|
Dodenhuis |
|
|
|
EERSTE DEEL |
|
"De vreemde thuiskomst" |
|
|
|
Op de bok zat de oude koetsier Peterson. Frank Watson, de oppasser van kolonel Moore had al een paar keer geprobeerd een gesprek te beginnen, maar Peterson had weinig geantwoord. Het rijtuig bolderde over de straatweg, die door Wildesbrough naar het station leidde. Het was in de late avond en de duisternis was dik en dreigend. Een hevige storm, die dwars over de weg raasde, scheen soms het oude rijtuig in de rivier te willen drukken, maar Peterson hield zwijgend sterk de teugels en de twee paarden galoppeerden in gehoorzaamheid verder. - Is het nog ver? vroeg Frank. - Nee, we zijn er zo. - Ik hoor de trein al. Dat is 'em toch zeker? - Ja. Vort nou, jongens! Vort! Even rammelde de koets nog verder. Toen opeens stond ze stil. Frank zag een klein, oud gebouwtje. Binnen brandde een zwak licht. - Ik ga wel op het perron om de familie op te halen. Je wacht hier maar, Peterson. Frank holde juist het perron op toen de trein binnen reed. Het was donker onder de overkapping en hij hoorde juist Mary, de oudste dochter van den kolonel roepen: - Pat! Pat! Ben je er nog? Proestlachend kwam het antwoord van het kamermeisje: - Ja, ik ben hier, juffrouw Mary. O, wat leuk, niet? Echt griezelig! Waar is u nou? Gut, ik lach me dood! Het begint net als een detective! De kolonel zag Frank het eerst. - Zo, Frank, je bent er dus. Is alles in orde? - Het rijtuig staat voor het station, kolonel. - Gaan we met een rijtuig? kwam Pat enthousiast. Enig, hè, juffrouw Ray? Ray, de jongste, nam het enthousiasme grif over. - Nou. Is het ver, Frank? - 't Is een barslechte weg en 't is verschrikkelijk donker, juffrouw! - Ga jij maar voorop, Frank, zei de kolonel. Kom mee, meisjes. In de buurt blijven, Pat. - Ja, meneer Moore. Plotseling gilde het kamermeisje in hevige schrik. - Wat is er nou weer? informeerde Mary, licht geïrriteerd. - O, ik dacht, dat ik ergens op trapte. - Vast een slang! Kom mee, gek, die je bent! Ba, wat een ellendige duisternis! - Hoe kunt u dat nou zeggen, juffrouw Mary? kwam Pat protesterend. 't Is hier echt romantisch. - Vind je het werkelijk zo leuk hier, Pat? informeerde kolonel Moore lachend. - Nou, ik wel kolonel! Ik ben gek op avonturen! Op dat moment waren ze bij het rijtuig aangekomen. - Wie zit op de bok, Frank? - De oude Peterson, kolonel. Die kent de weg door en door. Hij heeft me juist verteld, dat hij al meer dan dertig jaar in dienst is bij de familie. Bij juffrouw Beatrice dan voornamelijk! - Ja, ja, we kennen elkaar nog, hè Peterson? - Ja, zeker, meneer.... eh.... kolonel. - Hou jij je maar aan de titulatuur van de burgermaatschappij, ouwe jongen. Herinner jij je mij nog? - Ja zeker, meneer. - O, dat dacht ik ook. Kom nou straks, als je de paarden gestald hebt, nog even bij me. Zul je 't niet vergeten? - Nee, meneer, vast niet! - Prachtig. Dan kunnen we samen nog es praten over vroeger. Tjonge, jonge, wat een noodweer! En stikdonker ook nog! Ja, rijen maar! Zwaar en log zette de koets zich in beweging maar al vrij spoedig wisten de stevige paarden er een flinke gang in te krijgen. - 't Is een steile weg, geloof ik, niet vader? informeerde Mary. - Ja, nogal kind. Het kasteel ligt hoog op de rotsen en de weg is in het gesteente uitgehakt. - O, wat enig! Stel je voor, dat we kantelen! kwam Pat zeer enthousiast. - Kun je niet wat vrolijkers bedenken, Pat? informeerde de kolonel lachend. - Ze bedoelt, dat we dan morgenochtend in alle Amerikaanse kranten op de voorpagina komen te staan, hè Pat? "Hele familie kantelt met rijtuig en al van de rotsen!" - Ja, en niemand gedeerd, voegde Pat, die de ironie volkomen ontging, nog aan de krantenkop toe! Even later reed het rijtuig de binnenplaats op. Zwaar gingen de deuren van de poort weer achter de koets dicht. Vlug sprong de kolonel naar buiten. - Opschieten, meisjes. Peterson zorgt wel voor de bagage. Gij jij maar vóór, Frank. Zwaar liet Frank de klopper een paar keer op de eikenhouten deur vallen. De slagen klonken hol. - We zijn weer terug in de middeleeuwen, merk je het Ray? - Ja. Mag ik ook es met die klopper kloppen? - Ga je gang, kind, antwoordde de kolonel, want niemand schijnt ons gehoord te hebben. - U klopt echt eng, juffrouw Ray, prees Pat haar. Dadelijk daarop hoorden ze een zware grendel wegschuiven en toen ging de deur langzaam en piepend open. In de deuropening verscheen een oude man, die een lantaarn in zijn hand droeg. - Wat wenst u? vroeg hij stug. - Ik ben kolonel Moore en dit zijn mijn dochters. Waar is juffrouw Beatrice? - Juffrouw Beatrice is op haar kamer, klonk nors het antwoord van den man, die roerloos in de deuropening bleef staan. - Als je een beetje opzij gaat, kunnen we binnenkomen. Even scheen de man te aarzelen. - Komt u binnen, zei hij toen, terwijl hij de ingang vrijliet, juffrouw Beatrice heeft mij verzocht u uw kamers te wijzen. Mijn naam is Millner. Ik ben de huisknecht hier. - Juist. Ga maar voor, Millner. De brede, stenen gang lag in het halfduister. Hol klonken de voetstappen van het groepje op de rode, stenen tegels. Millner ging voor op de trap met de eikenhouten, uitgesleten treden. Hij hoestte zwaar en diep en de klank scheen met echo door de gewelven voort te golven. - Wat een nare hoest heeft die man, fluisterde Ray. Ik vind het om te besterven zo luguber hier! - Dit is uw kamer, meneer Moore, wees Millner, terwijl hij stil bleef staan voor een van het viertal deuren, dat op deze gang uitkwam. - Prachtig, Millner. Dank je wel. Ga jullie je nou wat opfrissen, meisjes en kom dan hier naar toe. Dan gaan we samen naar tante Beatrice. Tot zo dadelijk. - Echt enge deuren heb je hier, meende Pat. Reuze leuk! - Wij hebben toch samen zeker één kamer? informeerde Mary. - Juffrouw Mary en juffrouw Ray hebben ieder een aparte kamer, kwam nors het antwoord. - Nee, ik wil bij jou blijven, klaagde Ray bang. - Hoe liggen die kamers, Millner? - De kamer van juffrouw Ray ligt vlak naast die van u! - Nou, meiske, dan.... - Nee, ik wil bij jou blijven! Ik ben bang! - Laten we er straks met tante Beatrice over praten, besliste Mary. - Hier is de kamer van juffrouw Mary en hier die van juffrouw Ray, deelde Millner onbewogen mee. - Wat een enge gang, hè? fluisterde Pat. Enne.... waar slaap ik? - De juffrouw moet een étage hoger heeft men mij gezegd. Ray keek Mary angstig aan. - Ik ga daar niet in. Ik ga met jou mee! - Goed, suste Mary. Kom maar eerst met mij mee! Dan zullen we straks wel verder zien, hè? Met grote ogen keek Pat den huisknecht aan. - Enne.... en ik? - Gaat u maar mee. deze trap op! Millner liep weer voor. Pat volgde bevend. Midden op de trap hoestte de man weer hevig. Op hetzelfde ogenblik zag Pat een schaduw over de trap glijden. Met een hevige gil draaide ze zich om en holde terug. Voor de deur waarachter Mary en Ray verdwenen waren bleef ze staan en hijgend bonsde ze met haar vuisten op het zware eikenhout. Geschrokken opende Mary de deur. - Wat is er? wat is er gebeurd? - Ik ga daar niet in! Ik durf niet alleen! Daarboven zag ik.... - Wat zag je? Toe nou: wat? - Ik.... eh.... ik weet het niet meer, maar.... Ik ben bang voor dien man! - Kom binnen. Snel sloot Mary achter haar de deur. Juist op dat ogenblik kwam Millner weer zwaar hoestend de trap af. - En je zei, dat je zo dol was op griezelen. Trillend kwam het antwoord. - Ja, het was.... - Reuzeleuk, ja! Nou knap je maar gauw wat op. Dan gaan we naar beneden, naar vader! Even keek het kamermeisje Mary aan. - Weet u, juffrouw Mary: ik ben nooit bang.... als er maar iemand bij me is, die ik ken, maar die enge man daarboven...
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Langzaam en nadenkend liep kolonel Moore over de gang op de tweede étage van het oude kasteel. Voor een van de deuren bleef hij staan. Een ogenblik wachtte hij en luisterde. Toen klopte hij. Een zachte stem antwoordde op zijn klop: - Ja, wie is daar? - Kolonel Moore, zuster. Mag ik even binnenkomen? - Ja zeker, kolonel. Moore opende de deur en dadelijk trad een jonge vrouw hem tegemoet. - Is u daar, kolonel? Komt u binnen. Ik vind het buitengewoon prettig, dat u zo vriendelijk is om even naar mij toe te komen. Ik had me voorgenomen om dadelijk, als u arriveerde met de meisjes met u te komen kennismaken, maar de zuster, die mij verpleegt vond het beter.... De stem van de jonge vrouw klonk zeer nerveus en Moore zag hoe de zuster haar onderzoekend aankeek. - U moet u kalm houden. U windt zich weer veel teveel op, zei ze kalmerend. - Nee, dat is niet waar. Ik ben heel kalm, zuster. Heus, heel kalm. Gaat u zitten, kolonel. Ik ben erg nerveus, maar daar moet u zich maar niets van aantrekken. Vandaag heb ik helemaal geen last, weet u. Niet in het minst, niet in het minst! - Ik kwam even met u kennismaken. mijn dochters en ik hoorden, dat u hier.... is komen logeren en ... en de meisjes zullen ook gaarne, als het u schikt.... - Maar dan liever morgen, kolonel, want vanavond is.... probeerde de zuster tussenbeide te komen, maar dadelijk viel miss Conwell haar in de rede. - Ik ben heel goed, hoort u? Heel goed! Ze plaagt me, kolonel! Ze doet dit ook weer opzettelijk! Opeens was het alsof ze zichzelf opschroefde tot een hysterische woede-aanval. - Ik wil dat niet langer, verstaat u? Ik.... Woedend keek ze plotseling den kolonel aan. Alsof ze zich nu pas bewust werd van zijn aanwezigheid. - Ga weg jij! Ik wil je niet meer zien! Ga weg! Ga weg! - Gaat u liever heen, kolonel, raadde de verpleegster. Ze is weer.... - Ja, ja, ik zal.... In hevige woede viel de patiënte hem aan. - Ze vertellen van alles van me, hè? Ze zeggen.... Hulpeloos keek Moore de zuster aan. Die nam hem bij de arm en leidde hem de kamer uit. - Ze zeggen dat ik gek ben, hoorde de kolonel haar nog zeggen. Toen sloot de verpleegster achter hem de deur. Op de gang klonk nog de gillende lach van miss Conwell. In gedachten liep de kolonel verder. Zijn stappen klonken hol in de brede stenen gang, die in het halfduister lag. Plotseling trad er uit een nis een man naar voren. - Beg pardon... - Pardon, kwam Moore. - Neemt u mij niet kwalijk. mijn naam is Lawrence. Carl Lawrence. Ik was juist op weg naar mijn kamer.... - Moore. kolonel Moore. - Ja, ik wist, dat u hier zoudt komen. Ik heb hier vroeger ook gewoond, want... - Ja, ja, ik weet, meneer Lawrence. U is in de oorlog geweest? - Ja, ik heb in Italië en in België gevochten. Ik was eerste luitenant. - Juist. Ik in Afrika en Duitsland. - Ja, ik weet. Ik vind het prettig met u kennis te maken.... Moore keek de ander even aan. Hij zag, dat Lawrence nerveus was en vroeg zich af waarvoor. - We zullen elkaar nog wel ontmoeten in de komende dagen, denk ik, meneer Lawrence. - Ja.... dat denk ik ook wel. Ik zie u straks nog? - Zeker. Tot straks, meneer Lawrence. In gedachten liep Moore verder. Even bleef hij voor de bepaalde deur staan. Toen klopte hij. - Wie is daar? - Ik ben het, Stanley, Beatrice! Mag ik even binnenkomen? De kolonel hoorde de sloffende schreden van de vrouw naar de deur komen. Er werden grendels weggeschoven en tenslotte hoorde hij de sleutel omdraaien. de deur ging open. - Ik kwam je even zeggen, dat we behouden zijn aangekomen, Beatrice! - Zo! - Dat is lang geleden, hè! - Ja, heel lang! - De meisjes zijn op haar kamer. Wil ik ze zeggen, dat ze straks nog even.... - Nee. - Ik begrijp niet, waarom je zo.... - Nee, dat zal wel. Dan zal ik het je zeggen. Omdat ik daar geen behoefte aan heb en omdat ik wel behoefte heb aan mijn rust. - We zijn heus niet van plan jou in je rust te storen, Beatrice. Je weet, dat ik gedwongen was om hier naar toe te komen en de meisjes.... - Je hoeft je niet te verontschuldigen, maar ik heb er geen behoefte aan om jou de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Jou niet en je dochters niet. Ik ben op jullie niet gesteld, dat weet je heel goed. Ik kan alleen niet beletten, dat je hier tóch komt. - Zou je dat anders wel doen als je het kon? - Ja, dat zou ik zeker! - Ik ben hier gekomen om de zaken te regelen, dat weet je! - Er valt niets te regelen. Alles is geregeld. Door mij! Ik heb hier al die jaren alles geregeld en alles is goed gegaan. Ik heb hier geen buitenstaanders, die overal hun neus insteken, nodig! - Je bent onredelijk, Beatrice! - Ik zeg, wat ik denk! Als de mensen dat meer deden, zou het beter zijn. Er wordt teveel gehuicheld, Stanley Moore! - Ik heb veel ellende gezien de laatste jaren, Beatrice, kwam de kolonel beheerst. Ik heb het zeer betrekkelijke aanschouwd van het menselijke leven. Ik heb duizenden zien sterven in de ellendigste omstandigheden. Ik heb de ergste hel achter me, die een mens ooit kan doormaken. Ik wilde zo graag rust en vrede. - Die zul je hier niet vinden. Je weet hoe dit huis heet bij het gepeupel in het dorp: Dodenhuis! Er gebeurt hier steeds wat, Stanley Moore. Altijd weer opnieuw en nooit.... iets goeds! Je weet het! - Ik kom uit de oorlog en.... - Ik heb die oorlog niet meegemaakt. - Goed dan. Als het dan oorlog moet zijn tussen ons, goed! Maar je zult berouw krijgen van je domheid, Beatrice. Van je zelfzucht en je inhaligheid.... Jij zult.... Beatrice lachte schamper. - Ik zal? Ik? Jij zult! Jij hebt het ongeluk meegebracht en jij zult er de dupe van worden. Op jou rust de vloek! - Je bent gehaat bij ieder, die je kent. Ik heb gedacht, dat je iets geleerd zou hebben, dat je veranderd zou zijn! Je bent erger nog geworden, nog gemener! Maar.... - Eruit! Ga dadelijk eruit! - Goed, maar vergeet dit ene niet: ik heb het goede gewild! Met een slag viel de deur achter Moore in het slot. Snel liep hij door de halfdonkere gang. Opeens dook vlak voor hem een gestalte op. Hij keek en meende den man te herkennen. - Is u daar, meneer Lawrence? Het antwoord kwam hijgend. - Ja, kolonel. - Kan ik u helpen? Dat pak, dat u daar draagt, schijnt nogal zwaar te zijn! - Nee, nee, dank u wel. Heel vriendelijk van u. Het is.... eh.... een pak boeken, dat ik.... eh.... naar de garage wilde brengen. - U hebt ze slecht ingepakt. Zo hoekig en... - Ja, ik ben niet erg handig. maar het gaat wel zo. - Juist. Tot straks, meneer Lawrence. - Tot straks, kolonel. De kolonel liep verder. Toen hij in zijn kamer rustig in de grote stoel zat, herinnerde hij zich plotseling de vreemde gejaagdheid van Lawrence. - Merkwaardig. Waarom was hij zo nerveus?
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Snel en schichtig kwam Pat de kamer uit. Ze keek om zich heen zag niemand en liep vlug de gang op. Ze schrok hevig en had bijna gegild. Voor haar stond een jonge man, die een zware last torste en hijgde. Hij keek haar aan. - Wat is er? Wie ben jij? - Kalm aan een beetje, kwam Pat en nuffig liet ze erop volgen: - Ik ben het kamermeisje van de dames Moore. - O, juist. ik zag het niet zo gauw. Ik ben Frank Watson, de oppasser van kolonel Moore. - Had u mij dan al eerder gezien? informeerde Pat met een coquet lachje. - Nou en hoe! Dadelijk al toen je aankwam. Ik heb goed gekeken. Begrijp je wel? Nieuwsgierig keek Pat naar het pak, dat de man naast zich op de vloer van de gang had neergelegd. - Wat heeft u daar? - Dat? O, een pakje. - Het lijkt me nogal zwaar. - O, dat valt wel mee. Dat valt heel erg mee. Hij keek haar aan en Pat voelde, dat ze onder die blik ging blozen. - Ik vind het lollig, dat jij gekomen bent, zeg. - Is 't heus? Och, kom! - Nou en hoe! Merk je niet, dat de hele gang er opeens licht en fleurig van wordt? We praten nog wel es, hè deary? Hij wilde zijn arm om haar slaan en haar naar zich toetrekken, maar Pat weerde hem af. - Zeg asjeblief! Nee, ga weg! Ze rukte zich los en holde de gang uit naar de trap. Achter zich hoorde ze de lach van Watson.
----------------------------------------------------------------------------------------------------- Later herinnerden verschillende bewoners van het huis zich, dat ze vreemde geluiden gehoord hadden. Het was alsof er iets zwaars verschoven werd. Ergens. En ook was er het geluid geweest van een luik of een massieve deur, die eerst niet dicht wilde en toen plotseling met een hevige slag toch dichtsloeg. En toen - opeens - was er die afgrijselijke schreeuw, die allen opschrikte. Van overal kwamen ze. Deuren vlogen open en op de gangen liepen de mensen. Het was Carl Lawrence, die de ontdekking deed. Hij vond het lijk op de binnenplaats. - 't Is Peterson, zei hij tegen de kolonel. Geslagen stond Moore erbij. Peterson, de oude koetsier? - Hij moet ogenblikkelijk dood geweest zijn, constateerde Lawrence. Toen werd het stil....
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Inspecteur Mac Williams had de eerste verhoren afgenomen. Nu had hij alle bewoners bij zich geroepen. Even keek hij de kring rond. Toen zei hij: - Als wij, dames en heren, uit deze verhoren een conclusie willen trekken, is er inderdaad maar één: alle aanwezigen hier waren op het ogenblik, dat de moord gepleegd werd, op hun kamer. Zo luiden tenminste de verklaringen. Maar behalve de dames Mary en Ray Moore en het kamermeisje Patricia Smith, die bij elkaar waren, waren zij ieder - stuk voor stuk - alleen! In dit alleen zijn schuilt geen alibi, want er is niemand, die de aanwezigheid van u op uw kamer kan bevestigen. Ook het samenzijn van de dames Moore en Patricia Smith bewijst niets, want er zijn vaker misdaden door een collectief gepleegd. - U wilt toch niet beweren, dat wij de moord gepleegd hebben, inspecteur? kwam Mary verontwaardigd. - U gaat uit van een verkeerd standpunt, luidde het antwoord van de politieman. Wij hebben slechts één principe: Ieder mens is onder bepaalde omstandigheden zowel to het goede als tot het uitermate slechte instaat. Schuldig aan deze moord kan ieder zijn, die hier aanwezig is. U ook! Snel kwam Pat naar voren. - Moet u es luisteren, inspecteur. Kan het geen schijndood zijn? Ik heb es een boek gelezen, echt griezelig, reuzeleuk.... van een dode, die.... Droog viel Mac Williams haar in de rede: - De moord is gepleegd met een zware steen. Daarmee hebben ze Peterson de schedel ingeslagen. Driekwart van zijn hoofd is verpletterd! Reuzeleuk, ja! Plotseling klonk de nerveus vibrerende stem van miss Conwell: - Ik wil weg! Ik wil hier niet blijven! Ik ben ziek! Ik.... - U moet blijven, kwam bruusk de inspecteur. - Ik voel het weer komen. Ik ben ziek, zeg ik u! U mag niet.... u kunt niet.... Ze stootte een hoge, schelle gil uit. - Ik wil weg! Ik wil weg! De verpleegster trachtte te bemiddelen. - Miss Conwell is patiente, inspecteur. Ik moet u dringend verzoeken haar naar haar kamer te laten terugkeren. - Is dat.... Ik bedoel.... aarzelde Mac Williams. - Ik sta voor de waarheid daarvan volkomen in, inspecteur, getuigde de kolonel. - Goed. Ga dan. Maar miss Conwell mag haar kamer niet verlaten. - Ik wil weg! Weg! Weg! De verpleegster legde haar arm om de schouders van de patiente. - Gaat u maar mee... Zo, ja zo... Langzaam leidde ze haar weg. op de gang hoorden de anderen nog de hoge, gillende lach van miss Conwell. Weer keek de inspecteur even de kring rond. - Ik moet to mijn spijt zeggen, dames en heren, dat u allen voorlopig onder arrest bent. Niemand van u mag dit huis verlaten. Toen de moord gepleegd werd, was de poort gesloten. Niemand kon dus hier binnenkomen en niemand ook heeft dit.... eh..... huis na de moord kunnen verlaten. Alle bewoners van dit huis zijn hier verzameld. Eén van u moet dus de moordenaar zijn! Hard en cynisch klonk plotseling de stem van tante Beatrice. - Duurt dit nog lang, verwaande kwast, die je bent? - Ik moet u vriendelijk verzoeken.... - Doe je ogen open, zelfingenomen gek, die je bent! Kijk om je heen en luister. Hier staan ze. Hier staan ze allemaal, de hyena's die van overal zijn gekomen om.... En jij, verwaande idioot, jij.... Mac Williams sprong op van zijn stoel. - Stil! Luister! Men hoorde iemand lopen op de gang. Langzame, sloffende scheden. Even ging er een gefluister door de kamer. - Stil, gelastte Mac Williams weer. Tante Beatrice lacht schamper. Toen hoorde men een holle hoest. Mac Williams holde naar de deur en gooide die open. - Wie is dat? Wie loopt daar? Sta stil jij of ik schiet! - Maar dat is Millner, inspecteur, kwam kolonel Moore verbaasd. Millner, de huisknecht. Die hebben we vergeten! Donker gromde om Dodenhuis de wind. |
|
|