Dodenhuis

VIJFDE DEEL

"De geheimzinnige geluiden"

 

- Gaat u es even zitten, kolonel, inviteerde inspecteur Cleveland. Ik wilde gaarne de zaak met u re­construeren. Er zijn verschillende gebeurtenissen, die mij niet duidelijk zijn.

Kolonel Moore nam plaats. Hij was nerveus en hij deed geen enkele poging om dat te verbergen.

De inspecteur wachtte even. Toen begon hij: - Om te beginnen, wilde ik gaarne weten hoe precies de situatie was op de avond toen inspecteur Mac Williams vermoord werd. U had met hem de ronde gedaan door het gebouw, niet waar?

- Ja, inspecteur. We waren juist aan het einde van onze tocht toen het schot viel, dat hem doodde.

Een ogenblik was het stil. Toen barstte kolonel Moore uit: Maar dat kan toch zon iet voortduren! Er moet toch iets gedaan worden!

- Ja, inderdaad moet er iets gedaan worden, maar daarvoor ben ik hier ook gekomen, antwoordde rustig de politieman.

- In elke kamer, overal waar we kwamen, ging Moore verder, was het anders dan we hadden mogen verwachten. Carl Lawrence had bezoek van Millner, de huisknecht en dat zou op zichzelf niet zo vreemd zijn geweest als hij maar niet zulke hardnekkige po­gingen had gedaan om dat te verbergen. En de zieke miss Gonwell, die volgens het briefje op haar deur in bed lag, bleek plotseling op bezoek te zijn bij Beatrice.

Gespannen keek de kolonel Moore den inspecteur aan. Toen barstte hij uit: — Maar wat betekent dat toch allemaal? Dat is toch niet normaal?

- Ik krijg zo de indruk, kolonel, dat hier in huis maar zeer weinig normaal geschiedt. Het is allemaal een beetje, laten we zeggen, vreemd. Maar goed: met het constateren daarvan schieten we niet op. Het is, zoals u zegt: er moet iets gedaan worden.

- Inspecteur Mac Williams was in de korte tijd, dat we elkaar kenden, een vriend van me geworden, in­specteur en ik heb gezworen, dat ik zijn dood zal wreken. Ik zal het doen, dat herhaal ik! Ik zal het doen!

- Het meest houdt mij op het ogenblik de verklaring van uw dochter bezig, ging de inspecteur na een moment verder. Dat verhaal van die vreemde geluiden die ze in de nacht hoorden, bedoel ik. Die vallende stenen en vooral dat geklop! Er wordt geklopt en er wordt gelopen. Er moet dus iemand zijn, die klopt en iemand, die loopt. Dat lijkt me de enige con­clusie, die we eruit kunnen trekken. U zult toch ook wel niet aannemen, dat er spoken aan het werk zijn, wel?

- Nee, dat neem ik zeker niet aan.

- Acht u het mogelijk, dat zich ergens in dit oude kasteel iemand verborgen houdt, laten we zeggen in een tot dusver onbekende kamer en dat die iemand de schuldige zou zijn?

- Ik ben ervan overtuigd, dat dit huis geheimen heeft, antwoordde de kolonel nadenkend. Het kasteel is honderden jaren oud en in de tijd, waarin het gebouwd werd, hield men niet alleen van geheime gangen en vertrekken, maar men had ze nodig ook. De schuilkelder is werkelijk geen uitvinding van deze tijd.

Weer wachtte Moore even. Toen ging hij langzaam verder: — Maar als u mij vraagt of ik het mogelijk acht, dat in zulk een geheim vertrek iemand voor langere tijd verborgen houdt, dan moet ik antwoorden: Nee. Althans niet zonder hulp van buiten of — in dit geval — hulp van binnen. Dan zou er iemand moeten zijn, die de persoon in kwestie helpt en van eten etcetera voorziet en dat neem ik niet aan.

- Dan zullen we dus moeten aannemen, dat een van de bewoners hier in de nacht door de gangen loopt, klopt en.... als het voor hem of haar noodzakelijk is: moordt!

- Ja, daar ben ik van overtuigd.

De inspecteur knikte.

- Goed. Laten we dat als uitgangspunt nemen. Veel opgeschoten zijn we daarmee natuurlijk niet. De zaak wordt er alleen nog maar iets geheimzinniger door. En die speurtocht van u en inspecteur Mac Williams heeft alleen maar noodlottige gevolgen gehad. Blijk­baar was u op een spoor, dat de geheimzinnige klopper onaangenaam of gevaarlijk achtte. In elk geval is de grootste voorzichtigheid geraden.

- Als ik de tocht nog eens zou maken, zou ik in elk geval zorgen voor dekking in de rug, meende de kolonel.

- Hoe wou u dat doen?

- Ik zou mijn oppasser Frank Watson meenemen en hem op bepaalde afstand van ons laten volgen. Achteruitlopend en gereed om te schieten!

De inspecteur knikte. Toen zei hij plotseling: - Mmm. Juist. Waarschuwt u hem dan.

- Wat bedoelt u? Wilde u dan nu….?

- Ja. Ik wilde nu dadelijk gaan. Zo snel zal nie­mand dat verwachten en ik hou van snel optreden. Alleen door verrassing, door overrompeling kunnen wij iets bereiken.

Kolonel Moore stond op.

- Goed, antwoordde hij. Ik zal Frank waarschuwen.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Carl Lawrence had Millner zijn instructies gegeven.

- Begrijp je me, Millner?

De oude huisknecht knikte aarzelend.

- Ja, ik begrijp het wel, maar.... het lijkt me niet goed.

- Waarom niet goed?

- Omdat het gevaarlijk is. Deze inspecteur Cleve- land is een van de beste, die ze hebben. U moet hem niet onderschatten.

- Ik onderschat hem zeker niet, maar dit staat voor me vast: Hij zal nu niet dadelijk een speurtocht on­dernemen. Na wat er gebeurd is, zal hij zich eerst precies op de hoogte willen stellen van de situatie en van honderd andere dingen. Hij zal met de mensen gaan praten, hij zal de kamers opnemen en de muren onderzoeken en dergelijke dingen en hij zal er zeker niet aan denken om nu dadelijk hierna al volop aan het werk te gaan. Daarom kunnen we aannemen, dat de weg vrij is en die kans moeten we grijpen. Wij gaan er op uit, Millner.

- Goed, maar wat is de bedoeling?

- Wij gaan er binnen. Je neemt je revolver mee. En een sterke lantaren. Je bent op alles voorbereid.

- Dat ben ik altijd.

- Dat weet ik, maar het kan zijn nut hebben je nog eens op het gevaarlijke van de situatie te wijzen.

- Juist. En als de nood aan den man komt?

Lawrence keek de ander recht aan. Toen antwoordde hij: — Als je geen andere uitweg ziet, maak dan gebruik van de loodkabel. De revolver is alleen om te dreigen. Niet schieten.

- Nee. Het is een verschrikkelijk lawaai!

- Goed dan. Maak je gereed en kom dan hier terug. Of nee: Ik ben over vijf minuten op de bekende plek bij de tweede trap.

- Goed. Dan ben ik er al. Ik wacht daar.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Miss Conwell schudde haar hoofd: — Je ziet het verkeerd, Kate. Juist nu is het beter. Ik durf zelfs te zeggen, dat we de eerste dagen geen betere kans zullen krijgen.

- Ik geloof het niet, meende de verpleegster. Deze inspecteur Cleveland is niet de eerste de beste.

- Nee, dat is hij zeker niet, gaf miss Conwell toe, maar hij is niet op de hoogte. Tenminste nu nog niet. Hij moet zich nog inwerken en trachten van de feiten op de hoogte te komen. Daarom zal hij dadelijk nog niet op volle toeren lopen en daarom hebben wij onze kans.

- We zijn betrapt bij juffrouw Beatrice, voerde de verpleegster aan.

- Inderdaad, maar we zijn betrapt door inspecteur Mac Williams en die is dood!

- Hij was in gezelschap van kolonel Moore, hield Kate hardnekkig vol.

- Dat is. waar, beaamde miss Conwell, maar ik heb Moore scherp opgenomen, terwijl ik van de ene zenuwcrisis in de andere viel. Hij was volmaakt ar­geloos en ik ben er muurvast van overtuigd, dat hij geen seconde op de idee is gekomen, dat die miss Conwell niet zo gek is als ze zich voordoet.

- Goed. Ik sta klaar natuurlijk.

- We gaan dadelijk. De gangen zullen nu ver­laten liggen en iedereen zal op zijn kamer zijn. Neem je revolver mee voor in geval van nood. Maar, we schieten niet. Een schot geeft een verschrikkelijk la­waai, dat heb je gehoord.

- Ja, dat heb ik gehoord!

- Afgesproken dan, besliste miss Conwell. Ga je kleden en vergeet de doek en de gummihandschoenen niet!

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Kolonel Moore had Frank Watson, zijn oppasser zijn instructies gegeven.

- Dus Frank, je begrijpt wat de bedoeling is?

- Jazeker, kolonel. Dekking in de rug als u en de inspecteur door de gangen lopen.

- Juist. Toen er op mij geschoten is, kwam het schot achter uit de gang. Toen inspecteur Mac Williams vermoord werd, kwam het schot eveneens achter uit de gang. Daarom volg jij ons op ongeveer tien meter afstand. Je loopt achteruit. Als wij een hoek omslaan, wacht jij bij die hoek zolang als je ons in het rechte eind van de gang kunt zien. Daarna pas volg je. Bij de volgende hoek doe je dan weer het­zelfde. Het lijkt mij dan vrijwel onmogelijk, dat iemand ons verrast.

- Als je iets verdachts opmerkt, geef je natuurlijk een sein, kwam de inspecteur.

- Wat moet dat zijn voor een sein, inspecteur? informeerde de oppasser.

- Je zou kunnen hoesten.

- Dat doet Millner al.

- Ja, die Millner, antwoordde Cleveland nadenkend.

- Zacht fluiten, zei hij toen.

- Is fluiten niet een beetje.... opvallend? vroeg Watson. Ik bedoel.... voor de anderen?

- Ja goed. Wij blijven wel geregeld omkijken. Ik behoef je niet te zeggen, dat alles zo onopvallend mogelijk moet gebeuren.

- U kunt op Frank vertrouwen, inspecteur, kwam de kolonel tussenbeide. Wij hebben in de afgelopen vijf jaar van de oorlog zo het een en ander samen doorgemaakt, niet Frank?

De oppasser keek zijn superieur even aan en knikte: - Ja, kolonel.

- Goed dan, maakte de inspecteur een eind aan de discussie. We gaan!

Langzaam en zo zacht mogelijk gingen de drie de gang op. Ze beklommen de trap, die naar de eerste etage leidde en liepen toen weer op hun tenen over de tweede gang. Op ongeveer tien meter afstand, volgde de oppasser de twee mannen.

Hij liep achteruit, de revolver in de hand. Gereed om te schieten.

Plotseling bleef de inspecteur staan. Hoog en scherp bevelend klonk zijn stem: — Sta of ik schiet!

Een vrouwenstem gilde. Toen maakte zich uit het halfduister een gestalte los, die echter dadelijk weer in de nis van de trap verdween.

- Wat betekent dat?

Met een paar grote stappen vloog inspecteur Cleve­land vooruit.

- Kom jij daar eens achter die trap weg, jij!

Hij wachtte even, heel even.

- Zo.... jij, zei hij toen en in zijn stem klonk een vreemde voldoening. Ik geloof, dat we daar een wonderlijke ontdekking doen. Kom es hier, jij! Wat deed je daar achter die trap?

Bevend antwoordde Pat.

- Ik.... eh.... ik stond daar, meneer, bibberde het kamermeisje.

- Ja, dat je daar stond, heb ik gezien. Maar wat moest je daar?

Plotseling scheen de inspecteur van inzicht te veranderen.

- Nee, zei hij opeens, kom maar es even mee. Komt u, kolonel?

- Ja, inspecteur.

- We zullen es even naar mijn kamer teruggaan, besliste de inspecteur. Als u het goedvindt, zou ik graag willen, dat Watson de wacht hield voor de deur.

- Natuurlijk, inspecteur. Je hebt het gehoord, Frank?

- Jawel, kolonel. Speciale instructies, inspecteur?

- Nee. Niemand binnenlaten en elk verdacht geluid rapporteren natuurlijk. Scherp opletten.

- Jawel, inspecteur.

- Goed. Kom mee jij!

Ze gingen terug naar de kamer, waar Cleveland was ondergebracht. De inspecteur ging achter de tafel zitten en opende zijn dossier. Toen wendde hij zich tot Pat, die bevend voor de tafel stond.

- Ga maar es zitten, meisje. Zo. En nou vertel maar es.

- Ik.... eh.... ik heb helemaal niets te vertellen, inspecteur, antwoordde het kamermeisje met een stemmetje, dat trilde van de zenuwen.

- Nee, dat zal wel niet, baste de politieman. Ik heb ook geen seconde verondersteld, dat je vanzelf zou gaan vertellen. Maar je begrijpt zeker wel, dat jouw houding zeer verdacht is, niet? voegde hij er streng aan toe.

Zeer verbaasd keek Pat hem aan.

- Verdacht? Ik?

- Ja, jij! Nog es: wat deed jij daar?

- Ik.... eh.... ik zocht.

- Zoch? Wat zocht je dan?

- De geheime deur.

Opeens was het meisje weer in haar gewone doen en opgewonden vervolgde ze: — Moet u horen, in­specteur, ik heb es een boek gelezen en daarin ver­dwenen en kwamen mensen maar zo binnen en gingen ze ook weer naar buiten en niemand wist hoe ze dat deden, maar het kwam door een geheime deur en toen ik nu op mijn kamer was, dacht ik....

- Ja, ja, antwoordde Cleveland wantrouwend. Ja, ja. En waarom zocht jij dan die geheime deur juist onder die trap?

- Ik was net de gehele muur langs geweest.

- En hoe kwam je dan op de idee, dat er een ge­heime deur moest zijn?

- Omdat ik vlak bij de plek waar ik zoeven stond, twee gestalten heb zien staan en toen ik goed keek, waren ze opeens verdwenen. En omdat er ook maar zó iemand in de kamer van juffrouw Mary en juf­frouw Ray was binnengekomen en die moest toch....

- Waar kwam je vandaan zopas? viel de inspec­teur haar in de rede.

- Van mijn kamer.

- Rechtstreeks?

- Ja.

- En had je onderweg nog iets bizonders opgemerkt?

- Nee.

Even keek Cleveland het meisje doordringend aan. Toen vroeg hij sarcastisch: — Speel je wel meer voor detective?

Pat aarzelde.

Nee, zei ze toen, maar....

De inspecteur grijnsde.

- Je hebt es een boek gelezen, ja. Ga nu naar juffrouw Mary en blijf daar tot ik je roep.

Pat knikte verheugd.

- Ja, inspecteur. Dat zal ik doen, inspecteur.

Ze draaide zich snel om en liep naar de deur, maar voor ze die opende, wendde ze zich nog tot Cleveland: — Ben ik…. ben ik nog verdacht, inspecteur?

- Deruit! brulde de politieman.

Toen de deur achter het kamermeisje gesloten was, wendde de inspecteur zich tot Moore: — Gelooft u in die…. onnozelheid, kolonel?

- O, ja, inspecteur. Ze is nooit anders geweest. Ze leest alles in boekjes.

Hij lachte, maar de inspecteur bleef ernstig.

Zo, zei hij. Nou, ik moet u bekennen, dat ik er niet in geloof!

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Pat klopte op de kamerdeur van de meisjes Moore:

- Ik ben het, juffrouw Mary. Mag ik binnenkomen? Op Mary's ja ging ze binnen en opgewonden liep ze naar de twee meisjes: — O, juffrouw Mary, de in­specteur vindt me verdacht!

Zeer verbaasd keek de oudste haar aan.

- Wat zeg je? Verdacht?

- Ja. Hij heeft me op de gang gevonden en meegenomen naar zijn kamer. Uw vader was er ook bij en Frank Watson stond voor de deur op wacht!

- Maar waarom? Wat deed je op de gang?

- Ik was op onderzoek naar de geheime deur, juffrouw Mary. U moet weten, ik heb es een boek gelezen en daar kwam in van een deur en als je die deur, waar niemand iets van wist, open deed, dan draaiden er schanieren, die je niet zag en toen is het gebeurd, dat iemand bij ongeluk die deur vond en toen ging die open en toen, juffrouw Mary, viel er een lijk naar buiten!

- Hou op! Ik geloof, dat ik jou maar naar huis stuur.

- Dat kan niet, juffrouw Mary! Ik mag niet weg! Ik ben verdacht!

Ze zweeg plotseling en keek het meisje tegenover zich onderzoekend aan.

- Is er iets, juffrouw Mary? U kijkt zo…. Zo zorgelijk….?

- Ja. Stil. Ray slaapt en ik wil niet, dat ze wakker wordt, maar…. Is vader nog bij den inspecteur?

- Ja. Ze overleggen samen.

- Misschien is het ook beter als ik het maar niet zeg. Vader zou zich maar bezorgd maken!

Ze wachtte even en scheen na te denken.

- Hier! Lees dit eens, zei ze toen plotseling.

Ze haalde een brief te voorschijn en gaf die aan het kamermeisje.

- Wat is dat, juffrouw Mary? Een brief?

- Ja. Lees maar.

En Pat las:

         “Mejuffrouw,

         Als mijn theorie juist is en ik heb tot dusver geen reden om daaraan te twijfelen, zult u in dit drama, waarin nu reeds twee moorden gepleegd zijn, het volgende slachtoffer zijn….”

Pat keek haar angstig aan.

- O, juffrouw Mary, kermde ze. Toen las ze bibberend verder:

Ik geef u daarom met de grootste ernst de raad de allergrootste voorzichtigheid in acht te nemen: Be­geef u zo weinig mogelijk op de gangen en kijk, als u de gangen niet vermijden kunt, goed uit. Let vooral op de hoeken en wees voordurend zeer op uw hoede!

                                                                                                                        Een vriend"

- O, juffrouw Mary, wat gaat u nu doen?

- Nadenken. Ik weet niet wat dit betekent, maar ik geloof niet, dat de schrijver van de brief het zo goed met me meent, als, hij of zij wil doen voorkomen.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Voorzichtig en zo geruisloos mogelijk bewogen kolonel Moore en inspecteur Cleveland zich over de gangen en trappen van het oude kasteel. Steeds op een afstand van ongeveer tien meter gevolgd door Frank, de oppasser.

- Merkwaardig, meende Moore. Er valt toch nergens iets bizonders te zien. We hebben nu toch alle gangen gehad.

- U vergeet die ene deur, kolonel, antwoordde de inspecteur. De tweede daar. In die gang was het trouwens, dat ik die twee gestalten zag, die plotseling verdwenen waren. Laten we nu eens zeer voor­zichtig langs de muren lopen. U rechts en ik links. En dan voorzichtig maar stevig de muren aftasten. Naast elkaar blijven, ja? En wees op alles voorbereid. Klaar? Ja maar!

Langzaam bewogen ze zich voort, terwijl hun handen langs de muren gleden. Stap voor stap. Gelijk.

- Merkt u iets, kolonel?

De stem klonk fluisterend en precies zo antwoordde Moore: — Nee. Ja, wacht eens!

Opeens was er een zekere agitatie in zijn stem te bespeuren.

- Stop! Hier heb ik.... Komt u eens hier, inspecteur!

Moore stond met zijn gezicht naar de muur, terwijl hij zijn beide handen gedrukt had op een bepaalde plek.

Er kwam geen antwoord.

- Inspecteur, zei hij weer. Toen keek hij om.

- Inspecteur! herhaalde hij hevig geschrokken. Inspecteur!

Hij liet de muur los en keek de gang in. Niemand!

Inspecteur Cleveland was spoorloos verdwenen!

In de grootste agitatie draaide de kolonel zich om.

- Frank! Frank! riep hij.

Zo snel hij kon kwam de oppasser aangehold.

- Ja, kolonel?

- Waar is de inspecteur, Frank?

In stomme verbazing keek de oppasser zijn superieur aan.

- De inspecteur? vroeg hij. Wat bedoelt u?

- Waar inspecteur Cleveland is, man. Hij liep gelijk met mij op en opeens meende ik in de muur iets te voelen en riep ik hem en toen ik omkeek, was hij weg! Weg, zeg ik je! Maar dat kan toch niet. Iemand kan toch....

Verbijsterd keek Moore rond.

- Maar dat kan toch niet, riep hij opnieuw, terwijl hij de gang inholde.

- Inspecteur! Inspecteur!

Hol klonk de stem in de wijde gang. Er kwam geen antwoord.

Frank kwam bij hem staan.

- Luister, zei die opeens. Luistert u eens.

Heel in de verte hoorden ze een stem. Een geluid, dat klonk als hulpgeroep.

Ja, nu hoorden ze het alle twee duidelijk: er was iemand, die heel ver weg: Help Hè-èlp! schreeuwde....

En toen was ook dat geluid verdwenen.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Verwijtend keek juffrouw Beatrice miss Conwell aan.

- Je ziet het te gemakkelijk, zei ze toen. Je ziet het veel te eenvoudig. Dat heb ik je dadelijk al gezegd!

- Ik ben niet gewend de dingen makkelijker te bekijken dan ze in werkelijkheid zijn!

- Misschien niet, nee, maar dan dit toch wel. En het gevaar onderschat je ook! Mij verdenkt niemand, maar ze beginnen te ontdekken, dat er iets met jou is, al weten ze ook niet precies wat! En als ze eenmaal….

Opeens stopte ze. Ze luisterde scherp

- Er roept iemand om hulp, zei de verpleegster, terwijl ze miss Conwell veelbetekenend aankeek. Alle drie hoorden ze de stem: Kunt u mij horen? Kunt u mij horen? Help! Hè-èlp!

- Waar komt dat geluid vandaan, Kate?

De verpleegster knikte.

- Ja, ik geloof uit....

- Ja, dat is het juist, kwam miss Conwell. Dat geloof ik ook!

- Ik begrijp jullie niet. Wat bedoel je? vroeg Beatrice.

- Neem je maatregelen, Kate, waarschuwde miss Conwell! Pasop! Wees voorzichtig! Als hij de juiste weg….

Ze onderbrak zichzelf: — Maar hoe komt hij daar? En.... wie is het?

Weer klonk het hulpgeroep. Nu van zeer dichtbij en bijna in hetzelfde ogenblik was er een vreemd geluid. Alsof steen over steen werd geschoven Er piepten scharnieren, er vielen een paar brokken kalk uit de muren naar beneden en toen.... stond inspec­teur Cleveland bij de drie dames in de kamer.

In de grootste verbazing keken ze hem aan en even was er een zware stilte.

- Ik eh.... ik vraag u excuus, stamelde de in­specteur, ik….

Verder kwam hij niet. Woedend kwam tante Beatrice naar hem toe: — Waar kom je vandaan, man? Wie geeft jou het recht om zo maar....?

- Ja, stotterde de politieman, neemt u mij niet kwalijk, maar hier is heelemaal geen sprake van recht. Dit is om zo te zeggen alleen maar een ongeluk.... Ik....

- Speel geen comedie, man, viel Beatrice weer woedend uit. Wat moet je? Wat zoek je hier? En waar kom je vandaan? Hoe ben je hier binnengekomen?

- Ik verzoek u vriendelijk.... probeerde de inspecteur.

Hoog en hypernerveus klonk de stem van miss Con­well: — Ze schreeuwen allemaal zo. Ze zijn allemaal zo gemeen! Ik wil weg! Weg....

De verpleegster was dadelijk bij haar:. — Kom nu. U moet u kalm houden. We gaan dadelijk.

De inspecteur keek even de kring rond.

- Ik begrijp volkomen, dat mijn entréé hier een zonderlinge indruk moet maken, begon hij, maar ik stel er prijs op u te zeggen, dat....

- De deur was op slot, vief Beatrice hem nors in de rede.

Cleveland knikte: — Inderdaad en.... begrij­pelijk!

Dat „begrijpelijk" zei hij met een vreemde nadruk.

- Wat bedoel je, man?

Doordringend keek de dectective haar aan.

- Ik ben duidelijk, geloof ik, zei hij langzaam en nadrukkelijk. Uw deur was op slot. Als ik in uw situatie had verkeerd, zou ik de deur ook op slot gedaan hebben!

Kermend klonk de stem van miss Conwell: — Zuster! Zuster Kate! Ze achtervolgen mij! Ze willen me vermoorden! Zuster Kate!

- Ik moet u zeggen, trachtte de inspecteur nog een keer, maar Beatrice gaf hem geen kans.

- Je schijnt er pleizier in te hebben om hier voor clown te spelen, hè? viel ze woedend uit. Je voorganger heeft dat ook geprobeerd, maar het is hem ook mislukt, weet je?

Ze kwam vlak voor hem staan, terwijl ze zich steeds meer opwond.

- Ik ben hier de baas in huis, hoor je? Ik en niemand anders! En al sturen ze mij hier een heel leger van die politiekerels in huis, dan nog ontzeg ik ze het recht om hier bij nacht en ontij mijn kamer binnen te dringen! En nou weg en gauw! Heel gauw!

Cleveland bewoog zich niet. Hij had zijn geestelijk evenwicht geheel teruggevonden. Sarcastisch antwoordde hij, terwijl hij haar recht in de ogen keek:

- Ik heb met genoegen naar u geluisterd, juffrouw Beatrice en ik begrijp uw verontwaardiging volkomen! Maar wat ik vooral begrijp en nog beter dan uw verontwaardiging, dat is uw.... ongerustheid! Goedennacht. U hoort van me. U ook, miss Con­well en u, zuster.

De inspecteur draaide zich om en liep naar de deur.

- Ik wil weg.... weg.... kermde de nerveuze stem van miss Conwell.

Cleveland bleef staan en keek haar aan. Toen knikte hij.

- Ja.... ja.

Vervolgens draaide hij zich weer om en ging de kamer uit.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

- Wonderlijk. Bijna onbegrijpelijk, vond Moore.

- Ja, inderdaad, meende de inspecteur. Ik moet op een knop of ik weet niet precies wat gedrukt hebben, want opeens week een stuk van de muur en blijkbaar door de kracht, waarmee ik tegen de stenen drukte, viel ik naar binnen. Het gat achter me was bijna op hetzelfde ogenblik gesloten en ik kon het niet terugvinden ook! Ik schreeuwde, maar niemand scheen me te horen.

- Ik heb u gehoord, inspecteur en Frank ook, maar we wisten niet....

- Natuurlijk niet. Ik zocht in het duister mijn weg. Na een tijdje zag ik een flauw lichtschijnsel en toen ik daar dichterbij kwam, kon ik door een spleet kijken. Ik keek in een kamer.

Gespannen keek de kolonel hem aan.

- Wat zag u, inspecteur?

- Ik keek in de kamer van juffrouw Beatrice. Ze zat heel zacht te praten met miss Conwell.

Moore trok zijn wenkbrauwen op.

- Met miss Conwell? Alweer?

- Ja. En de zuster. En weet u: miss Conwell was helemaal niet zenuwachtig. In de verste verte niet. Begrijpt u mij?

- Ik.... eh.... geloof het wel, inspecteur. Merkwaardig....

- Zeer merkwaardig ja. Maar het zou nog merk­waardiger worden. Ze hoorden blijkbaar geluid en miss Conwell sprong op en bijna tegelijk met haar de zuster. Dat was vlak voordat ik bij hen binnenviel. Ik tastte langs de muur en vond een kleine deur. Toen moet ik lawaai gemaakt hebben, want toen was het: miss Conwell sprong op en zuster Kate ook. En weet u, kolonel. Ze hadden toen alle twee een revolver in de hand en stonden klaar om te schieten.

Rolverdeling

via Geronimohoorspelen