Dodenhuis

DERDE DEEL

"De derde nacht"

 

Het was bijna middernacht. De twee meisjes Moore zaten op haar kamer. Ze hadden gepraat en overlegd maar al dat praten had geen resultaat gebracht. Nu zwegen ze en ieder van haar was in eigen gedachten verzonken. Buiten floot de wind om de muren van het oude kasteel en heel in de diepte raasde de zee.

- Weet je, Ray, kwam Mary plotseling en het was alsof ze meer haar eigen gedachtenreeks dan het gesprek vervolgde, weet je: Er is iets, dat me zegt, dat we op onze hoede moeten zijn en ik voel, dat het juist is. Ik zou alleen niet kunnen zeggen waarom.

Met iets van wanhoop in haar blik keek Ray haar aan.

- Waarom kunnen we dit ellendige huis niet verlaten? Altijd raast de wind en dan die kokende zee daar heel beneden. Ik ben bang hier! Bang!

Mary kwam naar haar toe en legde troostend en moederlijk haar arm om de schouders van haar zoveel jongere zusje.

- Kom, kindje, kom…. Je weet heel goed, dat we niet weg kunnen gaan. Wat zou vader zeggen als we nu gingen vluchten? Je zou trouwens niet eens willen, dat weet ik zeker!

Even keek Ray peinzend voor zich, toen knikte ze.

- Nee, je hebt gelijk. Ik was even zwak, zie je en je moet je nooit laten leiden door angst. Je moet nooit bang zijn. Het is net zoals vader zegt: Je moet dapper op de dingen afgaan, dan win je!

Even lichtte een glimlach op Mary’s gelaat. Toen streek ze liefkozend over Ray’s haren.

- Goed, kindje, heel goed. En ga jij nu maar dapper op je bed af, ja?

Smekend keek de ander haar aan.

- Maar ik kan hier toch blijven slapen? Hier bij jou? De nacht lijkt me zo griezelig. Nu vooral, na…. na wat er gebeurd is.

Mary knikte.

- Natuurlijk blijf je bij mij. Kleed je maar vlug uit en kruip dan diep onder de dekens. Dan hoor je en dan zie je niets en dan ontwaak je morgen fris en vrolijk. Goed?

- Ja, goed.

Ray stond op en begon zich uit te kleden.

- Weet je, begon Mary en ze voelde, dat het klonk alsof ze nog een verklaring wilde geven van haar woorden en gevoelens, weet je: het is natuurlijk de sfeer hier, die ons beetpakt. Er zit hier iets in de lucht, dat…. Maar je hebt volkomen gelijk: we mogen daar niet aan toegeven, we moeten ons met kracht verzetten. Als we dat niet doen, worden we de dupe!

- Natuurlijk mogen we dat niet, maar weet je… Vanavond heb ik er nog over nagedacht en nu weet ik het heel precies: ik geloof niet, dat je in dit huis ooit vrolijk, echt blij zou kunnen zijn.

- Nee, dat geloof ik ook niet. Wil ik het licht nu maar uitdoen?

- Zou je niet een klein lichtje, een heel klein lichtje laten branden?

- Ja, kindje, ik zal het doen. Deze kaars?

Ray knikte en kroop met een zware zucht diep onder de dekens.

- Ja, zo is het goed. Goeden nacht, Mary.

Mary kwam naar haar toe en kuste haar.

- Goeden nacht, meiske.

Toen ging ze zelf ook naar bed.

Zwaar stond de stilte in de grote kamer.

Plotseling was er een geluid. Mary richtte zich op in bed en luisterde scherp. Niets. Toen-opeens-daar was het weer. Alsof er buiten met een hard voorwerp tegen de muur werd getikt.

- Mary! Slaap je al?

De stem van Ray klonk bevend en bang.

- Nee….

- Hoor je dat? Dat geluid? Weer alsof er iemand…. tikt.

- Ja. Stil es even.

Ze luisterden. Alle twee zaten ze rechtop in bed. Opeens: daar was het weer. Tikken. Scherp, kort, hoog tikken.

- Hoor jij waar het vandaan komt? vroeg Ray angstig.

- Stil…. stil.

Weer hoorden ze het tikken en nu was het alsof het van dichterbij klonk.

- Is daar iemand?

Mary’s stem klonk schor van angst.

Het werd weer stil. En weer riep Mary: - Is daar iemand?

Enkele seconden hoorden ze geen geluid. Toen viel er plotseling een stuk kalk van de muur met een zware plof op de houten vloer.

- Mary! Daar viel iets! Mary!

Snel sprong het oudste meisje uit bed.

- Daar viel iets! Vlug! Vlug!

Met bevende handen ontstak ze het licht en ging toen met de kaars in de hand naar het duistere achtergedeelte van het grote vertrek.

- Daar! Daar! wees Ray.

Mary bukte zich en raapte iets op.

- Het is een stuk kalk. ’t Is uit de muur gevallen. Daar, zie je het? Daar halverwege, daar zit een gat!

Plotseling klonk er een zachte klop op de deur. Ray schrok hevig en stootte een angstgil uit.

- Wie is daar?

- Ik ben het, juffrouw Mary! Ik!

Het was de stem van Pat en snel liep Mary naar de deur, die ze opende.

- kom gauw binnen.

- Is er iets, juffrouw Mary?

- Ja. Ray en ik hoorden de hele tijd weer die rare geluiden!

Verbaasd keek het kamermeisje haar aan.

- Rare geluiden? Wat bedoelt u?

- Dat tikken en kloppen. We lagen alle twee al in bed en we hebben het allebei gehoord.

- Zouden het toch spoken zijn? Ik heb es een boek gelezen van ook zo’n oud huis en daar wandelden allerlei oude voorvaders in rond. Door de gangen liepen ze en over de trappen. Tussen twaalf uur ’s nachts en half een. En als je er ’s nachts een van tegenkwam, kreeg je een klap! Verschrikkelijk griezelig. Reuzeleuk!

Peinzend keek Mary voor zich. Toen knikte ze en met iets van wantrouwen in haar blik, zei ze: - Nee, ik geloof niet, dat het spoken zijn. Alleen….

Ze maakte haar zin niet af.

- Nu weet ik het, kwam Pat plotseling. Ik heb het me niet verbeeld. Ik heb het mezelf ingepraat. Nu weet ik het zeker.

- Waar heb je het over? Wat bedoel je? informeerde Ray.

- Weet u, zopas, vervolgde Pat geheimzinnig, toen ik hierheen ging, kwam ik van boven en toen ik op de trap liep, meende ik iets te horen. Ik bleef staan luisteren, want ik wist niet wat het was en…. het was een beetje gek en griezelig ook, want het was net alsof er gelopen werd en toch ook weer niet.

- Je kletst weer, Pat, viel Mary uit.

- Laat haar nou es even, Mary, adviseerde Ray. En toen?

- Nou en toen hoorde ik  niets meer, maar ik zag wat. En dat was het nu juist, want dat was het wat ik meende, dat ik mij had verbeeld.

Gespannen keek Mary haar aan.

- En wat was dat? Wat zag je?

- ik keek heel voorzichtig over de leuning van de trap en toen zag ik twee donkere figuren, die heel zacht en voorzichtig door de gang slopen. Je hoorde niets, je zag ze alleen voortschuiven.

- Kende jij die…. figuren? vroeg Mary.

- Dat was het nou juist, juffrouw Mary. Eerst dacht ik: ja, maar vlak daarop, toen ik beter kijken wou, toen…. waren ze opeens weg!

Met grote ogen keek Ray naar het kamermeisje.

- Weg? Maar hoe….?

- Ja, dat is het nou juist! Dat is juist het gekke van het geval. O, ik stond gewoon te trillen op mijn benen!

Even dacht Mary na. Toen vroeg ze: - Maar toen je dacht, dat je die twee figuren kende, wie dacht je toen, dat het waren?

- Dat is…. Ziet u, juffrouw Mary, ik zag ze maar ik zag ze niet goed. Het is hier op gangen voortdurend zo halfdonker, zo wazig en….

Ze stopte en scheen even na te denken.

- Nee, nu weet ik het, vervolgde ze zeer beslist. Ik heb het me niet verbeeld! Maar weet u waar het van kwam? Terwijl ik stond te kijken, waren die twee opeens verdwenen! Zo maar! Alsof ze dwars door de muur weggelopen waren!

Met een glimlach schudde Mary haar hoofd.

- Maar, mijn lieve kind, je zenuwen hebben je helemaal in de war gebracht. Nog één vraag: heb je later, toen je op de gang kwam, nog gekeken?

- Ja, ik heb gekeken. Op dezelfde plek waar die twee verdwenen waren.

- Nou? En?

- Ik had ze door de muur zien gaan. Ik had ze zien verdwijnen. Ik weet het heel, heel zeker! Maar toen ik ging kijken, toen zag ik niets. En op de plek waar ik ze heb zien verdwijnen, daar…. daar is geen deur in de muur, juffrouw Mary!

----------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Met duidelijk getoond vertrouwen had inspecteur Mac Williams zich tot kolonel Moore gewend. De mensen, die den politieman omgaven, waren hem vreemd, hun belangen eveneens.

- Er is veel in deze zaak, dat ik niet begrijp kolonel. Misschien kunt u mij met een enkele inlichting wat op weg helpen.

- Als ik dat kan, dan natuurlijk gaarne, inspecteur.

- Om te beginnen: wie is precies deze miss Conwell?

De kolonel wachtte even voor hij antwoord gaf.

- Ja, inspecteur, zei hij toen, daar stelt u mij een vraag, die mij zelf ook reeds herhaaldelijk heeft beziggehouden. En ik kan u, zomin als mij zelf een antwoord geven. Tenminste geen, dat enige bevrediging geeft. Het enige wat ik van haar weet is, dat ze een dochter is van een nicht van Beatrice. Ze is dus een achternichtje. Ook van mijn overleden vrouw natuurlijk.

Nadenkend keek inspecteur Mac Williams voor zich.

- Ja…. wat zoekt deze miss Conwell dan hier? vroeg hij halfluid en blijkbaar evenzeer aan zichzelf als aan den kolonel. Ze is zeer ziek. Sommige momenten zelfs zó erg, dat men de indruk krijgt, dat ze beter in een sanatorium thuis zou zijn dan in de gewone maatschappij. Het volgende ogenblik spreekt ze tamelijk gewoon, maar men merkt toch altijd aan haar, dat ze…. laten we zeggen…. niet geheel normaal is.

- Ja, inderdaad, maar….

- Ziet u: mij intrigeert deze vraag: wat zoekt ze hier? Met andere woorden: lijkt het u logisch, dat een zenuwzieke dame naar dit kasteel komt om van die zenuwziekte herstel te zoeken?

- Nee, inderdaad. Ik heb eerlijk gezegd wel eens de indruk gekregen, dat een normaal mens hier bij tijd en wijle alle gelegenheid krijgt om zenuwziek te worden! Ik heb mijn dochters, die het zo hartelijk meenden, niet willen terughouden en eerlijk gezegd had ik ook gehoopt, dat Beatrice…. eh…. veranderd zou zijn, maar als ik alles geweten had, zou ik toch….

De inspecteur knikte.

- De hele bevolking bevalt me eerlijk gezegd maar matig, Er hangt iets vreemds hier, iets lugubers, iets dreigends ook. Ik….

Mac Williams zweeg plotseling. Even luisterde hij scherp.

- Hoort u dat vroeg hij toen zacht.

 De kolonel knikte.

Zacht maar duidelijk klonk het pianospel van Carl Lawrence.

- Die…. eh…. Pianomuziek bedoelt u, inspecteur?

 
(Klik op bovenstaande player om de "riedel" van Carl Lawrence te horen. Met dank aan Jack Mulder!)
 

De muziek eindigde.

- Ja. Nu stopt hij weer. Dat heeft hij een paar uur geleden ook zo gedaan. Hij speelde toen ook een paar maten, stopte, en begon na een ogenblik opnieuw.

- Wat bedoelt u?

- Ik bedoel, dat men dat toch geen gewoon musiceren kan noemen? Daar begint hij weer. Weer hetzelfde, hoort u wel?

Duidelijk hoorden ze Carl Lawrence boven weer het vreemde fascinerende motief spelen. Geheimzinnig, donker klonk de muziek. Dreigend, luguber.

- Ik heb alle bewoners van dit huis met nadruk gelast, dat ze allen op hun kamers moeten blijven, vervolgde de inspecteur na een ogenblik. Ik heb hun allen gezegd, dat zij zich als onder arrest moesten beschouwen. Toch voel ik, laat ik maar liever zeggen weet ik, dat er een aantal onder hen is, dat zich niet aan die instructie houdt! Ik heb een paar keer enkelen van hen op de gang gezien en als ik dan plotseling te voorschijn kwam en informeerde wat de bedoeling precies was, wisten ze daar geen van allen ooit recht antwoord op te geven.

De twee mannen keken even voor zich, alle twee in eigen gedachten verdiept.

- Hoe laat is het? informeerde plotseling de inspecteur.

- Het is kwart voor elven. 

- Voelt u er iets voor om eens de ronde te gaan doen, kolonel?

- De ronde? Hoe bedoelt u?

- Ik wil precies weten wie er niet op zijn of haar kamer is. En bovendien zou ik wel eens een paar andere dingen willen onderzoeken. Heeft u trek om met mij mee te gaan?

- Met genoegen, inspecteur.

- Vooruit dan! Laten we dan dadelijk maar beginnen. Wie weet voor welke verrassingen wij nog komen te staan. Ik heb zo’n idee, dat onze tocht niet voor niets zal zijn, al zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen waar dat vermoeden op gebaseerd is.

Ze openden de deur en liepen de gang op. Zo zacht mogelijk bewogen ze zich over de grote stenen tegels. De flikkerende vlammen van de lantarens, die op bepaalde afstanden tegen de muren waren gehangen, lieten de brede gang in een onwezenlijk half duister. Plotseling greep de kolonel de arm van den inspecteur.

- Stil, inspecteur, fluisterde hij. Daar komt iemand de trap af.

Ze luisterden scherp, maar hoorden niets meer.

- Merkwaardig, fluisterde kolonel Moore weer, ik zou gezworen hebben, dat ik iemand had gehoord.

Een paar seconden bleef het stil. Toen hoorden ze boven zacht maar duidelijk een deur dichtgaan.

- Daar werd een deur gesloten, dat hoorde ik duidelijk.

De inspecteur knikte.

- Ja, dat heb ik duidelijk gehoord. Komt u mee, maar loop zo geruisloos mogelijk.

Zacht liepen ze verder. Toen bleef de inspecteur staan.

- Dit is de kamer van miss Conwell.

De kolonel knikte. Toen liep hij tot vlak voor de deur.

- Kijkt u es: er is een briefje op de deur geprikt: “Miss Conwell slaapt, gelieve haar niet te storen. Zuster Kate”.

De inspecteur kwam naast hem staan en in het licht van zijn electrische zaklantaren bekeek hij het briefje.

- Merkwaardig, kwam hij toen. Zeer merkwaardig. Voor wie is de mededeling bestemd? Als u normaal naar bed gaat ’s avonds, doet u zoiets toch niet, wel?

- misschien was de zuster bang, dat er tóch nog iemand zou kloppen en misschien is ze blij, dat haar patiente eindelijk slaapt.

- Misschien…. ja. Laten we maar eerst verder gaan.

Ze liepen de trap af en toen een eind van de gang boven op. Voor een deur bleef Mac Williams weer staan.

- Hier woont Carl Lawrence geloof ik, niet?

- Ik meen van wel, ja.

De inspecteur klopte. Er kwam geen antwoord. Hij klopte weer. Toen hoorden ze de stem van Carl Lawrence: - Wie is daar?

- Inspecteur Mac Williams, meneer Lawrence. Wilt u even opendoen?

- Ik…. eh…. ik lig al in bed, inspecteur.

- Dat spijt me maar ik wou tóch graag, dat u even de moeite nam om de deur te openen, meneer Lawrence.

De stem van de inspecteur klonk dwingend, maar Lawrence scheen dat niet op te merken: - Is het werkelijk zo noodzakelijk, inspecteur? Ik heb hevige kou gepakt en….

- Doet u de deur open, meneer Lawrence!

De deur ging open en de kolonel en de inspecteur traden binnen. Met opgetrokken wenkbrauwen keek Mac Williams naar Carl Lawrence, die midden in de kamer was blijven staan.

- Ik meende, dat u met hevige kou naar bed gegaan was, meneer Lawrence?

Lawrence reageerde niet.

- En? Had u niets meer te zeggen? informeerde de inspecteur.

- Ik had geen trek om zo laat nog bezoek te ontvangen, antwoordde de jonge man nors. Mac Williams kwam een paar passen naar voren en knikte toen: - Nee, dat begrijp ik! U had al bezoek!

Hoog en scherp klonk plotseling de stem van den inspecteur: - Kom es achter dat gordijn weg, man! Handen omhoog, alle twee!

Even viel er een stilte. De twee stonden met de handen geheven. Mac Williams keek Lawrence even onderzoekend aan en daarna de ander: - Zo, Millner! Dat is de tweede keer, dat ik jou in een nogal vreemde situatie hier in huis aantref. Heeft u een verklaring te geven, meneer Lawrence?

- Ik had Millner gevraagd om even bij mij te komen. Ik had iets met hem te bespreken, inspecteur.

- Zo. En verder?

- Meer niet.

- Heb jij nog iets te zeggen, Millner?

- Nee. Niets.

Laag en schor klonk de stem. Zeer onbeleefd ook.

- Zo. De heren zijn nogal slecht bespraakt, merk ik.

Opnieuw wendde Mac Williams zich tot Lawrence.

- U speelt piano, meneer Lawrence?

Opeens scheen de jongeman nerveus te worden.

- Ja…. Wat bedoelt u, inspecteur?

- Niets. Zomaar. Ik hoor u graag. U speelt nogal vaak en…. altijd hetzelfde, hè?

Plotseling vernaderde de politieman van toon.

- De heren moeten wachten, beval hij vrij scherp. U krijgt straks een sein. U kunt voorlopig nog niet naar bed. Straks komt u bij me. Jij gaat nu naar je eigen kamer, Millner en wacht daar af. Heb je mij begrepen?

- Ja.

Langzaam liep de oude man naar de deur. Zonder een woord verliet hij de kamer. Toen hij op de gang was, hoorden de anderen hem zwaar hoesten.

De inspecteur knikte en keek weer Lawrence aan.

- Ja, ja, zo heeft ieder mens zijn aanwensels. De een speelt piano en de ander…. hoest! Gaat u mee, kolonel?

Toen ze weer op de gang waren, informeerde de inspecteur: - Wat dacht u ervan, kolonel?

- Die twee hebben iets met elkaar uitstaande, dat is duidelijk. Alleen…. ben ik er niet achter wát!

- In elk geval zijn ze er niet erg openhartig mee.

- Nee, dat zijn ze zeker niet. En de eigenaardige houding van Millner vlak na de moord, verschijnt nu ook in een, laat ik zeggen…. merkwaardig licht.

Mac Williams knikte. Ze liepen verder. Voor de deur van miss Conwell bleef hij staan.

- Kijk, het briefje zit nog op de deur.

- U had toch niet verwacht, dat ze het in de nacht zouden weghalen, inspecteur?

- Nee…. Ik weet eigenlijk niet precies wat ik verwacht had, maar dát ik iets verwacht is zeker. Alleen schijnt in dit ellendige kasteel altijd iets te moeten gebeuren, dat…. niemand verwacht! Stop! Hier zijn we bij tante Beatrice.

- Vindt u het niet wat laat om….

De stem van de kolonel klonk aarzelend.

- Ik zie licht onder de deur. We zullen zacht kloppen, antwoordde Mac Williams.

Er kwam dadelijk antwoord. De stem van tante Beatrice. Fel en agressief, een tikje geschrokken toch ook scheen het.

- Wie is daar?

- Inspecteur Mac Williams, juffrouw Beatrice. Wilt u even opendoen?

- Nee.

De inspecteur draaide zich om naar Moore.

- Er is iets, kolonel, zei hij zacht. Ik voel, dat er iets is!

Luid liet hij erop volgen: - Ik gelast u als politieman de deur te openen!

Nors en resoluut kwam ogenblikkelijk het antwoord: - Nee. Het is me te laat!

- Ik zal het u niet te lastig maken, juffrouw Beatrice. Ik heb u alleen maar een vraag te stellen. U kunt me in de deur te woord staan.

De twee mannen hoorden sloffende schreden en vlak daarop ging de deur open.

- Wat wil je? Wat moet je?

In hetzelfde ogenblik was Mac Williams Beatrice voorbijgestapt. Ze trachtte hem bij de arm te grijpen en tegen te houden.

- Ga weg! Nee, je komt er niet in! Ga weg, kerel! Ga weg!

De inspecteur stond reeds in de kamer, keek en knikte. Even was het stil, toen zei hij: - Maar dat is merkwaardig! Zo laat en dan nog bezoek! Ik had een briefje op uw deur gevonden, zuster: “Miss Conwell slaapt. Gelieve niet te storen!”

Rustig kwam het antwoord van de verpleegster: - Miss Conwell heeft inderdaad geslapen, inspecteur.

Fel viel Beatrice uit: - Wat gaat dat jou aan, imbeciel? Wat heb jij daarmee te maken? Zoek liever de dingen uit, die je aangaan!

- Daar ben ik juist voor gekomen, juffrouw Beatrice. Ja, daar ben ik juist mee bezig….

Zeer nerveus en bevend kwam miss Conwell naar voren.

- Ze schreeuwen zo. Ze schreeuwen allemaal zo. En op de gang is het koud. Ik heb het zo koud….

Kalmerend legde de verpleegster haar hand op de arm van miss Conwell.

- Wacht u nog maar even. We gaan zo dadelijk naar onze kamer terug. Ik heb het u toch gezegd. Maar u wilde weer eens niet luisteren!

Mac Williams kwam nog iets dichterbij: - Miss Conwell, verstaat u mij?

Verwonderd en met hoog opgetrokken wenkbrauwen keek de jonge vrouw hem aan: - Natuurlijk versta ik u.

- Geef hem toch geen antwoord. Hij weet immers zelf niet wat hij balkt, de ezel, viel jufrouw Beatrice fel uit.

- Miss Conwell, wat deed u hier op de kamer van juffrouw Beatrice?

Verdwaasd, afwezig dwaalde haar blik over het gezicht van den inspecteur.

- Ik had het koud, ik zei: Ik wil weg! Ik wil eruit! En de zuster wilde niet. Toen ben ik eruit gelopen en…. en hierheen!

- Zo. zo. Juist. Zo maar uit bed weggelopen? U heeft zich dan zeker eerst weer aangekleed?

Opnieuw kwam de felle aanval van juffrouw Beatrice.

- Zie je dan niet, dat je haar met je stomme vragen alleen maar opwindt? Hebben ze dan alleen maar ossen en ezels bij de politie?

Miss Conwell vervolgde, alsof niemand iets gezegd had: - En toen ik hier was, toen kwam ze me na. Ze loopt me altijd na. Ze doet wat in mijn thee! Vanavond heeft ze er ook wat ingedaan!

Plotseling gilde ze hoog en hard. Ze draaide zich om en vloog naar de deur: - Ik wil weg! Ik ben bang! Bang! Ik wil eruit!

Snel kwam zuster Kate naar haar toe. Ze stak haar arm onder die van miss Conwell: - U moet u kalm houden, miss Conwell. Er is niemand, die u wat wil doen. Werkelijk niemand.

Dreigend kwam Beatrice naar voren. Fel keek ze den inspecteur in de ogen. Met gestrekte arm wees ze naar de deur.

Eruit! Nu is het voldoende, niet? Al ben je honderd keer van de politie, nu ga je eruit! En jullie ook. Naar bed! Ik wil mijn rust hebben. Ik heb genoeg van jullie allemaal. Wat is dat voor een gekkenhuis?

Woedend wendde ze zich tot de kolonel: - En jij, wat moet jij erbij?

- De inspecteur had mij verzocht hem op zijn tocht door het huis te vergezellen, Beatrice, antwoordde Moore rustig. Daarom….

- Daarom, hè? Daarom! En jij bent alleen maar meegelopen, hè? Je kon weer es de gelegenheid benutten om te spioneren, niet?

- Op jouw verdachtmakingen heb ik niets te zeggen.

- Nee! Jij hebt niets te zeggen en je krijgt ook niets te zeggen, hoor je? Al lig je nog zo ingespannen op de loer! Je hebt en je krijgt niets in te brengen, daar zal ik voor zorgen.

De stem van de kolonel beefde licht toen hij antwoordde: - Ik wens niet meer in te brengen te hebben dan mijn recht….

- Jouw recht? Jouw recht?

Beatrice lachte schamper: - Wat weet jij van recht? Je hebt nooit iets anders gedaan dan op het recht trappen!

Mac Williams probeerde een eind te maken aan de onverkwikkelijke discussie: - Ik moet u vriendelijk verzoeken….

Dreigend kwam Beatrice nog iets dichter naar hem toe: - Ga je of ga je niet? Snel zeg ik je! Heel snel!

- Juffrouw Beatrice, ik zal u zo dadelijk laten halen. Dan komt u allemaal naar mijn kamer. Ik heb het een en ander met u te bespreken.

- Moet miss Conwell ook komen, inspecteur? informeerde de verpleegster zorgelijk.

- Het spijt me, zuster, maar het moet. Dit is zeer belangrijk.

- Ik wil weg, ik wil weg, kwam bevend weer de stem van miss Conwell. Ze zijn allemaal zo gemeen, zo….

Toen viel de deur achter Mac Williams en kolonel Moore in het slot.

Juffrouw Beatrice keek miss Conwell aan. Die knikte.

- Jammer, zei ze toen.

- Ik heb het je wel gezegd, antwoordde Beatrice. Het was stom van je om hier te komen. Je weet nu eenmaal: hij kan elk ogenblik overal verschijnen. Daar had jij rekening mee moeten houden.

De jonge vrouw knikte.

- Ja, dat is waar: het was stom. Maar we zullen de fout herstellen. Kom vlug mee, Kate. Vlug!

Haastig verlieten de twee de kamer.

Op de gang klonk de nerveuse, schelle lach van de patiente. In de verte hoorde men de droge blaffende hoest van Millner.

En toen viel het schot. Het geluid donderde voort door de hoge brede gangen en de echo rommelde na op de hoge etages in de gewelven.

Sterk klonk de schreeuw van kolonel Moore; - Hier! Hier!

Overal werden deuren geopend. Van overal kwamen de bewoners van het kasteel.

Weer de kreet van Moore; - Hier! Hier is het!

Carl Lawrence was de eerste. Hij boog zich over het lichaam, dat op de grond uitgestrekt lag.

- Het is de inspecteur zeide hij, terwijl hij zich even oprichtte en inzijn ogen stond een vage verwondering. Het is de inspecteur. Maar….

- Het schot kwam van achter uit de gang, viel de kolonel hem in de rede.

Weer boog Lawrence zich over het lichaam. Toen schudde hij het hoofd.

- Hij is dood! De kogel is recht door zijn hoofd gegaan!

Dreigend klonken de woorden van de kolonel, terwijl hij Carl Lawrence recht in de ogen keek: - Ja, hij is dood, meneer Lawrence. Maar dit zal gewroken worden. Dat zweer ik!

En hij herhaalde, plechtig als een gelofte: - Dat zweer ik!

----------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Om Dodenhuis raasde met fluitende tonen de storm..

Rolverdeling

via Geronimohoorspelen