|
Dodenhuis |
|
|
|
TWEEDE DEEL |
|
"De kamer op de tweede etage" |
|
|
|
Bijna in dezelfde fractie van de seconde was de inspecteur bij de deur. Achter uit de gang klonk een holle, blaffende hoest. - Kom hier, jij! De sloffende schreden stopten even en de inspecteur herhaalde: - Kom hier! Ogenblikkelijk! De man in de gang keerde terug. Langzaam kwam hij naar de deur, die de inspecteur voor hem openhield. - Ga binnen en wacht. Millner deed een paar stappen en bleef toen staan. De inspecteur draaide zich om naar de anderen. - Dames en heren, u kunt u naar uw kamers begeven. U zult daar moeten blijven en nadere orders afwachten. Als u er geen bezwaar tegen heeft, kolonel Moore, zoudt u mij een dienst bewijzen door hier te blijven. Ik wilde straks namelijk gaarne het een en ander met u bespreken. De kolonel boog even en knikte. - Met genoegen, inspecteur. Toen de anderen verdwenen waren, nam Mac Williams plaats achter de tafel. Even keek hij de man, die nog steeds vlak bij de deur stond, aan. - Kom jij es even hier. Nee, ga daar staan. De man deed een paar passen en ging op de plek staan, die hem was aangewezen. - Jij bent Millner, de huisknecht? - Ja, Joseph Millner. - Hoe oud ben je? - Hé? kwam Millner verbaasd, maar dadelijk daarop scheen hij zich de situatie beter te realiseren. - O, juist. Ik ben twee en vijftig jaar. - Geboren? - 12 December 1894 in Waidemore, Connecticut. - Hoe lang ben je hier in dienst? - Negentien jaar. Bijna. - Waar kwam je vandaan zo pas? - Van beneden. - Wat had je beneden te zoeken? - Ik had rare geluiden gehoord en ik wist niet wat het was. Daarom was ik gaan kijken. Weer keek de inspecteur hem even onderzoekend aan. - Zo, rare geluiden, hè? Merkwaardig. En verder had je niet geconstateerd? - Nee. - Zo. En daarom ben je zeker maar weer teruggekeerd naar boven? - Ja. - Ben je gek of doe je alleen maar alsof? Millner zweeg, de inspecteur keek hem afwachtend aan. - Nou? Komt er nog wat? - Moet ik daar antwoord op geven? - Weet je wie ik ben? Rustig kwam het antwoord: - Ja. Politie. - Weet je dat er hier in huis, een ogenblik geleden een moord gepleegd is? informeerde de inspecteur zeer welwillend. Geschrokken keek Millner hem aan. - Een moord? Op wie? - Heb je niet een verschrikkelijke schreeuw gehoord een tijdje geleden? Iedereen hier in huis heeft het gehoord. Alleen Millner blijkbaar niet! - Ik heb geslapen. Ik was in mijn stoel in slaap gevallen. - Ja, ja. De inspecteur knikte en keek Millner weer even doordringend aan. Hij zag, dat de man angstig was. - Wie…. wie is er vermoord, meneer? Snel en hard kwam het antwoord: - Toevallig jouw vijand Peterson! In Millners ogen scheen plotseling een licht van niet te verbergen voldoening. - Peterson, kwam hij toen. Peterson? Hebben ze hem eindelijk te pakken gekregen? - Ze? Wie? De woorden vielen als een schot, maar Millner had zich reeds weer in zijn niet geïnteresseerde houding teruggetrokken. - Weet ik niet. Kan me niet schelen ook. - Je mocht Peterson niet. - Nee. ’t Was een schoft. Een gemene verrajer! - Waar was je een uur geleden? - Heb ik gezegd: op mijn kamer. - En wat was het voor een geluid, dat je hoorde? - Weet ik niet, maar ‘k werd er wakker van. Daarom ben ik gaan kijken. Ik dacht een schreeuw of zoiets, maar ik weet het niet. - ’t Lijkt me, dat jij helemaal niet veel weet, wel? - Nee. De inspecteur bladerde even door zijn papieren. Millner wachtte. Hij nam de houding aan van iemand, die de zaak verder niet aangaat en er ook geen interesse voor heeft. - Je mag nu naar je kamer, gelastte na een korte stilte de inspecteur. Je mag het huis niet verlaten. Je wacht verdere instructies af. Heb je me begrepen? - Ja. Mac Williams wendde zich tot kolonel Moore. - Had u deze man nog iets te vragen, kolonel? De kolonel schudde nee. - Dank u, inspecteur. - Dan ga je nu maar eerst en…. je weet het! Millner draaide zich om en verliet zwijgend de kamer. Hol klonken in de hoge, brede stenen gang zijn sloffende schreden. Langzaam liep hij de trap op naar de tweede etage. Hij keek een paar keer achter zich en hoestte toen hevig. Weer wachtte hij. Toen klopte hij zacht op een der deuren. Een klop, die als een teken klonk. Snel werd de deur geopend. Alsof iemand daarachter reeds op het teken had gewacht. - Ik ben er, kwam Millner zacht. Gespannen keek Carl Lawrence hem aan. - En? Wat zei hij? - Hij weet niks. Hij heeft niks begrepen ook. - Wat vroeg hij je? - Hoe oud ik ben en waar ik geboren ben. - En over Peterson? - Ik heb gezegd, dat ik de pee aan hem had. - Stommeling. Nijdig sissend kwam het woord eruit en geschrokken keek Millner de jonge man aan: - Ik…. ik dacht, dat het juist goed was. Lawrence schudde het hoofd. - Nou er is nu toch niets meer aan te veranderen, zei hij vergoeilijkend. – Wist die inspecteur iets? - Nee. Anders zou hij anders gedaan hebben. - Geloofde hij, dat je…. niets wist van de…. moord? Even aarzelde Millner, toen antwoordde hij: - Ik geloof het wel, maar…. ik weet het niet zeker. Een ogenblik dacht Lawrence na. - Te verbeteren valt er niets meer nu. Je gaat naar je kamer, Millner en je houdt je alsof je alle bevelen van den inspecteur gehoorzaam opvolgt, begrijp je wel? - Ja. - Je wacht verder af tot je iets van mij hoort. Een ogenblik: als ik pianospeel, kun je dat op jouw kamer horen, niet? - Ja. - Goed. Dit ken je, hè? Lawrence liep naar de piano en speelde: |
|
|
| (Klik op bovenstaande player om de "riedel" van Carl Lawrence te horen. Met dank aan Jack Mulder!) |
|
Millner knikte: - Ja. Dat ken ik. Da’s mooi! - Als ik dat speel, betekent dat: kom zo gauw je kunt hier. In orde? - Ja. - Goed. Verdwijn dan. En zorg, dat je niet in de gaten loopt. Een moment. Ik zal eerst even op de gang kijken. Snel liep Lawrence naar de deur, die hij voorzichtig een heel klein eindje opende. Toen wenkte hij Millner: - Ja. Snel. Zonder enig geluid te maken, verdween Millner in de halfdonkere gang. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- In de grote kamer beneden trachtte inspecteur Mac Williams van kolonel Moore meer bijzonderheden te krijgen over de mensen, die op het ogenblik van de moord op Dodenhuis aanwezig waren. Voornamelijk over Millner wilde hij gaarne meer weten, maar de kolonel moest hem teleurstellen. - Het spijt me, inspecteur, maar eigenlijk weet ik van al de mensen hier maar weinig af. Mijn vrouw was een zuster van Beatrice. Wij hebben elkaar leren kennen in New-York en we zijn vrij spoedig na die kennismaking getrouwd. Ik ben toen maar één keer hier geweest, ook la omdat mijn schoonzuster Beatrice al dadelijk een zeer vijandige houding aannam. - U heeft twee dochters, niet kolonel? - Ja. Mary en Ray. Peinzend keek de kolonel even voor zich. Toen vervolgde hij en in zijn stem klonk iets van teleurstelling: - Ik had gedacht, dat na deze oorlog alles anders, beter zou zijn, maar Beatrice toonde weinig bereidheid tot toenadering. Mijn dochters wilden graag mee hierheen, omdat ze ernaar verlangden het huis te zien waar haar moeder haar jeugd heeft doorgebracht. Zoals ik u al zei, zijn ze lang alleen geweest. Mijn huwelijk was niet erg gelukkig en ik ben indertijd naar Afrika vertrokken. De meisjes waren toen nog klein. En nu ben ik teruggekomen en…. och ja…. u begrijpt… Mac Williams knikte begrijpend en even viel er een stilte. De inspecteur stond op en liep een paar keer de kamer op en neer. Toen bleef hij voor kolonel Moore staan. Hij zei en in zijn stem klonk vertrouwelijkheid en hoop: - U hebt een grote ervaring, kolonel en deze zaak lijkt mij --eh-- ingewikkeld. Ik houd er niet van om me groter en belangrijker voor te doen dan ik ben. Ik ben maar een plattelands politieman en de zaken, die wij onder handen krijgen, bepalen zich meestal tot kleine diefstallen, inbraken en hoogstens eens een grotere of kleinere mishandeling. Ik zou u willen vragen: zoudt u mij willen helpen? De kolonel wachtte even voor hij antwoord gaf. Toen zei hij en zijn stem demonstreerde duidelijk weifeling en gebrek aan zelfvertrouwen: - Ja, natuurlijk wil ik dat, inspecteur. Alleen…. ik weet niet of ik wel zolang…. Ik heb nog belangrijke zaken af te wikkelen in de stad. Maar in elk geval: als ik u van dienst kan zijn, kunt u ten volle op mij rekenen! ----------------------------------------------------------------------------------------------------- De twee meisjes Moore zaten en wachtten. Ze hadden getracht elkaar op te beuren, maar het was niet gelukt. Zwaar en triest hing de stilte in de kamer en allebei wisten ze van elkaar, dat ze bang waren.Mary, de oudste verbrak het eerst de stilte. - Vroeger, zei ze, vroeger heeft moeder het mij wel verteld. Jij was nog heel klein, Ray. Ze vertelde van haar jeugd en hoe het allemaal was toen. Hoe ze leefden hier…. in dit huis…. waar je altijd de wind hoort en de zee. Moeder was er vaak bang. Er was iets met dit oude kasteel en de dorpelingen vertelden er vreemde verhalen van. Dodenhuis noemden ze het, omdat…. Mary zweeg, maar plotseling sprong ze op en gejaagd klonk haar stem: - We moeten weg! We moeten zo snel mogelijk hier vandaan! Ray schudde haar hoofd. - Nee, we moeten niet gaan. Ten eerste, omdat de…. moordenaar nog niet bekend is en ten tweede, omdat…. Even scheen ze te aarzelen, maar toen zei ze het: - Ik ga alleen als vader gaat! Pat, het kamermeisje, kwam binnen. Ze hoorde juist de laatste woorden. Haar ogen glinsterden en dadelijk wierp ze zich in het gesprek: - O, nee, juffrouw Mary, we kunnen toch niet weggaan! Dat kan niet! Dat mag niet! Zoiets beleef je toch nooit! Het is nou zo spannend hier! Zoiets lees je anders alleen maar in boeken. Stel u eens voor, dat wij de moordenaar vinden, na een echte spannende jacht door al die gangen en die wind erbij en dat wij dan…. - Stil! Stil es even! Nerveus klonk Mary’s stem: - Luister eens! Hoor je dat? In de stilte klonk een vreemd getik. Alsof er ergens -- buiten -- met een steen tegen de dikken muur werd getikt. - ’t Is buiten, kwam Ray zacht. Er tikt iemand tegen de muur. - Maar dat kan toch niet. We liggen hier zeker acht of tien meter boven de begane grond, fluisterde Mary. - En onder, aan de voet van de rotsen is de zee, vulde Pat aan. O, wat griezelig. Als ik…. - Stil, siste Mary. Weer hoorden ze het getik. Steen op steen. Nu iets dichterbij. Plotseling was het of er een steen viel. Zwaar en hol klonk de val. De meisjes keken elkaar aan. Zacht vertelde Ray: - Vannacht heb ik het ook gehoord. Ik lag wakker en ik luisterde en het was net als nu. Alsof er iemand tegen de muur tikte, alsof er iets viel en…. alsof er iemand liep. Hoor! Hoor! Je hoort voetstappen. Mary seinde: - Stil. Ze luisterden en opeens hoorden ze het alle drie: heel in de verte klonk een stem, die: - Hier! Hier! riep! - Daar riep iemand: - Hier! Hier! kwam Ray angstig. Ik ben bang, Mary. Ik ben bang! - Ze zeggen in hert dorp, dat het hier spookt, vertelde Pat rillend. - Stel je niet aan, gelastte Mary. Als we hier blijven, moeten we ons tenminste behoorlijk gedragen. Ze stond plotseling op, alsof ze een besluit had genomen: - Ik ga op de gang kijken! Ray Sprong op en trachtte haar tegen te houden. - Nee! Je blijft hier, Mary! Ik wil niet, dat je gaat! Nerveus maar beheerst maakte Mary zich van haar zuster los. - Doe niet zo dwaas, kind. Op de gang is niets. Ik wil weten…. ik moet weten of iemand van de anderen, die…. kreet ook gehoord heeft! Ze liep naar de deur en opende die, maar in dezelfde fractie van de seconde was het alsof ze teruggeduwd werd de kamer in. Hoog en angstig klonk haar gil. Ze deed een pas achteruit en wierp de kamerdeur met een zware slag dicht. Doodsbleek en hijgend bleef ze erachter staan. Ray sprong in hevige angst op. - Mary! Mary! Wat is er gebeurd? Even duurde het voor het antwoord kwam. Met grote ogen keek Mary de anderen aan. Toen zei ze moeilijk: - Er kwam…. een hand…. Een hand met een…. doek, die…. toen ik…. Ik deed de deur open en voor ik…. naar buiten kon gaan, was er…. opeens die….hand! Pat gilde in angst - Een…. hand? vroeg Ray verbaasd. Een hand? En heb je…. iemand gezien? - Nee. Ik werd teruggeduwd. De kamer in! Ik had nog niets… niemand gezien! - Ik heb es een boek gelezen, begon Pat plotseling ijverig te vertellen, een boek van een meneer, die helemaal alleen in zijn kamer zat, heel laat en hij zat voor een gordijn en opeens ging dat gordijn een eindje van elkaar en toen zag hij een hand en die wees naar de muur en op de muur zat een grote vlek bloed en…. - Hou je mond, Pat, sneed Mary haar woordenstroom snel af. ’t Was zeker weer reuze leuk, hè? Plotseling werd er geklopt. Pat stootte een gil uit. - Juffrouw Mary! O! - Wie is daar? riep Mary bang, maar beheerst. Van de gang klonk de stem van kolonel Moore: - Ik ben het. Mag ik binnen komen? Ray sprong op. - ’t Is vader! Ja, kom binnen, vader! Moore opende de deur. - Hallo, kinderen! Verbaasd keek hij de meisjes aan. - Hé, wat zitten jullie daar! Is er wat gebeurd? - Heeft u iemand op de gang gezien, vader? informeerde Ray. - Iemand op de gang? Hoe bedoel je? - Liep daar iemand? Ik bedoel: dicht bij onze deur? - Dat is eigenaardig. Maar vertel eerst eens: waarom vraag je dat? - O, meneer Moore, schoot Pat opgewonden uit, moet u horen! Zo pas…. - Hou je mond, Pat, gelastte Mary en zij vervolgde: - Kijk vader, we hebben zopas iets vreemds beleefd. Wij…. ik bedoel…. Ik wou de gang opgaan, net, nog geen minuut geleden, maar toen ik mijn hoofd om de deur stak, kwam er een hand, die…. - Een hand? vroeg Moore verbaasd. Een hand? Wat bedoel je? Ik begrijp niet…. - Die hand was er opeens. Een hand met een doek erin en die werd in mijn gezicht geduwd en ik werd de kamer weer ingedrukt! - Heeft u iemand gezien, vader? vroeg Ray. Een ogenblik zweeg de kolonel. Toen knikte hij nadenkend. - Ja, ik heb iemand gezien. Weer bleef hij even zwijgen. Toen herhaalde hij: - Ja, ik heb iemand gezien en nu weet ik ook, dat ik op het ogenblik, dat ik die iemand zag, dacht: Hé, wat vreemd, wat doet die daar? Want ze dééd vreemd. Geschrokken, zou ik haast zeggen. - Wie was het, vader? vroeg Mary gespannen. Moore keek haar peinzend aan. - Het was de verpleegster van miss Conwell. Zuster Kate Simon! ----------------------------------------------------------------------------------------------------- Inspecteur Mac Williams klopte aan de deur. Niemand reageerde. Hij klopte weer. - Wie is daar? klonk nors de stem van tante Beatrice. - Ik ben het, juffrouw Beatrice. Inspecteur Mac Williams. Ik zou u graag even spreken. - Ik ben voor niemand te spreken. - Ik moet u toch verzoeken voor mij een uitzondering te maken. De inspecteur wachtte. Na een ogenblik hoorde hij binnen sloffende schreden en vlak daarop ging de deur langzaam open. - Ik hoop het u niet te lang lastig te maken, excuseerde hij zich, terwijl hij binnentrad. Ik wilde alleen even graag een paar dingen met u bepraten. - Er valt hier met mij niets te bepraten. Mac Williams glimlachte en knikte toen. - Nee, dat heb ik ook al ontdekt, antwoordde hij droog, maar ik wou het toch graag nog eens met u proberen. Willen we niet even gaan zitten? Dat praat makkelijker. - Ga uw gang. Ik blijf liever staan. - Dan zit er voor mij niets anders op dan ook te blijven staan. Goed. Hij bezon zich een ogenblik en ging toen verder. - Kijk, juffrouw Beatrice, wij kunnen het elkaar natuurlijk zeer lastig maken, maar daar schieten wij, dunkt mij, geen van beiden erg mee op. Ik moet hier mijn plicht doen en ik zal die doen! Ik overschat mijn betekenis daarbij niet en ik weet dus zeer goed, dat ik bij mijn werk de hulp van ieder goedwillende hier in huis zeer nodig zal hebben. Tante Beatrice lachte schamper. - Dacht je met die doorzichtige comedie bij mij iets te bereiken? Hulp heb je nodig, hè? Hulp van wie, idioot? - Ik geloof niet, dat we met schelden iets bereiken, juffrouw Beatrice. - Met een slechte comedie nog minder. Weer wachtte de inspecteur even. Toen ging hij plotseling tot de aanval over. - U hebt een zeer slechte naam in het dorp, dat weet u? informeerde hij. - Dat weet ik. Wat zou dat? Het interesseert me niet wat het gepeupel van me zegt. - Er worden zeer zonderlinge verhalen over u verteld. Over u en het kasteel. Tante Beatrice keek hem recht aan. - Op dit huis rust een vloek, zei ze toen en ze vervolgde: - Op dit huis en op de mensen, die er wonen! - Hoelang was de vermoorde Peterson bij u in dienst? - Bijna twintig jaar. - Was u tevreden over hem? - Zeg wat je bedoelt! Draai er niet omheen! Fel en hard kwam de snauw, maar de inspecteur bleef zijn rust in alle volkomenheid bewaren. - Mijn vraag is duidelijk, antwoordde hij kalm en hij herhaalde: - Was u tevreden over hem? - Ja. En verder? - Waarom liegt u? U wilde niet, dat hij met het rijtuig naar het station ging om uw familie af te halen. U had met dat zoodje niets te maken, zei u. Even keen Beatrice hem dreigend aan. Toen lachte ze hard en cynisch. - Je hebt je spionnen blijkbaar goed aan het werk gezet. En nou dacht je zeker, dat je er bent, hè? Nou is alles opeens duidelijk, niet? Het hele verhaaltje ligt nou klaar in dat stomverwaande hoofd van je, is ’t niet waar? Rustig ging Mac Williams verder. - U haat de familie Moore. U kunt het niet verkroppen, dat de man, die uw jongste zuster trouwde, mede-eigenaar is van dit huis en dat hij en zijn dochters medezeggenschap hebben. - Ik heb mijn zuster indertijd genoeg gewaarschuwd, maar ze heeft niet willen luisteren. Ze is nooit gelukkig geweest. - Dat gaat mij niet aan. Het gaat mij om dat andere. Weer wachtte de inspecteur even. Toen ging hij opnieuw en nu in alle felheid tot de aanval over. - Laten we dan nu es volmaakt duidelijk worden: U heeft hevige ruzie gemaakt met Peterson, toen u bleek, dat hij zich niet door u liet weerhouden om tóch naar het station te gaan! Is dat juist? - Ja. Het ja klonk tartend. - U heeft hem bedreigd. Is dat juist? - Ja! En ik zou dat dreigement hebben uitgevoerd als ik er de gelegenheid voor gekregen had! Weet je nou genoeg? Mac Williams schudde het hoofd. - Nee, juffrouw Beatrice, ik weet nog niet genoeg. Laat ik u dit zeggen: Ofschoon er zeer veel is, dat tegen u getuigt, geloof ik toch niet, dat u de schuldige is. Ik neem namelijk niet aan…. Weer klonk de lach van Beatrice. Nu bijna echt geamuseerd. Maar dadelijk daarop verstarde weer haar gezicht en sarcastisch zei ze: - Moet ik je zeggen, dat je een nobel mens bent, idioot? Moet ik je bedanken voor je vertrouwen? - U schijnt de ernst van de situatie niet geheel te beseffen. - Ik besef alles wat je wilt, maar laat me met rust! Laat me met rust, zeg ik je! - Ik kan u laten arresteren, verdacht van moord! - Je moet een verdachte hebben, hè? Dat eist je vak! Doe het als je durft! Maar je durft niet, want je weet, dat je alleen maar jezelf belachelijk maakt! Woedend kwam ze een pas dichterbij en met gestrekte arm wees ze naar de deur. - Ga eruit! - Ik maak u erop attent…. - Eruit, zeg ik je! Voor de laatste maal, eruit! - U mag uw kamer niet verlaten. - Ik ben niet van plan mijn kamer te verlaten. Ik heb er genoeg van dat gespuis hier te zien rond lopen! Eruit! Een seconde weifelde de inspecteur. Toen draaide hij zich om en verliet de kamer. Hij liep de gang op, maar bleef plotseling staan. Duidelijk hoorde hij voetstappen. Opeens zag hij in het halfduister Carl Lawrence, die juist de trap op wilde gaan. Hij liep omzichtig, alsof hij bang was, dat iemand hem zou horen of opmerken. - Meneer Lawrence! Hoog en helder klonk de stem van Mac Williams. Lawrence draaide zich om, keek en kwam toen dichterbij. - Jawel, inspecteur? - Ik had u gezegd, dat u op uw kamer moest blijven. Wat doet u hier op de gang? - Ik…. eh…. Neem me niet kwalijk, inspecteur. Ik wilde een boek halen uit de bibliotheek beneden. - Ik heb zeer duidelijk gezegd, dat niemand zijn kamer mag verlaten, nietwaar? - Ik zal me eraan houden. Ik vraag excuus, inspecteur. - Juist. Gaat u dan nu naar uw kamer terug! Lawrence draaide zich om en ging de trap op. Hij vloekte zacht. Snel liep hij boven over de brede gang en opende de deur van zijn kamer. Verbaasd bleef hij staan. Toen trad hij snel binnen en sloot de deur achter zich. Midden in de kamer stond de jonge vrouw. - Wat betekent dat? Wat doet u daar? De vrouw draaide zich geschrokken om en keek hem aan. - Wie is u? Wat moet u hier? De stem klonk vreemd en afwezig. - Wilt u mij verklaren, miss Conwell, wat u hier in mijn kamer doet? herhaalde Lawrence. Langzaam kwam miss Conwell dichter naar hem toe. Toen fluisterde ze alsof ze hem een diep geheim toevertrouwde: - Ze zoekt mij, maar ze vindt mij niet. Ze weet niet, dat ik hier woon. Ze meent, dat ik slaap, begrijpt u wel? Ze lachte en de lach was die van een verdwaasde. Lawrence keek haar aan. - Nee, antwoordde hij toen, maar…. - Ze wil mij vermoorden, ging de jonge vrouw heel zacht verder. Ze doet net alsof ik gek ben, maar ze weet wel beter. Ze wil mij uit de weg ruimen, maar ik ben op mijn hoede. Lawrence keek de kamer rond. - Miss Conwell, wat deed u bij mijn schrijfbureau? - Ik weet niet wat u bedoelt…. Ik…. - U heeft de laden opengetrokken. U…. Weer keek miss Conwell hem zeer verwonderd aan. - Maar ik woon hier, kwam ze toen. Dit is mijn kamer. U moet weggaan. U moet ogenblikkelijk weggaan. U maakt mij nerveus. U kunt hier zo maar niet binnendringen! U maakt mij bang! Ik wil weg! Ik wil weg uit dit huis! Ik…. Ze maakte haar zin niet af, maar barstte in een wild hysterische lach uit. Lawrence trachtte haar te kalmeren. - Maar begrijp dan toch, miss Conwell, dat ik…. Verder kwam hij niet. Hij hoorde hoe iemand op de deur klopte en draaide zich om. - Ja? Binnen! Het was zuster Kate. - Ik ben het, meneer Lawrence, zei ze, terwijl ze naar de patiente liep, die ze onder de arm vatte en trachtte mee te voeren. - Wat doet u nu, miss Conwell? Ik zoek u overal en…. De ander rukte zich los en holde naar de tegenovergestelde hoek van de kamer. - Laat haar weggaan, meneer Lawrence. Ze moet weggaan! Ze wil mij vergiftigen! Ze doet iets in mijn thee! Ze…. Maar de verpleegster liet niet af. Weer nam ze haar onder de arm en langzaam trok ze haar mee. - Kom nu maar. Gaat u nu rustig met mij mee, ja? Zo…. zo…. En zacht zei ze tegen Lawrence: - U moet haat gelijk geven. Het is weer helemaal mis vanavond. De emotie heeft haar te zwaar aangepakt. En weer luider tegen de patiente: - Zo, hè? Ja, zo…. Ja…. - Het is heus goed, miss Conwell, hielp Carl Lawrence haar. - Zult u mij helpen, meneer Lawrence, als zij….? - Ja zeker. Gaat u maar rustig mee. Ik let wel op. Voorzichtig leidde de verpleegster de patiente de kamer uit. Lawrence sloot achter de twee de deur. Toen bleef hij nadenkend staan. - Merkwaardig, zei hij voor zich. Merkwaardig…. Wat betekent dat? ----------------------------------------------------------------------------------------------------- - En, inspecteur, informeerde kolonel Moore, toen zij weer bij elkaar in de grote kamer zaten. Is u verder gekomen? De inspecteur knikte. - Iets wel, ja. Inderdaad heeft juffrouw Beatrice toegegeven, dat ze hevige ruzie heeft gehad met de oude Peterson voordat hij naar het station ging, maar veel duidelijker is mij een en ander toch niet geworden, kolonel. - Merkwaardig. De haat van Beatrice schijnt wel erg diep te zitten. De inspecteur scheen hem niet gehoord te hebben. - Wie is eigenlijk precies die Carl Lawrence? informeerde hij. - Carl Lawrence is de zoon van een dienstmeisje, antwoordde de kolonel. De vader was onbekend tot mijn oudste zwager overleed. Op zijn sterfbed heeft hij namelijk meegedeeld, dat Carl zijn zoon is en hij heeft hem in zijn testament ook mede-erfgenaam gemaakt. Zodoende woont hij hier. Na de oorlog is hij hier ook weer teruggekeerd. Maar Mary mijn oudste dochter weet meer van de eigenlijke verhoudingen hier af. Ik zal haar even voor u roepen. - Graag. Als u het wilt doen! De kolonel verliet de kamer. Snel liep hij door de brede gang. Plotseling klonk er een schot. De kogel vloog rakelings langs zijn hoofd en sloeg een stuk kalk uit de muur achter hem. Overal werden deuren geopend en van alle zijden kwamen de bewoners aanhollen. - Daar, schreeuwde de kolonel. Het schot kwam van achter uit de gang! Haastig kwam inspecteur Mac Williams aanhollen. - Is u gewond, kolonel? - Nee, maar het scheelde geen haar! De kogel ging precies langs mijn hoofd. Daar ziet u het gat in de kalk! Ze holden de gang in. Niemand! Mac Williams keerde terug naar het andere einde en zocht. Na een ogenblik raapte hij iets op. - Hier heb ik de kogel, deelde hij de kolonel, die zich geheel hersteld had, mee. Ik feliciteer u. ‘t Is naar alle waarschijnlijkheid een kogel uit een stengun. Er had gemakkelijk een tweede of een derde op kunnen volgen. - Misschien is de man geschrokken van de hevige knal, meende de kolonel. Het was me het lawaai wel hier op die gang! De inspecteur keek rond. Hij knikte. - Willen de dames en heren weer naar hun kamers teruggaan? verzocht hij. U hoort van mij. Gaat u met mij mee, kolonel? - Graag, inspecteur. Samen gingen ze de kamer weer binnen. Toen de inspecteur de deur achter zich sloot, zei hij: - De kring wordt kleiner, kolonel! Wie hier in huis is in het bezit van een stengun? Ik geloof namelijk, dat we zeer snel moeten werken! ----------------------------------------------------------------------------------------------------- In de kamer van miss Conwell pakte de verpleegster het een en ander bij elkaar. Juist toen zij iets tegen de patiente wilde zeggen, werd er geklopt. Ze keek even miss Conwell aan en dadelijk daarop klonk schril en hard de waanzinlach. - Ja? Wie is daar? - Zou ik u even kunnen spreken, zuster Kate? Het was de stem van Mac Williams. De verpleegster ging naar de deur en opende die. - Ik kan u helaas niet binnenlaten, inspecteur. Het is weer helemaal mis met mijn patiente. - Dat is erg jammer. Ik had haar iets willen vragen. - ik geloof niet, dat we de eerste uren ook maar op één verstandig woord van haar mogen hopen, inspecteur. Wil ik u waarschuwen, zo gauw als er een kans is? - Als u dat wilt doen, heel graag. - Maar natuurlijk, inspecteur. Tegelijk klonk van binnen uit de kamer weer de schelle lach en daarna de roep: - Zuster Kate! Zuster Kate - Ik moet weer naar haar toe, inspecteur. - Goed. Ik wacht op uw teken. Zacht deed de verpleegster de deur weer dicht. Even keek miss Conwell haar aan. Ze knikte. - loopt er niemand meer rond? Kijk toch maar even op de gang, Kate. De zuster keek en sloot daarna weer de deur. - Hij is weg en verder is er niemand. Ze zijn allemaal op hun kamers. - Geef mij dan mijn gummihandschoenen en trek jij de jouwe ook aan. Heb je alles klaar staan? Vergeet vooral de doek niet. Zuster Kate keek rond. - Alles is er. - Goed. Pasop, daar is iemand! Hoog en schel klonk weer de lach van de waanzinnige. Als in kramp stootte ze de woorden uit: - Ik wil hier niet blijven! Ik wil weg! Tussen twee gillen beet ze de verpleegster toe: - Trek je gummihandschoenen uit voor je opendoet! En daarna weer gillend: - Ik wil weg! Weg! De verpleegster opende de deur. Het was kolonel Moore, die te wachten stond. - Kan ik even binnenkomen, zuster Kate? - Het is beter, dat u wacht tot morgen, kolonel. Ze is…. - Ja, ja, ik hoor het. ’t Is goed, zuster. De kolonel draaide zich om en verdween. Zuster Kate sloot opnieuw de deur. - Net op tijd nog, zuchtte ze. - Kijk voorzichtig of hij naar boven gaat, klonk het bevel, dat de verpleegster dadelijk opvolgde. - Ja, hij is weg. Hij is de trap opgegaan. - Goed. Dan vlug. Schrijf op dit stuk papier: “Miss Conwell slaapt. Gelieve niet te storen!” Heb je dat? - Ja. - Goed. Prik het dan op de deur. Klaar? - Ja. Even nog liet miss Conwell haar blik door de kamer glijden. Toen knikte ze tegen de verpleegster. - Vooruit dan. Kom mee! ----------------------------------------------------------------------------------------------------- Om Dodenhuis loeide de storm. |
|
|
|