb ik het niet gezegd? ‘t Is in orde gekomen.

coördinator: Op één kleinigheid na, jongedame.

Dirk: Ach, coördinator, u met uw kleinigheden.

Els: Die lost u dan maar op, gewoon.

coördinator: De reis is berekend op drie maanden heen, één maand verblijf, drie maanden terug. Is zeven maanden. De reis wordt nu zeventien maanden. Ik zou gaarne van u, meneer Ros, willen vernemen wat u gedurende die tien extra maanden denkt te eten. Maar stellig hebt u hier al aan gedacht. Of vergis ik mij?

Joost: Ja, ik eh... ik...

Jaap: Natuurlijk, de algen! De algen kunnen worden verwerkt tot... tot eetbare dingen, hè? Gistproducten... eh...  van alles. Hè?

coördinator: In dit geval een nog dringender vraag: als u de zuurstofalgen hebt opgesoupeerd, wat wilt u dan ademen? Koolzuur misschien?

Els: Ma… maar... maar meneer Thomson, laat… laat mij nou ‘ns wat zeggen.

coördinator: Straks alstublieft, jongedame. Het laatste woord is tenslotte aan u. Resumerend, heren: we hebben zestig kilo surplus aan boord, een substituut uitwerpen is niet mogelijk, een andere naderingskoers die berust op behoud van baansnelheid stuit op de tijdslimiet.

Els: Ja, maar... Ja, maar moet... Breng me dan maar in vredesnaam weer naar de aarde.

Joost: En dat gaat niet.

Els: Dat gaat niet? Maar meneer Ros, het… het moet gaan.

coördinator: Ja, ongelukkigerwijze mejuffrouw, verbruikt het afremmen van de val op aarde evenveel als het opstijgen. Die opstijging kostte ons, mede door uw gewicht, meer dan de helft van de voorraad stuwstof. Voor de afdaling naar de aarde is de stuwstof ontoereikend.

Els: Ja, maar... is er dan helemaal geen manier om... om... om die zestig kilo van mij kwijt te raken?

coördinator: Er is er een. Vertelt u het haar, Captain? Of ik? Of, Elsje Van Meeteren, kunt u die manier misschien zelf raden?

Els: U bedoelt?... Captain! Wat bedoelt ie?... Wat bedoelen... jullie?

Joost: Dirk?

Dirk: Mm. Moet ik...

Joost: Ga naar boven, roep aardcontrole op en zet ‘m op dit screen.

Dirk: O... O ja... Ja!

Els: Ik? Ik?... M’n vader, Captain Joost, hij mag dit niet weten. Dat... dat mag u ‘m niet aandoen!

Joost: U wou uw vader dus laten zoeken? Uw moeder? De politie? De hele aarde af? En u nooit meer vinden. Nou, bovendien verwacht ie toch bericht van mij over...

Dirk: Ja... hier komt van Meeteren.

Van Meeteren: Is alles voorbij, Ros? Hebt u ‘m gevonden?

Joost: Ja.

Van Meeteren: Man, je ziet asgrauw. Verzette ie zich, die saboteur?

Joost: Het is geen saboteur, het is...

Van Meeteren: Het is... Hebt je ‘m dan nog niet gedumpt? Luister Ros, wie of wat het is, het surplus gewicht moet eruit. Dit is een order, basta! Die man in de luchtsluis! D’r uit!

Joost: Het is niet alleen geen saboteur, Van Meeteren, het is ook geen man.

Van Meeteren: Geen... geen saboteur? Geen man...? Wat dan, in vredesnaam?

Joost: Een... een meisje.

Van Meeteren: Een meisje?

Joost: Een meisje dat naar Groningen zei te willen gaan, maar in plaats daarvan...

Van Meeteren: Naar... naar Groningen... Joost, Joost Ros, dat kan niet!

Joost: Ja, Van Meeteren, ja, het kan wel. En het is zo.

Van Meeteren: Het is zo... Els? Mijn dochter... Nee... nee, dat is niet waar! Ik geloof je niet! Leugenaar!

Els: Vader... vadertje... het eh... het is waar...

Van Meeteren: Els, m’n kind, wat heb je gedaan? Wat heb je gedaan?

Els: Ik... ik… ik wist het niet, vader, echt niet...

Van Meeteren: Maar kind!

Els: Ik... ik kan ‘t niet helpen... Ik heb toch niks... niks kwaads gedaan!

Van Meeteren: O, jij niet... Jij niet, m’n kind, maar die daar! Hij daar! Joost Ros, jij moordenaar! Je opdracht een uur voor de start het schip te controleren, die heb je niet uitgevoerd! Je hebt het niet gedaan! Jij bent verantwoordelijk! Jij! Jij alleen! Het is een kind. Ze wist niet wat ze deed, hoor je? Maar jij kent het risico dat een idioot zich in een schip zou kunnen verbergen, of een kind, dat kon jij weten. En nou, nou wil je machtiging, hé, jij... om m’n eigen kind uit de luchtsluis te zetten om je waardeloos leven te redden. Wel, je kunt doen wat je niet laten kan, maar het zal je geen geluk brengen, Joost Ros. Verrekken zul je, als een hond in het donker, hoor je, daar in het donker van het universum. Het kan me niet meer schelen! Niets kan me ooit meer schelen! Niks! Ik...

Dirk: Kom, kom mee, Els, toe

Els: Ja... Ja, hij mag me niet meer zien.

Dirk: Hier, geef me een hand.

Els: Ja... Dirk.

Joost: Als je klaar bent Van Meeteren - dat ben je toch? - dan zal ik jou ‘ns vertellen wat jij hebt gedaan. Jij, Van Meeteren, ja, jij, je hebt een kind opgevoed als een pop uit 1890! Jij, chemisch ingenieur, werktuigkundig ingenieur, raketingenieur, jij hebt de kop van je eigen dochter vol zaagsel gestopt, zodat ze niets wist van de risico’s van onze techniek. Je voedde haar op om op knoppen te drukken en aan schakelaars te draaien, om rolkaarten in robo’s te ponsen. Dat leerde je haar! Jij die beter had moeten weten. En wat maak je van mij? Een beul, een moordenaar, Van Meeteren. Ik heb m’n instrumenten gecontroleerd, alle checklijsten afgewerkt, jouw lijsten, maar daar stond jouw dochter niet op! En we hadden hier waarachtig al genoeg aan onze kop, ook zonder jouw dochter.

Van Meeteren: Jij!... Jij!... Jij!!...

Joost: Ik heb alles geprobeerd: substituut, afwerpmassa, andere baan, terugkeer… Ik zie geen uitweg, Van Meeteren, en daarom liet ik je oproepen.

Van Meeteren: Ik weet niks. Ik… ik… ik kan niet denken, beslist niet.

Joost: Het gaat om een mensenleven, man, probeer te denken.

Van Meeteren: Ja, hoe. En wat? Ik... ik zie geen uitweg. Maar ik bezweer je Ros, het komt op jouw geweten, op jouw geweten!

Joost: Jaap, zet ‘m af.

Van Meeteren: Ik bezweer je Ros, in godsnaam, vind er wat op. Vind er wat op!... (Jaap schakelt uit)

Joost: Er wat op vinden... (monoloog) “Vind er wat op, Joost Ros, vind er wat op, vind er wat op.”

coördinator: U dient nu een besluit te nemen, Captain. En dan zal iemand dat besluit moeten uitvoeren.

Joost: Ja, we... we moeten een besluit nemen.

Els: Het eh... het eh... hoeft niet meer, Captain Ros. Ik begrijp alles. Ik zal wel gaan, ik zal wel... ik zal wel gaan. Maar hoe moet die... hoe... hoe moet die open, die luchtsluis?

Jaap: Daar, dat… wiel...  L… linksom. (luchtsluis gaat open)

Joost: (monoloog) “Joost, vind er wat op, vind er wat op! De luchtsluis is open, ze gaat erin! Ze gaat er zelf in... De binnendeur begint zich te sluiten. Luister, Joost…”

Els: Ik kan het toch niet helpen. Zo heb ik het niet gewild. Zo niet! (luchtsluis dicht)

coördinator: Wie drukt er nu op de knop? Of wenst u nodeloos te wachten?

Jaap: We... Joost we… we kunnen niet wachten, Joost, dat... dat kunnen we dat kind niet aandoen.

Dirk: Maar... maar wat kunnen we doen?

coördinator: Het is een plotselinge dood, de buitendeur van de luchtsluis opent zich in het luchtledig. Welnu?

Joost: Alstublieft, coördinator!

coördinator: Ik wilde juist opmerken dat dit hele probleem slechts een kwestie is van water.

Huub: Water, coördinator, waar we niet kunnen aan komen.

Dirk: En dan te denken, Joost: op aarde, daar zijn tonnen, miljoenen, miljarden, triljoenen, triljoenen tonnen water. Een mens moet sterven hier, terwijl op... terwijl op aarde...

Jaap: Sorry, Joost... jij... eh... jij zult het moeten doen.

Joost: In vredesnaam, jullie, hou toch op. (monoloog) “Jouw verantwoordelijkheid. Joost. Alweer. Voor de tweede keer ben je verantwoordelijk voor een mensenleven, en weer kun je d’r niets aan doen.”

coördinator: Dus, Captain Ros, dan moet ik het tenslotte nog zijn die nu op de knop gaat drukken?

Dirk: U laat het, verstaat u. Het is onze zaak!

coördinator: Dit is exact juist, heer Dirk. En...

Dirk: (monoloog) “Laat me denken, laat me denken man. D’r was iets... Dat water op aarde... Ik... ik zag...

Huub: Als we ‘t maar hier naartoe konden krijgen.

Dirk: Ja, Huub, konden we ‘t maar.

Jaap: Konden zeg je, Dirk? Konden? Konden?

Joost: Mannen, stil! Wacht!... Een…

Jaap: Wat? Wat?

Joost: Een missiel!

Jaap: Wat zeg je?

Huub: Wat bedoel je?

Jaap: Een missiel! Ja natuurlijk, Joost, dat is het!

Huub: Een missiel, jongens, dat nakomt, dat nakomt en onze baan snijdt.

Dirk: Haal dan in ‘s hemelsnaam dat kind eruit!

Joost: Vooruit, omdraaien dat wiel! (luchtsluis open) Kom d’r uit!

Dirk: Kom dan nou, kom.

Els: O, waarom hebben jullie zo lang gewacht? Jullie hebben gewacht, en gewacht, en gewacht!

Dirk: Kom... kom kom kom... Kom nou maar... Kom nou.

Jaap: Ja, hier… hier, liefje... Hier, snuit je neus. Hè hè, de tranen zweven hier rond als een… kralensnoer.

Huub: In vrije val gaat dat zo.

Els: Zo... Zo... Nou... jullie meenden ‘t niet zo kwaad, dat wist ik wel.

Dirk: Joost!!

Joost: Hè? O, zit je boven, Dirk?

Dirk: Ja, natuurlijk, ik heb aardcontrole opgeroepen... Van Meeteren. Komt ie! (schakelt in)

Van Meeteren: Ros. Ros, ik weet dat ik onredelijk was. Ik kon niet anders. Is het... is het gebeurd?

Joost: D’r is nog niets gebeurd. U moet wat laten gebeuren.

Van Meeteren: Ik? Ze leeft dus nog, Els?

Els: Vadertje! O, vadertje, ze hebben er toch wat op gevonden, maar ik weet niet wat.

Joost: Ja, we hebben wat gevonden. Een missiel, met twintig ton water aan boord, in een interceptiebaan.

Van Meeteren: Dat... dat is het! Joost? Dat… dat is het, Joost... Joost, dit is de oplossing! Het kan! Het moet kunnen! Wie van jullie...

Joost: …heeft het bedacht? Allemaal, ieder een stukje. Ha, jullie hebben ons toch zelf uitgezocht, als team?

Van Meeteren: Als... als team... als...

Joost: Zeg, Van Meeteren, niet van je stokje gaan!

Van Meeteren: Alles...alles draait... even…

Joost: Even is al te lang, Van Meeteren, want u zult zelf voor dat missiel moeten zorgen.

Van Meeteren: Ik? O, mijn hemel. Hoe krijg ik dat voor elkaar? Hoe krijg ik...

Joost: Niet onze zaak, hoofdingenieur Van Meeteren, Dit is nu voor uw verantwoording.

٭٭٭

script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007)

h.cauwenberghe@chello.nl

Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.

 


[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762)

[2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831)

[3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936

[4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515)

[5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339)

[6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749)

[7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167)

[8] nog geen gegevens

[9] geboren te Amsterdam op 24/01/1903; overleden te Overpelt (België) op 04/09/1981 (Code TIN: 659)

[10] geboren te Amsterdam op 21/11/1898; overleden te Amsterdam op 19/01/1983 (Code TIN: 1169)

[11] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990

[12] geboren in 1922