|
TESTBEMANNING DEEL 7: SCHOT IN DE ALPHA Carl Lans (1913) uitzending: KRO, zondag 12/11/1961 (herhaling: woensdag 31/05/1989) regie: Léon Povel ([1]) rolverdeling: [afkondiging ontbreekt; wel in de Katholieke Radio- en Televisiegids] - ir. Reitsema: Wam Heskes ([2]) - Gerda: Irene Poorter ([3]) - Joost Ros, captain: Johan Walhain ([4]) - Dirk, elektronicus: Paul Deen ([5]) - Jaap, cyberneticus: Jan Borkus ([6]) - Huub, navigator: Frans Somers ([7]) - Els: Nora Boerman ([8]) - coördinator: Jo Nobel ([9]) technische gegevens: 31'16" - 21,5 MB - mp3
Gerda: Een maniak, meneer Reitsema? In de Alpha? Reitsema: Mm. Onder de bemanning, ja. De bom moet zijn geplaatst na het sluiten van de laadluiken, dus eh... Gerda: Maar... maar... waarom zou iemand zoiets doen? Hij gaat er dan toch zelf ook aan? Reitsema: Als er mensen zijn, Gerda, die hun leven wagen om zo’n onderneming te doen slagen, zijn er altijd fanatici die hun leven wagen om het te laten mislukken. Gerda: Maar een gek, dat hadden ze toch al veel eerder moeten merken! Ze zijn toch allemaal van tevoren gekeurd en… en onderzocht? Reitsema: Een maniak is geen gek! Hij heeft alleen ergens een kronkel en hij is uiterst sluw. Nee, die vinden ze niet zo gemakkelijk Gerda: Elsje kan het toch echt niet wezen. Reitsema: Elsje Van Meeteren? Nee. Zij is een gevaar van heel andere orde en minstens even erg... Gerda: (zucht) Ik begrijp er allemaal niks meer van. Ach, dat hele project heb ik eigenlijk al zo raar gevonden, al heb ik niks tegen u willen zeggen. Maar u zit zelf ook al een tijd in de zorg, en dat is niks voor u. Reitsema: Ik... ik zal je straks een paar dingen vertellen, Gerda, dan begrijp je misschien meer. Misschien ook waarom de regering mij heeft voorgesteld… Gerda: De regering? Die zit er dus toch achter? Reitsema: Ja. Ik zei eh… waarom de regering heeft voorgesteld de aandacht van de achtergronden af te leiden door de jongste, meer spectaculaire puzzels te publiceren. Gerda: U gaat dus nu wel praten over die bom en… en de saboteur. Reitsema: Juist. Draait de scribiteur? Gerda: Hij staat op dictaat. Reitsema: Goed. (schakelt in) “Tot grote ontsteltenis, lezers, is bekend geworden dat iemand in de Alpha na het sluiten van de laadluiken vóór de start heeft getracht een bom te plaatsen. De verschrikkelijke consequentie hiervan is dat zich onder de bemanningsleden iemand bevindt die niet is wat hij schijnt...”
Dirk: Ach, al dat gekronkel met woorden is kul, je reinste kul! coördinator: Toch, meneer Dirk, uit uw heftige emotie blijkt dat zelfs u zijt getroffen door de onaangename logica van de feiten. Dirk: Logica? Logica kun je draaien zoals je wilt. Joost: Ja, mannen, laten we hier niet direct in trappen, en laten we ‘t ‘ns kalm bekijken. Wat de… wat de coördinator zegt, heeft een schijn van logica, maar als de waarheid daagt, dan… dan vervliegt die schijn. Het onderling vertrouwen van ons team, dat is de kurk waarop wij drijven, en dat vertrouwen, dat is het belangrijkste, dat… dat moeten we behouden zolang het kan. coördinator: Maar kunt u elkaar nog vertrouwen, na dit? Eén van u is blijkbaar niet wat hij schijnt. Heer Huub zal stellig de logica hiervan beamen. Huub: Ik? Ja. Meest logisch zou zijn dat ikzelf die bom in m’n automaat had geplant, ik heb tenslotte het paneel zelf dichtgeschroefd. Maar juist op grond van deze redenering zou ik wel heel onlogisch handelen met zo’n ding in m’n eigen apparatuur te plaatsen. Dat moet toch iedereen wel inzien? coördinator: Zodat dit voor u, heer Huub, een motief vormt het toch te doen. Joost: Ja, zo komen we nergens. Misschien, Huub, misschien zat het ding d’r toch wel in voor je de stuurautomaat naliep. Huub: Als ik de dader was, zou ik dit natuurlijk graag beamen, maar het is apert onjuist. coördinator: Zegt u dan maar wiens werk dit wél was. Huub: ‘k Heb geen zin in het construeren van onbruikbare hypothesen. Els: Natuurlijk niet, Huub, van jou geloof ik het nooit. Dirk: Van ons soms dan wel? Staan Jaap en ik dan soms in het… in het verdomboekje? Joost: Ja, coördinator, het is ongelukkig dat we voor dit probleem geen oplossing hebben. En als we die onder ons vieren moeten gaan zoeken, dan… nou ja, dan houdt alles op. We zijn samen opgeleid, we kennen elkaar. Ja, Dirk, m’n radioman is wat zwartkijkerig en driftig, Jaap is een prettige vlotte jongen met een scherpe tong - sorry, Jaap - maar hij is door niets te verslaan, en Huub heeft te veel kennis en te weinig fantasie om zoiets in elkaar te zetten. En ikzelf, ik heb ook mijn zwakheden, maar… nou ja… ik hou gewoon te veel van mensen om ze werkelijk een maniakale haat te kunnen toedragen. Wij weten dit alles van elkaar, omdat we elkaar kennen. Samen zijn we door de ellendigste beproevingen en tests gegaan. Dan leer je elkaar wel kennen. coördinator: Kennen? Niemand van u kent zichzelf, hoe kunt u elkaar dan werkelijk kennen? Is het niet zo dat elk mens in zijn naaste slechts een gestalte ziet die hij hem zelf heeft gegeven. Wat u van elkaar kent, is louter de illusie die u zich van elkaar maakt. Joost: Als uw uitspraak waar is, coördinator, dan is ze tegelijk onvoorzichtig. Want wat weten we van u? Goed beschouwd, minder dan op een postzegel valt te schrijven. U betrekt u hiermede zelf in deze pijnlijke zaak. coördinator: Dit is exact juist, captain. Of u allen mij zo goed kent, doet er minder toe, meer dat ik u leer kennen. Het enige dat ik thans weet, is dat ieder van u het uiterste deed in deze Alpha te komen, naar ik hoopte met zuivere bedoelingen. Dirk: Ach, die man begint alles te verdraaien! Joost: Ja, Dirk, stop d’r mee! Gaat u verder, coördinator. coördinator: Dank u, captain. Want figuurlijk gesproken bent u in mijn schip. Jaap: Hallo! Dirk: Uw... Huub: Uw... Jaap: Meneer z’n schip! (schamper lachje) coördinator: Dat het werd gevonden, uitgerust en startte met u als levende getuigen, dankt u alleen aan mij. Ja, al merk ik van uw dank bijzonder weinig. Er waren enige kleine strubbelingen - u herinnert zich - waarbij ik u tactisch een weg naar de oplossing wees. Dirk: Opschepperij! Onzin! Wijzelf, coördinator, wijzelf hebben... heb... coördinator: Zelfs Dirk ziet in dat men ook kan helpen door anderen op een gedachte te laten komen. Joost: Maar dan zoudt u onze gedachten moeten kunnen lezen. coördinator: Niet lezen, Captain Ros, berekenen. En mocht u nog steeds twijfelen aan mijn oogmerken, vraagt u zich dan af wie het was, heren, die u op die gedenkwaardige dag van de noodlottige start van die eerste raket van de basis heeft weggemanoeuvreerd. Joost: Daar zat u achter? coördinator: Natuurlijk. Enkele medewerkers kon ik van mijn pessimisme... overtuigen... Jaap: Dus, al dat oponthoud onderweg hebben we aan u te danken? Dirk: U wist de hele tijd wat we deden? coördinator: Zelfs was ik op de hoogte van het postscriptum van de minister-president, captain, toegevoegd aan uw verzegelde orders waarin Dr. Veijerlingh u bezwoer dat het reclameproject als bescherming diende. Joost: Zo... Dus dat is de oplossing van al die raadsels. Els: En… Dr. Thomson heeft… heeft mij ook gered, diezelfde avond, toen ie me tegen m’n zin wegbracht. coördinator: Ja, naar Groningen. Ik was er namelijk niet zeker van dat de hoofdbunker de catastrofe zou overleven. Els: Ja, maar... maar waarom ik? D’r waren d’r zoveel die u had kunnen redden. coördinator: Laten we ’t toeval noemen, jongedame. Joost: Ik eh... het spijt me, coördinator, van die insinuatie. Mijn verontschuldigingen. coördinator: Het is niets, captain. Spijt... Men kan zelfs spijt gevoelen over dingen die men niet heeft bedreven. Joost: Wa... Waarom zegt u dit? Wat... bedoelt u daarmee? coördinator: Een wetenschappelijk feit. Verontschuldigt u zich derhalve niet, captain. Een andere vraag ligt u nog op de lippen. Joost: Ja, coördinator, ja, inderdaad. Eén ding: toen wij die avond voorbij het viaduct kwamen en geëxposeerd waren aan de komende ramp, was u het toen die mij tijdig terugriep? Onder dekking van het viaduct? coördinator: Ik heb mijn mond niet opengedaan. De jongedame Els kan dat bevestigen. Els: Ja! Ik stond zelf naast de coördinator. Joost: Nou ja, dan... dan is ‘t me een raadsel. Ik... ik geef het op. coördinator: Alleen, het raadsel in dit schip kunt u niet terzijde leggen. Ik adviseer u gedurende de slaapuren van nu af aan twéé wachten uit te zetten. De een let op de ander, de ander op de een.
Jaap: Nou, en wij twee maar de wacht houden. Mm? Dirk? Dirk: Mm. Jaap: Temper het licht ‘ns wat. Dirk: Waarvoor? Jaap: Mm? Voor het proxy-scherm. Wat anders? Dirk: Mm. Jaap: Grandioos, hè? Kijk ‘ns even. Het lijkt wel of je in de hele sterrenhemel kijkt. Dirk: Ja, tenslotte, sorry, Jaap… Jaap: Wat? Dirk: …maar iemand van ons moet het toch zijn. Jaap: Jij bent ook zo’n gevoelsmens, onbeleefd gezegd: een idioot. Dirk: Hè? Jaap: Ja, hier, kijk ‘ns boven je... Daar. Daar vergeet je je eigen belangrijkheid. Overigens, zie je het Dopplereffect van de zon? De angulaire snelheid van de staart komt op de graadverdeling goed overeen met onze acht graden helling. Dirk: Waar zijn we eigenlijk precies? Jaap: Dat zal ik je zo vertellen. Hier... Hier is Huub z’n tijdtafel. We vertrokken eh… woensdag 21 juni even voor twaalf uur, en toen hadden we alle narigheid achter de rug. Dirk: Je meent het! Jaap: Dat dachten we tenminste, maar niet heus. Enfin, toen zaten we... hiér: zes miljoen kilometer. Gisteren, zaterdag negen uur ‘s morgens, hebben we de baan van Venus gekruist, en nou zitten we… hiér. Dirk: Ja. Ja... dus nog 95 miljoen kilometer van het punt waar we langs de zon zwenken. Jaap: Mm. Dirk: Nou... ‘k ben benieuwd of m’n communicator het houdt. ‘t is nu op aarde… zondagnacht. Ja, zondagnacht, 0 uur. M’n ouwelui in Vlaardingen gaan vroeg naar bed. Alleen wij zitten hier. Jaap: De rest slaapt. Dirk: Ja… Ik maak me zorgen... Jaap: Ach man, laat dat gevalletje nou maar rusten. Dirk: Nee nee, ik meen Joost; hij eet niet, hij is steeds misselijk en hij voelt zich slap. En het wordt steeds erger. Jaap: Ja. Ruimteziekte, hè. Z’n maag kan er niet tegen, kan er niet aan wennen. En als ie slaapt, dan heeft ie eh… valnachtmerries. Dirk: Ja ja. Die eerste nacht had ik die ook. En het ergste is als je wakker wordt. Dan gaat zo’n nachtmerrie gewoon door. Jaap: Ik pieker me gewoon suf om er wat op te vinden. Gelukkig maakt Els zich wat verdienstelijk. Dirk: Ja ja. Je kan je ook te verdienstelijk maken. Jaap: Mm? Dirk: Ik moet toch ‘ns luisteren. Ja, da’s makkelijk, hè, (schakelt in) die… die mikes overal in het schip. Jaap: (lacht) Hoef je niet op je sokken de dekken rond te sluipen, mm? Dirk: Wat bedoel je? Jaap: Nou, stil nou maar. Hoor... (geluiden uit de luidspreker) Hij slaapt, Joost, en hij zit weer midden in z’n nachtmerries. Dirk: Ja, we moeten er iets op vinden. Ja, verdraaid, jij-jij-jij bent toch een soort pil. Jaap: Ja... een soort pil. Jammer genoeg een kwart of een achtste soort pil. Dirk: Bedenk dan wat! Jaap: O, gelukkig hier, daar heb je Els. Die is net als de coördinator: altijd daar waar ze nodig is. Dirk: Stil. Stil! Els: Joost! Joost Ros. Captain. Arme Joost... Ik ben het, Els! Jaap: Ja, kom, kom, zet dat nou maar af. Dirk: Nee... ik wil horen wat ze zegt. Jaap: Of wat ze zeggen. Dirk: Hè? Jaap: Mm. Je legt het er al te dik op, Dirkie. Zet af!! Dat kind is nou eenmaal verkikkerd op Joost, dus daar is... daar is helemaal niks aan te doen. Dirk: Dat zal jij weten. Jaap: Laten we maar ‘ns een goeie videoshow uitzoeken. Want over een paar dagen, dan kan het niet meer, hè. Dan bederft de hele zon onze hele lol. Dirk: Ah, naar Kijenkivics met ‘r... Goed, daar dan! (schakelt uit)
Els: Joost. Joost! Word wakker! Joost: O, ben jij het? Jij bent het... Elsje... waarom zit je naast me hier? In de elek... Els: Ik hoorde je roepen, Joost. En iemand moest toch iets doen? Joost: Maar je bent hier, Els, in de elektransporteur. Els: Hè Joost, toe... Hè Joost, luister... Je bent toch in de Alpha, Joost. Joost: We... we zijn bijna op de helling... De remmen zijn slecht… Die vroegere transporteurs deugden niet... Hoe... hoe kon ik het dan helpen? Daar gaan we... daar... daar in de diepte, daar is een bocht! Els: Stop dan, Joost. Je kunt 't als je maar wilt, ik ben toch bij je. Joost: Kijk... kijk-kijk-kijk, Els, daar beneden, daar is een chalet. Daar komt Louise, de transporteur kan nu niet ontwijken. We hebben 100, 120, 120, 150. Els: Joost, word wakker! Joost: Ik... ik ben wakker, Els, maar ‘k raak het niet kwijt. Hoor je ‘t niet? Ze weet dat ze overreden wordt, straks,... 180, 190, de bocht! Louise!! Louise!!! (heftige geluiden) Els: Nu is het voorbij. Joost: Het is... Het is nooit voorbij, nooit, het begint steeds, steeds weer opnieuw, opnieuw. En ik, ik kan het niet tegenhouden. Daar, daar komt het weer. Els: In vredesnaam, Joost, hier, ik ben het, met m’n armen om je heen, ik ben Louise, ik ben levend. Het geeft niet, Joost, als je maar wakker wordt. Joost: Hè? Hoh...! Gelukkig... Hoe... hoe heb je me wakker gekregen? Els: Merk je dat dan niet, Joost? Joost: O ja. Ja... Els: ‘k Moest je toch een beetje helpen... Joost: Dat rijden van die helling... (zucht) Het is iets verschrikkelijks. Opnieuw en opnieuw. Het hangt zeker samen met onze... onze vrije val, want... Ik heb dit nooit eerder gehad, die nachtmerrie. Ik... ik... ik voel het weer aankomen... Els: Nee... nee nee nee nee... stop, Joost, hou op, Jaap zegt ook dat je ’t van je af moet zetten. Zo... zoiets houdt niemand uit. Jij bent veel gevoeliger dan de anderen… Wie is dat meisje dat je hebt overreden? Joost: Ik? Nee, ikzelf niet, ik niet, Els, ik niet. Als jongen… heb ik het gezien. Els: Kende je haar? Hoe oud was dat meisje? Joost: Ik was veertien en zij tien. Ik kende haar, ja. Els: Tien? Een kind... Joost: Louise. Ik hielp haar wel ‘ns met d’r huiswerk. Ze werd overreden door zo’n grote elektransporteur, een tientonner. In Scheveningen. Ik stond erbij. En ‘t gebeurde op haar verjaardag. Els: Je was erbij? Op d’r verjaardag... O, wat zielig... Maar jij kon het toch niet helpen? Waarom droom je d’r dan zo ontzettend over? Joost: In nulwicht, hè, in nulwicht voel je alsof je valt. Je... je droom gebruikt dan... gebruikt dat gevoel om... om herinneringen in scène te zetten. En misschien komt het ook een beetje door jou, Els. Weet je, jij lijkt op haar, een beetje. Els: Ik? Oh... Joost: Met de gebeurtenissen mee te moeten, mee te moeten en niets d’r tegen te kunnen doen, zo is het hier ook. Ik zit hier in een metalen doos met raadsels, geheimen, bedreigingen en ik kan d’r niet uit. Ik moet de helling af. Ja, de helling af met tweehonderd kilometer per seconde, richting zon. We zitten hier met een misdadiger onder ons. Elk ogenblik kan er wat gebeuren, maar we moeten mee. (zucht) En jij, stommerik, jij, jij bent er zomaar in gekropen. Waarom in vredesnaam? Els: Dat... dat zeg ik liever niet. Niet tegen jou. Joost: Zeg, nu niet er vandoor gaan! Vertel. Els: Nee nee, laat me nou los! Joost: Ik hou je vast, Els, tot je ’t me zegt. Was het... om mij? Els: Stil nou toch, anders worden Huub of de coördinator nog wakker. Laat me nou gaan. Joost: Je blijft netjes hier. Zo. Huub snurkt als een os, geen zorg. En boven hebben ze een videoprogramma aan staan. En nou Els, de waarheid. Els: Arme Joost, de waarheid zal je dan wel teleurstellen. Erger vind ik dat je me niet zult geloven. Nou, ik eh... ik was in m’n eigen minirobo onderweg naar Groningen. Na die eerste keer was ik ontzettend bang geworden voor… voor… voor de start. Maar voor ik de basis af kwam, kon ik niet verder. Iets dwong me terug te gaan. Ik... ik was doodsbenauwd en toch moest ik terug. Ik wachtte op de nacht, nam m’n opblaasbed en ging naar blok 17. Ja, ik wist dat ze me zouden tegenhouden, maar de twee bewakers aan de binnenpoort die lieten me zomaar door. Eén van de twee die zei nog iets van “Nou, nog zo laat?”, alsof ze in plaats van mij iemand anders zagen. Ik begreep het niet, werkelijk niet, ‘t leek als in een droom... Ik klom over de trap door de openstaande vrachtluiken en ik ging recht naar die bergplaats! Joost: Die je dus nog nooit had gezien? Els: Eerlijk! Zo was het ook. Joost: Zo. En dat is dus je derde roman. De eerste: “Girl in Space”, nummer twee: “Een vrouw volgt haar hart”, en nou de derde: “Onverklaarbare impulsen”. O Elsje, Elsje, komt er nou nooit een eind aan je fantasie? Els: Eigen schuld, Joostje, als je een meisje bekentenissen wil afpersen. Ah, ik heb er gewoon hoofdpijn van gekregen. Ja, en het mooiste was nog die geheimzinnige stem. Ja, heus, een echte stem in m’n hoofd, een gebiedende stem die me zei wat ik doen moest. Tevreden? En als je d’r op staat, zal ik ze dat op het volgende forum vertellen. Ze zullen ‘t vast niet geloven. Joost: Vertellen? Dat zul je wel laten, hè. Versta je? Als je nou toch nonsens wilt ver... Wat zei je? Een stem? Els: Mm. Joost: In je hoofd? Els: Mm. Joost: Is dat de waarheid? Els! Ik maak geen grapje. Els: Het is de waarheid, lieve Joost, al klinkt het ongelooflijk. Joost: Ongelooflijk, ja. Voor iedereen, behalve voor mij. Weet je, Els, toevallig heb ik zelf ook zo’n stem gehoord, toen, bij dat viaduct. Er klonk een stem, binnen in m’n hoofd, en die stem zei dat ik terug moest... Els: Bij het viadu... O, dus daarom vroeg je de coördinator of… of hij jullie had geroepen. Joost: Om er zeker van te zijn dat ik me niet vergist had. Els? Els: Ja? Joost: Ik eh... ik heb het de anderen niet verteld en het is beter dat jij daar ook niet over praat. Els: Probeer nou maar te slapen, Joost. Joost: (lachje) Elk raadsel lost zich alleen maar op in weer een ander raadsel. Ik heb hoofdpijn, barstende koppijn.
Jaap: Opstaan! Opstaan! Hier is Japie, dames en heren, met aan de vleugel Dirk, in een gezamenlijk programma van de Verenigde Reclame- en Cultuur-Omroeporganisatie, met de ochtendgymnastiek. Even een kleine looppas, dames en heren, en naar het controledek, hup twee, hup twee, hup twee… Dirk: Hè, toe nou met je geintjes. Roep Joost. Jaap: Waarom van dat alarmerende, hè? De gymnastiek is al erg genoeg. Hup. À propos -?-, jongens, wie er de voorkeur aan geeft hier op het scherm iets raars te komen zien, die wordt vrijgesteld. Joost: Hè, Jaap, kun je nou nooit ‘ns ernstig zijn? Jaap: O ja, als in sciencefiction, Commander Ros, overhead sir; identified flying object. Ayay ayay.” Joost: Ah, joh, ik heb koppijn. Jaap: D’r is hier, in gewoon Hollands, ‘een wollekie aan de lucht’, Joost. Joost: Dat kan niet. Ik kom. Els: Huub. Zeg, Huub. Huub: Ja, wat is er, Els? Els: Een wolk aan de hemel, zegt Jaap. Daar moet ie ons voor wakker maken. (zucht) ‘k Heb toch al zo’n hoofdpijn. Het is pas één uur. Huub: Plus zestien minuten. Ja, hoofdpijn heb ik zelf ook, maar dat gebeurt wel meer als je ontijdig uit je... Een wolk? Aan onze hemel? Ik ga naar boven, jij kan wel weer gaan slapen. Els: O nee, ik neem eerst een kouwe douche. Ah, m’n hoofd zit vol watten en m'n oren zingen helemaal... Dirk: Goed dat je er bent, Joost. Kijk ‘ns daar op het scherm. Als ik het licht wat temper, zie je die blip beter. Joost: Laat dat licht maar zo. Dirk: Geloof je me soms niet, Joost? Joost: Jawel, Dirk, maar... Hé... je bedoelt dat daar? Wat vreemd. Huub, wat denk jij daarvan? Huub: ‘t Scherm staat op proxy, dus een reikwijdte van 300.000 km. Beeld wazig. Misschien een kleine gaswolk. Daarvoor had je ons eigenlijk niet hoeven te wekken. Jaap: Dirk stond erop. Hij eh... houdt zeker van wollekies. Joost: In het centrum van de Melkweg zijn d’r massa’s van. coördinator: Stellig. De Melkweg is een jonge spiraalnevel en deze lichtende gaswolken worden door de stralingsdruk van de hete sterren tegen de koude massa’s gestuwd. Zo vormen zich nog steeds jonge reuzesterren. Jaap: Hè ja. Nou een middernachtelijk college. coördinator: Ik wil slechts opmerken dat een waterstofwolk te ijl is om de Alpha te schaden. Huub: Ja, maar d’r is iets dat niet klopt. Ik moet er logisch kunnen komen... Ik heb zo’n dof en zwaar hoofd op ‘t ogenblik. Jaap: Die wolk, Huub, die was al vrij groot toen die binnen ons bereik kwam. Hij is niet als een punt verschenen. Huub: Ja ja ja... wacht nou ‘ns even... D’r is iets met de afstand mis. Wacht... We lopen zo hard, en toch... Projecteer de baan ‘ns, Dirk, met Dopplereffect graag. (schakelt in) Mooi. Drie punten, voldoende om de ellips te bepalen. ‘k Heb zo’n koppijn...! Joost: Koppijn? Mijn kop barst ook zowat. Hé, de projectie gaat door het zenit van ons scherm. Wij snijden dus zijn baan. Huub: Ja. Zoals de coördinator opmerkte: zo’n wolk is ijler dan ons beste vacuüm. Maar toch is er iets dat me niet aanstaat... Els: Joost... Joost, kom ‘ns... Joost: Wat is er, Els? Els: Kom nou alsjeblieft. Dirk: D’r is iets mis daar. Joost: Nou, kom mee, naar beneden. Jaap: Ach welnee. D’r haar zit natuurlijk vast in de ventilator. Wacht maar effe, ik ga wel effe kijken, hè. Hè, die meiden... (blijft doormopperen) Els: Ja, ik kan er niets aan doen, Jaap, heus niet... Kijk ‘ns. Jaap: Wat? O, nou ja, da’s jammer. Nou, het is hier okay hoor, jongens, we komen naar boven. Els: Hoe kan je dat nou zeggen, Jaap? Kijk nou toch ‘ns. Joost: En? Jaap: Nou eh… alles werkt, behalve de kanarie. Joost: Mm? Els: Toeteltje... Hij is... dood, kijk. Joost: Hoe kan dat nou? Het beest was zo gezond als wat. Jaap: Dat vind 'k nou jammer, hè? Pipo zong als een tierelier. Dirk: Misschien ergens tegenop gevlogen in het donker. Els: Welnee, Dirk, ik heb ‘m zelf in ‘t kooitje gezet. Huub: Ja, ze zeggen dat vogels erg teer zijn, je weet nooit wanneer... Hé, hij beweegt! Els: O ja! Ja! O! Toeteltje! Toeteltje! Wat was er nou met je? Wat heb je ons laten schrikken. Joost: Hij was alleen maar flauwgevallen. Els: Ha, gelukkig! ‘k Was zo geschrokken. Ha! Mijn hoofdpijn is er ineens een stuk minder van. Joost: Nou, breng je Toeteltje dan maar weer naar beneden. Ja... na zo’n nacht moeten we allemaal wat bekomen. Els: Ja, en dan ga ik voor ‘t ontbijt zorgen, hè? Jaap: Hè hè! Loos alarm. Dirk: Ja, maar de… de ellende is dat je nou van alles schrikt. Joost: Nou, we zullen toch moeten proberen dat niet te doen. Huub: Er is toch iets met die wolk. Maar ‘k ben nog zo draaierig van de hoofdpijn. Joost: Bij mij begint ie wat te zakken. Els: Zeg! Komen jullie ‘ns alsjeblieft... ‘t Is weer zo! Jaap: Pipo is weer ingestort. Joost: Weer zo! Da’s gek. Kom, ik ga naar ‘t woondek. Jaap: ‘k Ga met je mee, Joost. coördinator: Ik ga zo ver met u mee, Captain Ros. Ik wilde toch naar het machinedek. Joost: Nu nog, coördinator, vóór het eten? coördinator: Zoals ik u inmiddels heb verteld, bevindt zich daar mijn voedsel. Het uwe zou me minder goed bekomen. Jaap: O ja. Voor z’n bikkesement, hè. Lucullus van de Alpha. coördinator: Meegewogen voedselpastilles. U hebt alsnog bezwaar, heer Jaap? Jaap: O nee nee, nee, maar we zullen uw onderhoudend tafelgesprek zo missen. Els: Ben je daar, Joost? Kijk nou zelf ‘ns. Joost: De kanarie is opnieuw flauwgevallen. Els: Ja. Jaap: Ja, we zouden elk een pootje kunnen pakken voor kunstmatige ademhaling. Ha, jongens, hij komt wel weer bij. Els: Jaap, hoe kan je dat nou zeggen? ‘t Is je eigen kanarie. coördinator: Ik dacht zo dat een vleugje zuurstof geïndiceerd was. Joost: Jaap, die tap daar voor vulling van de zuurstofcilinders, zet ‘m es open. Els, hou ‘m d’r bij, kind. Jaap: Ja. Hier komt zuurstof. Els: Ja… Ja… O ja, kijk! Toeteltje! Toeteltje! Toeteltje! Jaap: Ja. Pipo, zo, haha, nou weer gauw in je kooi. Zo, kraantje dicht. Joost: Nee, Jaap, laat ‘m nog maar even open staan, die kraan. Jaap: Hoezo? Waarom? Joost: Omdat deze meter hier ver in ‘t rood staat, Jaap. Jaap: Aiaiai, koolzuur! ‘t Stikt er hier van. coördinator: Ik vermoedde iets van die aard, heren. Klaarblijkelijk is de luchtcirculatie hier ontregeld tijdens onze slaap. Jaap: Ja, dat is die zeker. coördinator: Ontregeld geraakt? Of misschien gemaakt? Wel, ik ga naar beneden. Jaap: Wat zei die? Wat zei die? Gemaakt, zei die vent? Gemaakt? Zeker door mij? Joost: Ach, da’s natuurlijk onzin, Jaap. Je fikst het wel even, hè? Wij gaan nu naar boven. Els: En ik, met Toeteltje. Dirk: Ik blijf liever hier. Joost: Goed, Dirk, dan kom je me wel na. Dirk: Om te helpen... Jaap: Nou, het is eh... natuurlijk die klep, hier. Ja, hier... Heb ik geen hulp voor nodig hoor, Dirk! Dirk: Mm. Jaap: Schroevendraaiertje d’r in. Zo... Wachtte jij ergens op, Dirk? Dirk: Nee, zomaar... Jaap: En waarom dan wel “zomaar”, Dirk? Dirk: Jij bent dit schip rond geweest vannacht. Jaap: Ga door! Dirk: Jij wilde niet dat ik ze wakker maakte voor die wolk. Jaap: Ho ho ho! Bijna de moer kwijt... Hebben! Zo.... Ah, dacht jij dat ik van jouw arm moetje nog wou erven? hè? Dirk: En ik vond je trouwens ook niet zo vlot met die zuurstofkraan. Jaap: Dirk, ik mag je graag… Dirk: Ja. Jaap: Nou deze sluiting… Ik zeg: ik mag je graag... Dirk: Dat zei je, ja. Jaap: Da’s fijn. Maar als jij zo doorgaat, dan krijg ik toch misschien nog zin om van jou te erven... Zo. Ja. De meter loopt terug... Kom, man, stel je toch niet zo an. Dirk: Wat zou jij in mijn plaats denken? Jaap: Ik zou denken dat jij veel te veel dacht, Dirk. Misschien meer dan gezond voor jou is!
Huub: Dus daarom vergingen we allemaal van de hoofdpijn, Joost. Als we nog langer hadden doorgeslapen, dan waren we d’r geweest! Joost: Ja, Huub, we zijn door het oog van de naald gekropen. Alweer. Huub: Ja, en nog dankzij die wolk. Volgens de Doppler komt ze naar ons toe, met 25 kilometer per seconde. Jaap: Hallo! ‘t Is gefikst. Klep zat vast. Joost: Zo, zijn jullie daar? Mooi. Jaap: Ja, en m’n opzichter (snuift) was tevreden. Els: Fijn dat het in orde is. Kom, Toeteltje, gaan wij weer naar je woondek. Jaap: Dag Pipo. Dirk: Hoe is ’t met die wolk? Huub: Hij wordt langzaam groter, met 25 km per seconde, veel te langzaam. Dirk: Dan lopen we ‘m achterop natuurlijk, wij hebben tenslotte 200. Huub: En waarom kwam het ding niet op als een stip, waardoor materialiseerde het ergens binnen het bereik van het proxyveld? En het ergste is dat de afstandmeter hier staat te oscilleren. Ik krijg geen aflezing! Joost: Ach, dat lost zich allemaal toch wel op, en die wolk is toch zo ijl. (geluid van een schot) Els: (schreeuwt) Jaap: Wat is er, wat is er? Joost: In ‘t woondek; een schot. Vooruit, naar beneden, schiet op, Jaap. Huub, Dirk: hier blijven. Dirk: Ben je gek? Joost: Doe wat ik zeg, Dirk. Els: Ie...iemand heeft op me geschoten, vlug, vlug! Joost: Ik zie niks, Els. Wat is er gebeurd? Els: D’r was een vuurstraal ineens, een schot. Jaap: Waar is die coördinator? Joost: In het machinedek. Heb je ’m gezien? Els? Nou? Els: Ik weet het niet, ik weet het echt niet, ik weet het niet. (rommelend geluid) Jaap: Stil... stil ‘ns even. Joost: Wie...? Jaap: Stil ‘ns! Joost: Wie... wie sluit hier de luiken? Jaap: We worden geïsoleerd... Wie zit er met zijn jatten aan die luiken? Joost: Huub, Dirk, jullie boven, blijf van die veiligheidsluiken af. Dirk: Wij? Ik dacht dat jull... Wie zit er dan verdorie aan die luiken? Joost: Ze gaan dicht, we worden hier geïsoleerd, boven en beneden. Dirk: De coördinator! de coördinator, Joost! Snap je ’t dan nog niet? Joost: (schakelt in) Coördinator, Meneer Thomson, hoort u mij? coördinator: Zeker, captain. Joost: Maakt u dan direct die luiken weer open. coördinator: Dat zal bezwaarlijk gaan. Joost: U bedoelt dat u niet wilt? coördinator: Ik wel, captain, maar de luiken niet. Behalve hermetisch zijn ze automatisch. Joost: Aut... automatisch... coördinator: En voor automatische sluiting van veiligheidsluiken is slechts één oorzaak. Jaap: Wel verdraaid... Joost: Geen schot! Inslag van een... van een meteoriet! De luchtdruk valt. Daarom sluiten de hermetische luiken! Jaap: Daar. Daar zit het gat. Je hoort de lucht wegsissen. Els: O, Joost:,, hoor ‘ns... de lucht... Joost: Plug erin, heel gewoon. Jaap: Heel gewoon, zeg je, hè, Joost? Heel gewoon, hè? Joost: Wat? Gaat dat niet? Jaap: Die halfzachte professoren met hun berekeningen!! “De kans op inslag van zo’n knikker is eens in de honderd jaar”, en ik ben d’r in getrapt. Ik had die plugs direct over de dekken moeten verdelen. En weet je waar ze nou zijn? Allemaal beneden! En we kunnen d’r niet meer bij! En straks, straks zitten we hier binnen in het luchtledige! ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (4/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren te Amsterdam op 23/12/1911 (Code TIN: 8762) [2] geboren te Delft op 29/07/1891; overleden te Zeist op 20/08/1973 (Code TIN: 831) [3] geboren te Amsterdam op 29/06/1936 [4] geboren te Meester Cornelis (Indonesië) op 03/02/1925; overleden te Wassenaar op 22/12/1985 (Code TIN: 10515) [5] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/08/1915; overleden te Amsterdam op 31/08/1990 (Code TIN: 1339) [6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [7] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [8] geboren te ‘s-Gravenhage op 20/03/1927; overleden op 30/04/1990 [9] nog geen gegevens
|