|
PAUL VLAANDEREN EN HET ALEX-MYSTERIE DEEL 2: DR. KOHIMA Francis Durbridge (1912-1998) uitzending: AVRO, dinsdag 14/01/1969 vertaling: Alfred Pleiter regie: Dick van Putten ([1]) rolverdeling: - Paul Vlaanderen: Johan Schmitz ([2]) - Ina, zijn vrouw: Wieke Mulier ([3]) - Sir Graham Forbes: Joan Remmelts ([4]) - inspecteur Crane: Jan Borkus ([5]) - Carl Lathom: Hans Veerman ([6]) - Mrs. Trevelyan: Willie Brill ([7]) - Ricky: Harry Bronk ([8]) - Dr. Kohima: Rob Geraerds ([9]) - een schipper: Johan te Slaa ([10]) technische gegevens: 27'53" - 19,1 MB - mp3
secretaresse: (opent de deur) Dokter vraagt of u hem nog even wilt excuseren, meneer Vlaanderen. Hij kan u over een minuut of tien te woord staan. Paul: Dank u. secretaresse: Uw afspraak is pas om vier uur, meneer Lathom. Was u dat vergeten? Carl Lathom: Eh… nee, nee, maar ik was hier toevallig in de buurt en ik had vanmiddag toch niets omhanden en daarom dacht ik: laat ik het maar proberen, hè? secretaresse: (lachje) Ik begrijp het. Ik hoop alleen dat u het niet erg vindt om nog even te moeten wachten. Lathom: Natuurlijk niet. secretaresse: Ik zal dokter zeggen dat u er bent. Lathom: Dank u! (ze sluit de deur) Paul: Was dat de secretaresse van Dr. Kohima? Lathom: Eh… ja, z’n praktijkassistente eigenlijk. Bijzonder aardige vrouw. Eh... ja, hoe heet ze ook alweer? O ja, Mrs. Trevelyan. Paul: Mrs. Trevelyan? Lathom: Ja. Paul: Weet u dat zeker? Lathom: (lachje) Ja, natuurlijk. Hoezo? Paul: O, nergens om, zomaar. Lathom: Eh... meneer Vlaanderen, ik heb de laatste tijd een heleboel in de krant gelezen over die man die ze Alex noemen. Is het waar wat er gisteravond in het avondblad stond? Paul: Wat bedoelt u? Lathom: Dat Sir Graham Forbes eindelijk besloten heeft om de hulp van Paul Vlaanderen in te roepen? Paul: Interesseert u zich voor die Alex-kwestie? Lathom: (lachje) Om u de waarheid te zeggen, ja. Gewoonlijk pleeg ik me niet voor moorden en dat soort dingen te interesseren, maar deze zaak intrigeert me. ‘k Heb er zelfs een eigen theorietje over bedacht. Paul: O ja? In welk opzicht? Lathom: O, nee nee nee nee, ik voel er echt niets voor om u met mijn bedenksels te vervelen. Paul: ‘k Verveel me niet gauw, meneer Lathom. Lathom: Nou ja, wanneer u het werkelijk wilt horen... Ik ben van mening dat die zogenaamde Alex gewoon een moordzuchtige krankzinnige is. Paul: Hoe komt u daarbij? Lathom: Nou, neemt u bijvoorbeeld die geschiedenis met Norma Rice. Wie zou er nu in vredesnaam op het idee kunnen komen om Norma Rice te vermoorden? En dan, wat er gisteren in de studio is gebeurd, met Sir Ernest Cranbury. Wat heeft dat nou voor zin om een man als Sir Ernest... Paul: Hoe weet u dat Sir Ernest gisteravond vermoord is? Lathom: Hoe ik dat weet? Dat stond vanmorgen toch in alle kranten? Eh… tussen twee haakjes, u was daarbij aanwezig. Wat is er precies gebeurd? Paul: O, Sir Ernest zakte opeens in elkaar. ‘t Was eigenlijk helemaal niet zo dramatisch. We dachten eerst dat het een lichte hartaanval was. Lathom: Maar waarom schrijven de kranten dan dat hij vermoord is? Dat hij vermoord werd door Alex. Paul: Omdat Sir Ernest vlak voor zijn dood nog iets zei over Alex. Lathom: O ja? Meent u dat? Dat wist ik niet. Wat zei hij dan? Paul: O, hij zei alleen maar: “Vlaanderen, ik moet je iets vertellen over Alex.” Lathom: Ja, en... en was dat alles? Paul: Dat was alles. Lathom: Nou, ziet u nou wel! Dan is het toch duidelijk dat dat het werk van een krankzinnige moet zijn, van een stapelkrankzinnige! Grote goedheid, waarom zou iemand die arme ouwe Ernest willen vermoorden? Paul: Heeft u Sir Ernest dan gekend? Lathom: Jazeker. O, ik zal niet zeggen dat wij dikke vrienden waren of zoiets, maar ik kende hem toch vrij goed. Mrs. Trevelyan: (opent de deur) Dokter kan u nu ontvangen, meneer Vlaanderen. Paul: Ah, mooi! Lathom: Ik eh... hoop u werkelijk nog ‘ns te ontmoeten, meneer Vlaanderen. Het was me een genoegen. Paul: Mij ook. Mrs. Trevelyan: Mag ik u voorgaan? (ze verlaten de wachtkamer) Meneer Vlaanderen, voordat u naar Dr. Kohima gaat, wilde ik u wat vragen. Paul: Gaat uw gang. Mrs. Trevelyan: Luister, ik moet u spreken. Ik moet u iets vertellen over... Alex. Het is belangrijk, gelooft u me. Het... het is verschrikkelijk belangrijk. Paul: En? Mrs. Trevelyan: Komt u vanavond naar dit adres. ‘k Heb het op een stukje papier geschreven. Komt u alstublieft vanavond! Paul: Vanavond? Mm. Hoe laat? Mrs. Trevelyan: Half elf. Komt u? Paul: Goed. Mrs. Trevelyan: Erewoord? Paul: Op m’n erewoord. Mrs. Trevelyan: (zucht) Dank u... Mag ik u voorgaan, meneer? (opent de deur) Hier is meneer Vlaanderen, dokter. Dr. Kohima: Ah, meneer Vlaanderen! (deur dicht) Neemt u mij niet kwalijk dat ik u even heb laten wachten. Gaat u zitten. Uit uw telefoontje meende ik te moeten opmaken dat u mij wilde spreken over een zuiver persoonlijke aangelegenheid. Paul: Dat klopt, ja. Om u de waarheid te zeggen, Dr. Kohima, ik wilde u alleen maar een paar vragen stellen. Dr. Kohima: Maar dit is toch geen interview? Voor de krant, bedoel ik. Paul: O, nee nee, geen sprake van. Dr. Kohima: Dan heb ik geen enkel bezwaar. Integendeel, het lijkt mij voor de verandering wel eens leuk, want anders ben ik altijd degene die de vragen moet stellen. Gaat u dus uw gang maar. Paul: Bent u in het bezit van een auto, dokter? Dr. Kohima: Van een auto? Ja, natuurlijk. Paul: Welk merk? Dr. Kohima: Milford. Een 6-cilinder Milford. Paul: Welke kleur? Dr. Kohima: Zwart. Paul: Welk nummer? Dr. Kohima: DVC 629. Maar waarom vraagt u dat? Paul: Dat zal ik u zeggen, dan weet u meteen waarom ik u wilde spreken. Gisteravond om ongeveer kwart over negen reden mijn vrouw en ik van de radiostudio naar Piccadilly Circus. Dr. Kohima: O, juist, ja. Paul: We waren net Oxford Street voorbij, toen opeens een andere auto naast ons kwam rijden die daarop een poging deed, een duidelijke poging deed om ons het trottoir op te dringen, zo een etalageruit in. Dr. Kohima: Nee! Paul: Die auto was een Milford, een 6-cilinder zwarte Milford, met het nummer DVC 629. Dr. Kohima: Maar dat... dat... dat kan gewoon niet! Paul: Toch is het zo. Dr. Kohima: U moet zich vergissen, meneer Vlaanderen. Mijn wagen is gisteravond niet uit de garage geweest! Paul: Waar stalt u uw auto? Dr. Kohima: Gewoonlijk bij m’n huis, in Regence Park. Maar deze hele week stond ie in een garage op Leicester Square: eh… Sloans garagebedrijf. Er moest namelijk het een en ander aan gedaan worden en eh... ja, enfin, ik eh... ik zou ‘m vanavond om zes uur kunnen afhalen. Waarom belt u ze niet op, meneer Vlaanderen? Dan kunt u zelf controleren wat ik u vertel. Toe, doet u dat. Paul: Heeft u er geen bezwaar tegen? Dr. Kohima: Geen enkel. Het telefoonnummer is eh... (bladert) even kijken... ja: Templebar 71-78. Paul: (neemt op) Dank u. (draait het nummer) Hallo? Met wie spreek ik?... O, ja. Ik bel u even namens Dr. Kohima. Dokter zou graag weten of hij straks om zes uur z’n wagen kan halen... Ja ja ja, juist, een Milford DVC 629... Wat? Was ie gisteren al klaar? O...? Eh… wat ik vragen wilde: is de wagen gisteravond nog de garage uit geweest?... Ja? Hoe laat was dat?... Half acht... En wanneer is ie weer teruggekomen?... Kwart voor tien... Wie? Dezelfde man die ‘m gehaald had?... Ah, juist, ja... Ja ja ja, ik begrijp het... Ja, dank u wel. (legt weer neer) Dr. Kohima: Wat zeiden ze? Paul: Uw wagen staat al voor u klaar, sinds gisteren. Dr. Kohima: Sinds gisteren? Paul: Ja, en hij schijnt gisteravond uit de garage te zijn gehaald door... Dr. Kohima: Door wie? Paul: Door uw chauffeur. Dr. Kohima: Door mijn... chauffeur? Paul: Ja. Hij heeft de wagen om ongeveer half acht gehaald en - voor zover ze kunnen nagaan - tegen kwart voor tien weer teruggebracht. Dr. Kohima: Mijn wagen is gisteravond door mijn chauffeur... uit de garage gehaald? Paul: Ja. Dr. Kohima: (lacht) Meneer Vlaanderen, ik… ik vrees dat ik u een enorme teleurstelling moet bereiden. Paul: U heeft namelijk geen chauffeur, bedoelt u dat? Dr. Kohima: Precies! Paul: Juist, ja.
(Paul komt thuis) Ricky: Goede middag. U bent meneer Vlaanderen, ja? Paul: Ja. Ricky: Welkom thuis, meneer Vlaanderen. Paul: Eh... o, dank je wel. (sluit de deur) Ricky: Mag ik uw jas en hoed? Dank u wel... Paul: Ik dank jou. Ricky: Niet te danken. Heerlijk weer. Paul: Inderdaad, eh... (Ina komt er bij) O, dag liefje. Ina: Dag, Paul. O, Ricky, dat is nou meneer Vlaanderen. Ricky: Dat dacht ik al. Wij zullen best kunnen opschieten samen, hoop ik. Ina: O ja? O, (lachje) eh... dank je wel eh... Ricky. (hij verdwijnt) Paul: Zeg, waar heb je die in vredesnaam vandaan, Ina? Ina: Van het arbeidsbureau. Hij blijft bij ons totdat Charlie weer uit het ziekenhuis is. Paul: Wat voor landsman is ie? Vietnamees? Ina: Nee, Siamees, en hij heeft bijzonder goede getuigschriften. Paul: Okay, Ina, dan moeten we ’t in ‘s hemelsnaam maar met hem proberen. Ina: (lachje) Zeg, Sir Graham zit op je te wachten. Paul: O ja? ‘k Ben benieuwd wat ie komt doen. (gaat naar het salon) Sir Graham: O, goeiemiddag, Vlaanderen! Paul: Middag, Sir Graham. Sorry dat ik u heb laten wachten. Hoe maakt u het, inspecteur? Crane: Goeiemiddag, meneer Vlaanderen. Sir Graham: Eh… Vlaanderen, ken jij soms toevallig een zekere Müller? Hans Müller? Paul: Hans Müller? Ja... Een Luxemburger? Sir Graham: Precies. Crane: Wat vindt u van ‘m? Paul: O, da’s een boef. Sir Graham: Ja, maar eh... Crane: Wat voor soort boef, meneer Vlaanderen? Paul: Een tamelijk intelligente boef. Crane: Mm! Paul: Waarom vraagt u dat? Sir Graham: We hebben een brief van ‘m gekregen, Vlaanderen, of eh… liever, de inspecteur heeft een brief van ‘m gekregen. Crane: Ja, ja, hier is ie. (opent hem) Ik kreeg ‘m vanmorgen en aangezien ik zelf nooit iets met die Müller te maken heb gehad, keek ik er nogal vreemd van op. Paul: Van het feit dat die brief aan u geadresseerd was, inspecteur, of van de inhoud? Crane: Eigenlijk van allebei, om u de waarheid te zeggen. Paul: Ah... (neemt de brief) “Geachte inspecteur Crane. Als ik goed ben ingelicht, bent u belast met het onderzoek in de zaak Alex. Daarom neem ik de vrijheid u voor te stellen mij hedenavond omstreeks middernacht te ontmoeten op de steiger van Grangers Wharf. Ik kan u inlichtingen verschaffen omtrent de identiteit van Alex. Met de meeste hoogachting, Hans Müller.” (sluit de brief) Ina: Wat een eigenaardig briefje... Het klinkt bijna of het een ouwe vriend van u is, iemand die... Crane: Iemand... (lachje) Ik heb Müller nooit ontmoet! Om u de waarheid te zeggen, ik had zelfs nog nooit van ‘m gehoord. Tot eh... tot vanmorgen. Sir Graham: Op de Yard weten we praktisch niets van ‘m, Ina. Daarom wilde ik jou even spreken, Vlaanderen. We weten alleen dat ie Luxemburger is en dat ie ongeveer tien jaar geleden hier in Engeland is geweest. Dat is alles. Paul: Geef mij die map eens, Ina, wil je? Ina: Welke? Paul: Die leren, daar op m’n bureau... (ze geeft hem de map) Dank je. Sir Graham: Wat eh... wat is dat voor een map, Vlaanderen? Paul: Hoho, da’s een soort privé Interpolregister, Ik hou dat al sinds jaren bij. Telkens wanneer ik een interessant iemand ontmoet, noteer ik alle bijzonderheden... Juist, hier heb ik ‘m, Müller, Hans Müller, geboren in Luxemburg, 8 maart 1928. Spreekt behalve z’n moedertaal Vlaams, Hollands, Deens, Frans en Engels... Hé, dat is interessant... Sir Graham: Wat? Paul: Hij schijnt er nogal warmpjes bij te zitten: hij heeft een paar jaar geleden bijna een kwart miljoen pond geërfd. Crane: En... heeft u ‘m zelf wel eens ontmoet, meneer Vlaanderen? Paul: Müller? Jazeker, twee keer. Eén keer in Parijs en de tweede keer in... in Brussel. Ja, nou ja, dat is intussen alweer heel wat jaartjes geleden. Crane: Wel, meneer Vlaanderen, als u die man inderdaad kent, dan lijkt het me toch wel een goed idee als u vanavond met ons meegaat. Wat vindt u, Sir Graham? Sir Graham: Ja, uitstekend. Dan komen we je - even kijken - om een uur of elf ophalen, hè? We gaan met de boot van de rivierpolitie. Paul: Eh… nee, ik eh... ik heb nog een afspraak om half elf. Ina: O ja, Paul? Paul: Ja, dat vertel ik je straks nog wel… Waar vertrekt u vandaan, eh… Sir Graham? Sir Graham: Van de North Pier. Paul: Okay. Zullen we dan zeggen dat wij elkaar op de North Pier ontmoeten, om kwart over elf? Sir Graham: Goed, maar niet later, hoor, eh... Vlaanderen. Paul: Niet later. Sir Graham: Afgesproken. Nou, ga je mee, Crane? Crane: Jawel, Sir Graham. Ina: (opent de deur) O, eh... Ricky, Sir Graham en inspecteur Crane gaan weg. Ricky: Okay, missy. Heren... Sir Graham: Tot ziens, Ina! Tot vanavond dan, Vlaanderen. Crane: Meneer Vlaanderen. Tot genoegen, mevrouw Vlaanderen. Ina: Tot ziens. (ze verlaten de salon) Paul: Zeg, Ina, dat “okay, missy”, dat moet ie maar heel gauw afleveren, hè? Ina: (lacht) Zeg, Paul, wat... wat is dat voor een afspraak vanavond om half elf? Paul: O ja, dat moet ik je nog vertellen. Ik was vanmiddag bij die Dr. Kohima, hè, om te informeren naar die auto. Het was inderdaad zijn wagen die ons gisteravond bijna het leven heeft gekost, maar... Ina: Maar wat, Paul? Paul: Ja, ik weet niet, ik... ik vind het maar een verduveld vreemde zaak. Ina: Ja, hoezo dan? Paul: Nou, in de eerste plaats had die auto eigenlijk in een garage op Leicester Square moeten staan, in verband met bepaalde reparaties. De dokter vertelde dat ie ‘m vanavond weer kon afhalen, maar van de garage hoorde ik dat de wagen gisteren al voor ‘m klaarstond. Ina: En? Paul: Nou schijnt zijn chauffeur ‘m gisteravond om half acht te hebben gehaald en ‘m ongeveer kwart voor tien te hebben teruggebracht. Ina: Ja, zie je nou wel? En het gebeurde... Paul: Ja, wacht even... Dr. Kohima blijkt geen chauffeur te hebben! Ina: Ja, wat zegt dat nou? Nee nee, Paul, dat is allemaal heel eenvoudig: iemand heeft zich natuurlijk voorgedaan als chauffeur van de dokter! Paul: Maar dan hadden ze ’m die wagen toch zeker niet zomaar gegeven? Zo stom zijn ze niet in een garage. D’r is maar één mogelijkheid: de man in kwestie moet in het bezit van een ontvangstbewijs of een bonnetje zijn geweest, een ontvangstbewijs of bonnetje dat oorspronkelijk aan Dr. Kohima was uitgereikt. Ina: Met andere woorden, de dokter heeft tegen je gelogen. Paul: Ja, maar dat wil nog niet zeggen dat ie gisteravond zelf achter het stuur zat. Ik weet vrijwel zeker dat dat niet het geval was. En verder was er nog iets interessants, Ina: Dr. Kohima heeft een praktijkassistente, een bijzonder charmante praktijkassistente, en die heet... Mrs. Trevelyan. Ina: Wat? Nee, dat meen je niet, Paul. Paul: Dat meen ik wel, Ina. Ina: En eh... heb je daar vanavond mee afgesproken, met die Mrs. Trevelyan? Paul: Precies. Ze heeft me gevraagd of ik haar vanavond om half elf op dit adres wil ontmoeten. Ina: Marshall House Terrace, 49-A. Dat is hier vlakbij. Paul: Ja. Ina: Weet eh... weet die Dr. Kohima van deze afspraak? Paul: Nee. En ze scheen als de dood dat ie d’r iets van zou merken. Die vrouw is bang, Ina... Ik weet niet waarvoor, maar d’r is absoluut iets of iemand waar ze doodsbang voor is. Ja, enfin, ik geloof dat ik me nou maar ‘ns ga verkleden, hè. Tjonge, wat heb ik zin in een bad. (Ricky komt binnen) Ina: Ja, Ricky, wat is er? Ricky: So sorry, ik echt niet willen storen, maar uw bad staat klaar, meneer Vlaanderen. Paul: Wat? Eh... o, dank je wel. Nee nee nee nee, wacht ‘ns even! Hoe wist jij dat ik zin had in een bad? Ricky: Het is de taak van een goede bediende om de wensen van de meester voor te wezen. So sorry, ik echt niet willen storen. (verdwijnt) Paul: Wel heb ik van m’n leven! Ina: (lacht) Paul, hij is geweldig! Paul: Ja, ik geloof het niet! Ik geloof het gewoon niet. Zoiets kan niet waar zijn. Ina: “Het is de taak van een goede bediende...” Paul: “…om de wensen van de meester voor te wezen.” (lacht) Met andere woorden... Ina: Toen jij thuiskwam, zag je d’r uit alsof je best een bad kon gebruiken. (ze lachen)
(Paul belt aan) Ina: D’r is niemand thuis, Paul. Paul: Nou, dat verwondert me niets kindje. ‘t Ziet er hier volkomen verlaten uit. Ina: Zeg, weet je wel zeker dat het hier het goede adres is? Paul: ‘t Is in ieder geval het adres dat hier op dit papiertje staat: Marshall House Terrace, 49-A, ja. Ina: Ja... Paul! Paul: Ja? Ina: Ik geloof dat die deur niet op slot is... Paul: (opent de deur) Nee. Inderdaad, je hebt gelijk. Ze heeft ze natuurlijk voor ons open laten staan. Kom, Ina... Ina: We kunnen toch niet zomaar naar binnen stappen? Paul: Waarom niet? Als we niet welkom blijken te zijn, stappen we zo weer naar buiten. (ze gaan naar binnen) Ina: Als je ‘t mij vraagt, is er niemand thuis. Paul: Dat is mogelijk, maar ‘t is in ieder geval wel bewoond. Kijk maar, deze kamer is vrij behoorlijk gemeubileerd. Ina: Denk jij eh... dat zij hier woont? Paul: Mrs. Trevelyan? Ina: Ja? Paul: ‘k Weet niet. Als dat het geval is, moet ze er wel warmpjes bij zitten, want dit is een kast van een... Ina: Wat is er? Paul: Hoor je iets? Ina: Nee. Paul: Gek, ik... Want ik dacht dat ik... (lachje) ‘k Zal me wel vergist hebben. Ina: Zeg, Paul, als zij nou ‘ns niet komt opdagen, want doen we dan? Paul: O, ze komt heus wel opdagen, hoor. ‘t Kan haast niet anders... Tenzij... Ina: Tenzij wat? Paul: Daar staat een koffer! ‘t Lijkt wel of iemand hier pas zijn intrek hier heeft genomen... Ina, luister!... Hoor je dat? (vioolmuziek) Ina: Wat... wat bedoel je? Paul: Nou, luister! Ina: Nee, ik hoor alleen het tikken van die klok, Paul. Paul: Nee nee nee, dat bedoel ik niet. Luister! Ina: Paul, ik geloof echt dat je je verbeeldt. Paul: Stil, Ina! Ina: Paul! Paul: Hoor jij het nou ook? Ina: Ja! Dat... dat... dat is een viool! Paul: Ja, dat hoorde ik daarnet ook, dat weet ik zeker. Ina: Ja, maar... waar komt dat nou vandaan? Paul: Van boven, uit een van de slaapkamers. Weet je wat? Blijf jij hier even op haar wachten, dan ga ik naar boven, en... Ina: Waar kijk je zo naar? Paul, waar sta je nou zo naar te staren!? Paul: Ik kijk naar die klok... Ina: Naar die... Paul, die klok staat stil...! Paul: Ja... die klok staat stil... Ina: Maar ik hoor ‘m tikken! Hoor maar. Paul: Dat is die klok niet! Dat komt uit die koffer! (loopt er snel naartoe) Ina: Wat ga je doen, Paul? Nee, niet aankomen! Toe nou, niet aankomen!! Paul: Weg van dat raam, Ina! Weg van het raam! (ruit breekt - explosie) Alles in orde kindje? Ina: Ja... Paul: O, gelukkig dat ie in zo’n bloemperk terecht is gekomen. De tuin is er niet bepaald door opgeknapt, vind je wel? Ina: O, Paul, ik... ik... ik begrijp er werkelijk niets van. Ik... Paul: Nou, kom maar gauw mee naar de wagen. Ina: Ja, maar Paul... die man! Die man daarboven die... Paul: Nou, luister maar... Ina: Hij speelt nog steeds... Paul: Geen wonder, da’s een grammofoonplaat! Een grammofoon met een automatische platenwisselaar. Dat had ik moeten begrijpen. Ina: Ja, maar waarom zou die Mrs. Trevelyan nou in hemelsnaam de moeite hebben genomen om... Paul: Ja, dat zal ik je straks wel uitleggen. Kom maar gauw mee, kindje. Ik moet naar Sir Graham. Ik heb nog maar twintig minuten. Ina: Ja... Ja, ja, best, ja. Eh... zet me maar op de hoek af, hoor. Ik... ik loop het laatste stukje wel. Paul: Ja, en zodra je thuis bent, laat je je maar een stevige borrel inschenken, hè, door dat oosterse mysterie van je, want je ziet er uit alsof je d’r best eentje kunt gebruiken. Ina: Eentje! Oh! Paul: (lacht)
(op de boot, maar nog aan de kaai.) Sir Graham: Hoe lang is het varen naar die werf, schipper? schipper: O, ongeveer een kwartiertje, Sir. Sir Graham: Ah. Hoe laat heb jij het? Crane: In ieder geval een stuk later dan kwart over elf. schipper: ‘t Is vijf voor half twaalf, Sir. Sir Graham: Ja. Dan wachten we nog vijf minuten op Vlaanderen. Als ie er dan nog niet is... schipper: Daar komt een auto, Sir! Sir Graham: Ah. (Vlaanderen arriveert) Sir Graham: Zo, nog net op tijd, Vlaanderen. We hadden de hoop al bijna opgegeven. Paul: Sorry, Sir Graham. Goeienavond schipper, hoe is ’t met jou tegenwoordig? schipper: O, prima, prima. Hoe is ‘t met u? Sir Graham: Kennen jullie mekaar? Paul: O ja, we hebben al heel wat samen meegemaakt, hè, schipper? schipper: (lacht) Paul: Goeienavond, inspecteur. Crane: Goeienavond, meneer Vlaanderen. Ziezo, schipper, laten we maar gauw gaan, hè. schipper: Ja... (start de motor en vertrekt)
Sir Graham: Die mist schijnt nou toch wel definitief opgetrokken, mm? Crane: Ja, gelukkig. Paul: Is het daar niet, daar aan bakboord? schipper: Ja, dat is Grangers Wharf. Paul: Wat is dat voor een werf, schipper? Ben je daar bekend? schipper: Jawel. Gewoon, een paar steigers. Paul: Mm. schipper: Een grote loods en een soortement van kantoortje. Crane: En eh... wat is dat houten gebouwtje, daar helemaal rechts? schipper: Dat is dat kantoortje wat ik bedoel, inspecteur. Crane: Mm. schipper: Ik zou zo zeggen, als u hier met iemand hebt afgesproken, dan zal het daar wel bedoeld zijn. Sir Graham: Ja. (boot stopt) Crane: Opgelet! Paul: (stapt op de kade) Geef mij die tros maar, schipper. schipper: Dank u... Let go! Paul: Ziezo, Sir Graham, geeft u mij maar een hand. Sir Graham: Ja, dank je, Vlaanderen. Paul: En u, inspecteur, gaat het? Crane: Nee, ik kan ‘t wel wijs, hoor. Jij blijft hier wachten, schipper. schipper: Jawel, inspecteur. Crane: Mm. Mm. Paul: Waar wacht u op, inspecteur? Op het comité van ontvangst? Crane: Ik kijk of ik Müller ergens zie, meneer Vlaanderen. Sir Graham: Nou, hier schijnt ie in ieder geval niet te zijn. Crane: Nee. De boel ziet er hier volkomen verlaten uit. Paul: Toch is er hier iemand geweest, en nog maar heel kort geleden. Sir Graham: Hoe weet je dat, Vlaanderen? Crane: Ja, hoe weet... Hoho, die voetsporen, die hier had ik al lang gezien! Sir Graham: Ah. Paul: Nou, laten we eens een kijkje gaan nemen in dat kantoortje, Sir Graham. Misschien heeft de schipper gelijk. (ze gaan er naartoe en Paul klopt aan) Crane: Nou. Hier schijnt ook niemand te wezen, als je ’t mij vraagt. Sir Graham: Onze vriend Müller schijnt zich op het laatste nippertje bedacht te hebben, hè? Crane: Maar eh... hier is een raam, Sir. Maar d’r schijnen planken voor te zitten. Wacht ‘ns even, ik zal ‘ns kijken of ik... Paul: Wacht ‘ns even! Sir Graham: Wat is er? Paul: Het lijkt wel of er verse verf op die deur zit. Hier, voelt u zelf maar. Inspecteur, kom ‘ns hier met die zaklantaren. Crane: Ik kom. Sir Graham: Grote goedheid! Kijk eens! Crane: Ziet u wat er op die deur staat? Sir Graham: “Alex”! Vlaanderen, we kunnen beter... Paul: Achteruit! U ook, Sir Graham, pas op... Sir Graham: Ik... Paul: Ik trap die deur in. (doet dat) Crane: Grote hemel!... Ziet u die kerel? Sir Graham: Z’n keel! Crane: Huh... Meneer Vlaanderen, is... dit...? Paul: Ja, inspecteur, dit is... of liever, dit was Hans Müller.
(Paul komt thuis, met Sir Graham en Crane) Ina: O, hallo, Paul. Je bent eerder thuis dan ik gedacht had. Paul: Ja... Ina: Wat zie je d’r moe uit, lieverd. Sir Graham: Nou, geen wonder. We hebben ook maar niet wat meegemaakt vanavond. Ina: Wat is er dan gebeurd? Hebben jullie Müller niet gezien? Crane: Jawel, maar niet onder de omstandigheden zoals wij ons hadden voorgesteld. Paul: Hij was dood... Vermoord, naar duidelijk bleek. Ina: (schrikt) Sir Graham: Ik ben om één ding blij: dat jij ‘m niet gezien hebt, Ina. Paul: Jij ziet er anders ook nogal pips uit, hè? Ben je regelrecht naar huis gegaan? Ina: Ja... Jawel, ja, maar eh... Paul: Maar wat? O, da’s in orde, kindje, zeg het maar rustig. ‘k Heb Sir Graham alles verteld over Mrs. Trevelyan en Dr. Kohima en zo. Ina: Nou eh... nadat jij weg was, Paul, is me iets heel vreemds overkomen. Paul: Ga door? Ina: Nou, kijk, ik eh… ik wandelde het laatste stukje naar huis, hè, zoals ik je trouwens ook gezegd had, maar in de buurt van Curzon Street kreeg ik opeens een vreemd gevoel, het gevoel of... Crane: Of u wat, mevrouw Vlaanderen? Ina: Ja, of... of iemand me de hele weg gevolgd was. Ik zag niemand, ik hoorde geen voetstappen of zo, maar toch was ik er praktisch zeker van. Hoh, ‘t was eigenlijk heel erg eng. Ik had zelfs even het gevoel dat het een hallucinatie was! Crane: Misschien was het ook wel een hallucinatie, mevrouw Vlaanderen. Ina: O, nee, nee, dat was het beslist niet, want later zag ik wel iemand. Crane: Bedoelt u dat u gezien heeft wie u volgde? Ina: Ja... Crane: En?? Wat was dat voor een man? Ina: Het was geen man, inspecteur, het was een meisje. Paul: Een meisje? Weet je dat zeker? Ina: Ja, Paul. Ja, ik heb d’r heel duidelijk gezien, net zo duidelijk als ik jullie nu zie. Paul: Wat voor een meisje? Ina: O... eh... erg knap, en... heel sjiek. Bruine schoenen, bruin mantelpakje, bruine tas, leuk bruin hoedje. Ja, echt knap en sjiek, Paul. ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (02/2008) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren op 19/09/1918; overleden te Hilversum op 11/11/2002 (Code TIN: 8816) [2] geboren te Batavia (Indonesië) op 27/12/1909; overleden op 31/10/1991 [3] geboren te Amsterdam op 21/03/1935 [4] geboren te Zwolle op 12/08/1905; overleden te Amsterdam op 19/12/1987 [5] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [6] geboren te Hilversum op 14/03/1933 (Code TIN: 10225) [7] geboren te Rotterdam op 21/09/1926 (Code TIN: 3915) [8] geboren te Amsterdam op 01/05/1922; overleden te Amsterdam op 24/05/1996 (Code TIN: 268) [9] geboren te Amsterdam op 24/01/1903; overleden te Overpelt (België) op 04/09/1981 (Code TIN: 659) [10] geboren te Hilversum op 15/06/1906; overleden te Amsterdam op 18/05/1980 (Code TIN: 1155)
|