TESTBEMANNING

DEEL 30: TER AFSLUITING

Om een eettafel verzameld, werd de hongerige bemanning nu bediend door roboteenheden van de Proctor.

Hijzelf was achtergebleven bij de rustbank van de captain en dacht na over hetgeen hij aan deze Joost had misdaan – aan Joost, opgegroeid zonder Vader… De juniors in de Galaxie kwamen pas op hun dertigste in de Rhytalgroepen onder de leiding van Vaderen, - ook wel mentors geheten. Zonder het te beseffen had hij, Proctor B/18-Adviseur, een vaderloze prejunior aan een dergelijke test onderworpen! Deze Joost of Ros was in feite kansloos geweest. Te erger, daar de verschrikkingen van de test, naar op het laatste ogenblik was gebleken, juist waren geworteld in diens Status van Vaderloosheid.

En ondanks dit alles had de ongevormde pre-junior de test doorstaan. Doch nu was er in hem een leegte achtergebleven; Staplastreu zag hoe de wat treurige blik van de jeugdige Terraan even rustte op twee der bemanningsleden, die meer aandacht schonken aan elkaar dan aan hun voedsel…

- Een leegte, dacht de Proctor. Misschien kon ze worden gevuld nu hem door Ros’ onwillekeurige blik de diepste aard ervan was ontsluierd.

Het extra-brein, zetelend onder de hoge welving van zijn voorhoofd raakte Joost zacht aan en een stem scheen in hem te spreken. Een stem, die Ros terstond herkende.

“…Ook uw gedachten mij rechtstreeks antwoorden, Joost Ros. Wat ik langs deze weg te zeggen heb, gaat slechts u en mij aan,” zei de verborgen stem.

“Er is een oorzaak waardoor ik, overigens te goeder trouw, in Status van Onwaardigheid ben komen te verkeren. Deze oorzaak betreft mede u, en gaf mij reden iets uitzonderlijks voor u te willen doen. Ik had u namelijk de Vader, die u zo vroeg kwam te ontvallen willen hergeven…”

- Wat bedoelde de Proctor hiermee? Joost, door uitputting wat apathisch, dacht vaag terug aan zijn vader, die op een avond niet was thuis gekomen. Aan zijn moeder, stil en woordloos huilend…

“Zijn primitief vliegtoestel geraakte defect en stortte neer,” sprak het extra-brein. “Dit geschiedde echter niet als gevolg van diens vrije keuze. Bijgevolg ontstond er geen wereld zijner verworpen keuze, dus geen mogelijkheidswereld waarin het ongeval niet had plaats gegrepen en hij derhalve had kunnen voortbestaan.

“Ik had” – besloot de stem na een korte pauze – “u zo gaarne daarheen verplaatst.”

Een diepe ontroering bewoog de captain bij deze eenvoudige woorden. Deze man, gezeten aan zijn rustbank, was bekleed met een macht die Ros’ begrip te boven ging. En toch…

“Toch menselijk, ja,” zei de stem. “Zolang de Galaxie dit blijft zal zij niet worden uitgeblust.

“Wat dit probleem betreft is er dus geen rechtstreekse oplossing mogelijk. Echter, zo-even viel mij in, op welke wijze de smartelijke leegte, die ik in u ontwaar, enigszins kan worden gevuld.”

- Hoe: dacht Joost. Hoeveel de Proctor ook kon, dit ene was onmogelijk. Weliswaar was Ros’ gevoel van schuld aan de dood van Louise overwonnen, doch niet was daarmede haar beeltenis uitgewist, noch zijn kinderbelofte aan haar ongedaan gemaakt.

“Niettemin ben ik in staat,” vervolgde de stem, “u hiervan te bevrijden.”

“Neen!” Het kwam plotseling, instinctief en met grote kracht. “-Bevrijden echter op een positieve wijze. Door een geschenk van vertrouwen.”

Joost Ros begreep de stem niet, maar hij wist dat hij niemand zou toestaan hem zijn herinneringen te ontnemen.

“Herinner u dan tevens dit, Joost Ros, dat de dood van het meisje, genaamd Louise, in dit geval wel voortvloeide uit een keuze, die gij als knaap deed…”

En Joost herinnerde zich… - Ik, dacht hij verward, ik hàd die bal niet behoeven te schoppen. Niet hóeven toegeven aan die opwelling van afgunst!

“Een ongelukkige, doch vrije keuze, Joost, die u zelf plaatste in een mogelijkheidswereld waarin het kind Louise ophield te bestaan. Het houdt tevens in dat –“

“Louise!”

Door het extra-brein van de Galactiër weerschalde de kreet, recht uit de ziel van de Terraan. Joost had de handen tot vuisten geknepen. Nietsziende.

- Mijn god, wervelde het door zijn brein. Hijzelf was het, die de verkeerde Vork had gekozen. Naar zijn verre land Nimmermeer. En Louise…

“Zij trachtte het u te zeggen, in symbolen. Op Pleierta. Ergens was u er zich reeds lang van bewust, dat – “

“Als…” fluisterde Joost Ros… “als dit mogelijk zou zijn…” – Maar het moest mogelijk zijn. Hij was immers altijd met haar verbonden gebleven!

Joost zag de Proctor als door een waas. Deze Galactiër, die blijkbaar kon doen, wat in geen Terraan nog nooit was opgekomen.

En de Proctor knikte bevestigend:

“Ja, ik kan dit doen. En zal dit doen, Joost Ros.” – En, na een zwijgen waarin de storm in de ziel van deze Terraan kalmeerde tot een warme en vredige stilte, hernam de stem:

“Gij daarentegen zou mij ontheffen van deze Status van Onwaardigheid waarin ik ongewild ben komen te verkeren.”

Joost begreep hiervan niets. Hij?

Juist gij, Joost en zelfs op zeer eenvoudige wijze. Namelijk door mij te adopteren als uw persoonlijke Mentor in de Rhytalgroep, die ik voornemens ben van ulieden te vormen. Uw aller jeugd is, al beseft ge dit nu niet, nog slechts begonnen. De eerst volgende vijftig jaren zal dan uw bijzondere vorming onder mijn mentorschap geschieden. De daaropvolgende…”

Doch Joost kon het niet meer verwerken. Hij kon nog slechts knikken. Hoe hij door zo’n ‘adoptie’ een Galactiër kon rehabiliteren begreep hij niet.

Echter wel de Proctor Staplastreu.

Immers, volgens Galactische Etiquette was aan deze Terraan aldus een vader teruggegeven…

 
Helaas heeft men deze tekst niet verwerkt in het hoorspel. Maar ik wilde u dit niet onthouden om het verhaal "Testbemanning" compleet af te sluiten. Geronimo.

via Geronimohoorspelen