|
PAUL VLAANDEREN EN HET ALEX-MYSTERIE DEEL 5: WILFRED DAVIS Francis Durbridge (1912-1998) uitzending: AVRO, dinsdag 04/02/1969 vertaling: Alfred Pleiter regie: Dick van Putten ([1]) rolverdeling: - Paul Vlaanderen: Johan Schmitz ([2]) - Ina, zijn vrouw: Wieke Mulier ([3]) - Sir Graham Forbes: Joan Remmelts ([4]) - inspecteur Crane: Jan Borkus ([5]) - Carl Lathom: Hans Veerman ([6]) - juffrouw Horne: Nel Snel ([7]) - Bradley: Frans Vasen ([8]) - Mrs. Trevelyan: Willie Brill ([9]) - Dr. Kohima: Rob Geraerds ([10]) - Wilfred Davis: Hans Karsenbarg ([11]) - een brigadier: Rudolf Damsté ([12]) technische gegevens: 25'49" - 11,8 MB - mp3
(telefoon) Paul: (neemt op) Hallo? Ina: Hallo? Hallo, ben jij dat Paul? Paul: Ina. Kindje, waar ben je? Ina: Paul, luister... Paul: Wat is er? Is er iets gebeurd? Ina: Paul, luister: ik had vanmorgen afgesproken bij de kapper. Paul: Ja ja, dat weet ik. Ina: Nou, toen ik van huis ging, toen kreeg ik het gekke gevoel dat ik... Paul: Dat je wat? Ina: Nou ja, dat ik gevolgd werd. Paul: Vertel verder, kindje. Ina: Door dat meisje, Paul, dat meisje wat me toen ook gevolgd is toen we terugkwamen van Marshall Terrace. Toen ik tien minuten geleden bij de kapper vandaan kwam, stond ze weer op me te wachten. Ze is me hierheen gevolgd. Paul: Waar ben je nu, Ina? Waar bel je vandaan? Ina: Ik bel vanuit een telefooncel in Harrod’s warenhuis. Ze staat op me te wachten bij de hoofdingang. Ik dacht, als ik jou kon bereiken, dan zou jij misschien... Paul: Zorg dat ze daar blijft, Ina, zorg vooral dat ze daar blijft. Ik ben binnen vijf minuten bij je! (legt neer) Pak je hoed, Lathom, we hebben een afspraak. Lathom: Een... een afspraak? Paul: Ja! Met een hallucinatie.
(Paul komt aangereden, remt bruusk, hij en Lathom stappen uit en ze lopen naar Harrod’s toe) Ina: Paul! Paul: Daar zijn we, Ina. Ina: Ja, Paul, het spijt me verschrikkelijk, maar ze is weg! Toen ik uit de telefooncel kwam, toen was ze... Paul: Ach, kindje! Ina: Ja, ‘t spijt me verschrikkelijk, Paul. Paul: Nou ja, enfin, daar is niets aan te doen. ‘t Is duidelijk wat er gebeurd is. Carl Lathom: Ja, ze heeft natuurlijk begrepen dat u over haar belde, mevrouw Vlaanderen. Toen leek het haar maar verstandiger om de benen te nemen. Paul: Ja... O, eh... neem me niet kwalijk, Ina, dit is meneer Lathom. Ina: Oooh? Lathom: Ja, mevrouw Vlaanderen, hoe zag dat meisje er uit? Een jaar of vijf-zesentwintig? Eh… knap? Helemaal in het bruin? Bruine tas, bruin hoedje? Ina: Ja, ja! Lathom: Nou, dat is vast en zeker datzelfde meisje. Maar ik... ik mag een boon als ik er ook maar iets van begrijp! Ik bedoel, waarom zou ze eerst mij gevolgd zijn en nu mevrouw Vlaanderen weer? Paul: Ja, ik zou het niet weten. (opent het portier) Nou, stap in, Ina. We gaan terug naar huis. Lathom: Ach nee, eh... ik woon hier vlak om de hoek. Waarom gaat u niet even mee een kopje thee drinken? Ina: O, een kopje thee! Wat heb ik daar een zin in. Lathom: (lachje) Nou dan, en het is hier vlakbij, meneer Vlaanderen. De eerste straat rechts en dan rechtdoor. (Paul start de motor en rijdt weg)
(bij Carl Lathom thuis) Lathom: Enfin, dat is dan zo’n beetje mijn... levensgeschiedenis. (lachje) Niet erg opwindend, vrees ik. Ina: Nou, dat zou ik niet durven zeggen. U schijnt toch wel het een en ander te hebben meegemaakt. Lathom: (lachje) Ja. Ina: Hoe lang heeft u in Cairo gewoond? Lathom: Alles bij elkaar anderhalf jaar, meer niet. En toch beviel het me daar wel. Ik heb nog dikwijls gespeeld met het idee om d’r weer heen te gaan. Paul: Waarom heb je dat dan niet gedaan? Lathom: Ach, ik weet het niet. Niet om een bepaalde reden, geloof ik. Ach, neemt u toch nog een kopje thee, mevrouw Vlaanderen. Paul: Wanneer ben je uit Cairo weggegaan? Lathom: O, dat is alweer een hele tijd geleden, eh... ‘ns kijken, nou toch al zeker tien-twaalf jaar. (lachje) U zult me beiden wel een uitermate vreemde vogel vinden, hè? Eerst ontmoeten wij elkaar bij een psychiater, dan vertel ik u dat ik aan hallucinaties lijd en nu hoort u ook nog dat ik anderhalf jaar in Cairo heb gewoond. (ze lachen) Paul: Nou ja, waarom zou je geen anderhalf jaar in Cairo hebben gewoond, hè? Mijn vrouw heeft er zelfs drie jaar gewoond. Lathom: Ach, werkelijk, mevrouw Vlaanderen? Ina: Ja, inderdaad. Lathom: Ach! Ina: Maar ik kan niet erg zeggen dat ’k er dol op was. Lathom: O nee? Ina: Nee. Lathom: Nou, mij beviel het best. Ina: Paul, jij nog thee? Paul: O, graag, kindje… Wanneer heb jij dat stuk eigenlijk geschreven, Lathom? Dat stuk waar eh... Norma Rice de hoofdrol in had. Lathom: O, da’s eeuwen geleden, vlak nadat ik afgestudeerd was. Ja, en niemand was verbaasder dan ik toen het opeens zo’n succes bleek te zijn. Ina: Heeft u sindsdien nog meer geschreven? Lathom: Geen letter. Ik beschouw mezelf ook beslist niet als auteur of zoiets, mevrouw Vlaanderen. Nee, ik ben meer... hoe zal ik het noemen... een... een... een levensgenieter, hè. Ik vind het heerlijk om niets te doen. Ik heb een vrij aardig inkomen. Ina: (lachje) Maar dat is toch haast onmogelijk om de hele dag absoluut niets te doen? Lathom: Och, dat moet u niet zeggen. Trouwens, ik lees veel, ik speel golf en ik reis veel. Ja, ik ben dol op reizen. Dat was ik vroeger ook al. Niet naar het buitenland, nee nee nee, door heel Engeland. Paul: Ben jij ooit in Canterbury geweest, Lathom? Lathom: Canterbury? Lieve hemel, ja, o, daar ben ik dol op. Ik logeer altijd in het Waverley hotel. Paul: Daar hebben wij gisteravond gedineerd, om je de waarheid te zeggen. Lathom: Meent u dat nou? Paul: Mm. Lathom: (lachje) Wat zegt u me daarvan? De manager daar is een zekere Chester. Dat was ie althans. Ik weet niet of u ‘m ontmoet hebt? Paul: Ja ja, toevallig. Lathom: Ja, een aardige, behulpzame kerel, hè. Hij verwende me altijd verschrikkelijk. Tenminste... Paul: Wanneer ben je voor het laatst geweest? Lathom: In Canterbury? Ja, nou, daar vraagt u me wat. Eh... zeker meer dan een jaar geleden, geloof ik. Om u de waarheid te zeggen, ik vond het eten er schandelijk slecht geworden. Ik veronderstel dat ze dat misschien niet konden helpen, maar ach, u weet hoe dat gaat. Hè, geniet u toch ook een stukje cake, meneer Vlaanderen. Die is heel lekker! Die heeft m’n huishoudster zelf gebakken. Paul: Graag. Lathom: Ja, (kucht) eh... meneer Vlaanderen, er is iets wat ik al wilde vragen. Ik liep er vanmorgen ook al mee rond... (er wordt geklopt - deur wordt geopend) Eh... ja, wat is er, juffrouw Horne? juffrouw Horne: Neem me niet kwalijk, meneer, maar ik kwam nog een keteltje kokend water brengen. Lathom: O, dank u, zet u maar op de theetafel. juffrouw Horne: O, en deze brieven zijn met de post gekomen, meneer. Lathom: O, ja, dank u wel… (bekijkt ze) Hèhè, ze kunnen van de lui van de inkomstenbelasting zeggen wat ze willen, maar het blijven trouwe pennenvrienden. (Ina en Lathom lachen) juffrouw Horne: Kan ik verder misschien nog iets voor u doen, meneer? Lathom: Mm? Wat? O, nee, op het ogenblik niet, juffrouw Horne, dank u wel. (ze verdwijnt) Paul: Lathom, eh... je zei net dat... Lathom: Eh... ja, eh... meneer Vlaanderen, ik... (opent een andere brief) had u willen vragen of u denkt dat dat meisje in het bruin… iets te maken... Oh... Paul: Wat is er? Ina: Is er iets, meneer Lathom? Lathom: (zucht) Meneer Vlaanderen, die brief hier, die brief die ik net gekregen heb… Paul: Nou? Lathom: Die... die is van Alex! Ina: Van... van Alex!? Lathom: Grote genade! Luister... luister wat ie schrijft, meneer Vlaanderen. “U dient de volgende aanwijzingen nauwgezet op te volgen. Dinsdag aanstaande rijdt u ‘s avonds...” Paul: Eh... ja, mag ik even, Lathom? Lathom: Oh... Paul: “U dient de volgende aanwijzingen nauwgezet op te volgen. Dinsdag aanstaande rijdt u ‘s avonds in uw eigen auto naar het dorpje Hayborn. Ten noorden van dit dorp loopt een smal laantje dat bekend staat onder de naam Follow End. U parkeert uw wagen niet later dan kwart over tien op de kruising van Follow End en de straatweg naar Hayborn. Dan wandelt u terug naar het dorp en blijft daar wachten tot 11 uur.” Ina: Waarom? Wat heeft dat nou toch voor zin? Paul: Stil, luister. “Op de achterbank van de auto laat u een koffertje achter met tweeduizend pond in bankbiljetten van één pond.” Lathom: (zucht) Paul: “Wanneer u deze instructies niet opvolgt, zend ik naar alle Engelse kranten een brief waarin de precieze redenen voor uw verblijf in Cairo worden uiteengezet. Alex.” Ina: Nou, stel dat ie inderdaad zo’n brief aan de pers zou schrijven... Lathom: Nee, dat mag niet! Dat mag niet gebeuren, meneer Vlaanderen. Dat mag in geen geval gebeuren. Paul: Lathom, voordat je deze brief openmaakte, wilde je me wat vragen. Ik ben er bijna van overtuigd dat je van mij wilde horen of ik dacht dat dat meisje in het bruin iets met die Alex-affaire te maken heeft? Lathom: Ja, inderdaad! Paul: Nou, volgens mij heeft ze dat. En wat haar betreft schijnt één factor mij van doorslaggevende betekenis. Lathom: O ja? En die is? Paul: Is die je zelf niet opgevallen? Lathom: Mij? Nee! U soms, mevrouw Vlaanderen? Ina: Nee, mij ook niet. Paul: O, (lachje) nou ja. Enfin, misschien vergis ik me ook wel. Misschien is het niet eens zo doorslaggevend, per slot van rekening... Ik zie dat deze brief in Hampstead is gepost, gisteravond. Lathom: Ja. Ina: Hij is op dezelfde machine getikt, Paul. Zie je dat? Lathom: Wat bedoelt u? Op dezelfde machine? Op welke machine? Meneer Vlaanderen, hebt u al ‘ns eerder zo’n brief gezien? Zo’n brief van Alex? Paul: Ja. Mrs, Trevelyan heeft ook een brief van Alex gehad. Veel korter weliswaar, maar... Lathom: Mrs. Trevelyan!? De praktijkassistente van Dr. Kohima, bedoelt u? Paul: Ja. Lathom: Heeft die ook een brief gehad van... van Alex? Paul: Ja. Ina: Meneer Lathom, wat bent u van plan om te gaan doen? Lathom: Te gaan doen? Ina: Ja, wat die tweeduizend pond betreft? Lathom: O, ja. Wat vindt u wat ik moet doen, meneer Vlaanderen? Paul: Tja... wanneer je niet wilt dat Alex naar de kranten schrijft… Lathom: Nee, dat heb ik gezegd, dat moet in ieder geval worden vermeden, ten koste van alles. Paul: Ja..., dan zie ik maar één uitweg voor je. Lathom: En die is? Lathom: Dat je Alex die tweeduizend pond betaalt.
(telefoon) Sir Graham: (neemt op) Hallo? Bradley: Met Bradley, Sir Graham. We staan op het punt om te vertrekken. Sir Graham: Mooi. Zijn de posten allemaal bekend? Bradley: Jawel, Sir. Maar misschien wilde inspecteur Crane het nog even checken voordat we gaan? Sir Graham: Crane is er helaas nog niet. Maar eh... ik check het wel even. Bradley: Jawel, Sir. Rogers, Farton, Deal, Makepiece blijven in het dorp. Carpenter, Hudson, Brown, Blakes en Lieven stellen zich verdekt op bij de kruising. De afzetting bestaan uit Thompson, Belton, Starting, Rogers, Smith, Rupert, Parker, Hubbard en Snowdon. Sir Graham: Uitstekend. Je hebt het dus goed begrepen, hè, Bradley? Wat er ook gebeurt, wanneer Alex eenmaal bij de wagen is, dan mag hij niet meer door de afzetting glippen. Begrepen? Bradley: Jawel, Sir Graham. Sir Graham: Mooi. (legt neer) Paul: Crane is wel erg op het nippertje, vindt u niet? Sir Graham: Tja, dat is ie inderdaad. Paul: ‘t Is al over negenen. Sir Graham: Ja, ik weet het, Vlaanderen. Ik begrijp het niet. Crane is een paar dagen geleden naar Golder’s Green verhuisd en sindsdien lijkt ie wel... (deur wordt geopend) Ah! Ah, ben je daar eindelijk, Crane? inspecteur Crane: Het spijt me ontzettend, Sir Graham. Ik eh... ik had pech met m’n wagen. Ik heb helemaal naar Hampstead moeten lopen. Sir Graham: Mm. Ik had eh… Bradley net aan de lijn. Crane: Ja, ik heb Bradley gesproken, Sir. Eh... alles is geregeld. Wat ik vragen wou, eh... hebt u nog met meneer Lathom gepraat? Paul: Dat heb ik gedaan inspecteur, vanmorgen. Crane: O, hij zal wel erg nerveus zijn, veronderstel ik? Paul: Hij is inderdaad erg zenuwachtig. Maar dat neemt niet weg dat ie z’n medewerking zal verlenen. Sir Graham: Ik heb tegen Bradley gezegd dat Alex onder geen beding door de afzetting mag glippen. Als ie probeert te ontkomen, dan moet je ’m hoe dan ook staande zien te houden. Crane: Jawel, Sir Graham. Sir Graham: Ik neem aan dat eh... dat we Lathom in de garage ontmoeten? Paul: Ja, daar zou hij op ons wachten. Tot ziens, inspecteur, en veel succes. Crane: Dank u, meneer Vlaanderen.
(in de garage - naderende voetstappen) Paul: Ah, dat is Lathom! Lathom: O, hallo, meneer Vlaanderen. Huh, wat zijn jullie laat! Paul: Ja, ik weet het, sorry. Eh... dit is Sir Graham Forbes. Carl Lathom. Lathom: Hoe maakt u het, Sir Graham? Sir Graham: Goeienavond, meneer Lathom. Meneer Vlaanderen heeft het u allemaal uitgelegd, als ik het goed begrepen heb? Lathom: Ja, ik weet precies wat mij te doen staat. Sir Graham: Zodra u bij dat laantje komt… Eh... kom, hoe heet het nou ook weer? Lathom: Follow End. Sir Graham: Follow End, dan eh... stopt u… Lathom: Ja. Sir Graham: …legt het koffertje op de achterbank en loopt terug naar het dorp. Inspecteur Crane - da’s één van mijn mensen - die wacht op u in het enige café. Lathom: Juist, Sir Graham. (opent het portier van zijn auto) Paul: O, ik zie met genoegen dat je een paar kussens op de vloer van de wagen hebt gelegd, Lathom. Lathom: (lachje) Ja, ik heb geprobeerd om het u beiden zo comfortabel mogelijk te maken. Sir Graham: Ja, maar Vlaanderen, we hoeven toch zeker niet dat hele stuk naar Hayborn op de grond te zitten? Paul: Nou, ik ben bang van wel, Sir Graham. De auto kan eventueel gevolgd worden vanaf het moment dat wij uit deze garage komen. We mogen echt geen risico lopen. Lathom: Ik geloof ook dat ie gelijk heeft, Sir Graham. Sir Graham: O ja? Nou, vooruit dan maar. (stapt in) Paul: Je weet wat ik je gezegd heb, Lathom: niet omkijken, niet tegen ons praten, en wat het allerbelangrijkste is, je moet ons volkomen negeren als je dat koffertje op de achterbank legt. Lathom: Ja, ja ja, maakt u zich echt geen zorg. Ik weet het allemaal en het zal heus wel gaan. (sluit het portier) Sir Graham: Dat denk ik ook wel, meneer Lathom. Klaar, Vlaanderen? Paul: Ja, Sir Graham. (Lathom start de motor en rijdt weg)
(auto komt aangereden en stopt - Lathom legt het koffertje neer en stapt uit - portier dicht) Sir Graham: Ik dacht warempel dat ie nog iets ging zeggen toen ie dat koffertje neerlegde. Paul: Ja. Sir Graham: Hoe laat heb jij het? Paul: Bijna half elf. Sir Graham: Mm. Ha, ik heb trek in een sigaret! Paul: Dat kunnen we niet riskeren. (geluid van naderende auto) Sir Graham: Luister ‘ns. Hoor je dat? Paul: Een auto. Sir Graham: Ja. Paul: Die komt uit het dorp. Sir Graham: Ja. Paul: Hij stopt niet, geloof ik. Sir Graham: Nee. Wacht ‘ns... (vogelgefluit) Hoor je dat? Paul: Ja. Sir Graham: Dat is één van Bradleys mannen. Paul: Hij heeft zeker iets gezien. Sir Graham: Mm, denk ik ook… Luister! Paul: ‘k Geloof dat ik iemand hoor komen. (gefluit) Sir Graham: Ja. Paul: Bukken! Sir Graham: Heb je je revolver bij de hand? Paul: Sssst! Sir Graham: Daar is ie! Paul: Bukken! (portier wordt geopend) Sir Graham: Handen omhoog! Handen omhoog of ik schiet! Mrs. Trevelyan: Niet schieten! (politiefluitje) Niet schieten!! Sir Graham: Wat? Paul: Goedenavond, Mrs. Trevelyan.
(op Scotland Yard) Mrs. Trevelyan: Laat me met rust! Laat me met rust, zeg ik! Paul: Mrs. Trevelyan, begrijpt u dan niet dat wij u willen helpen? Mrs. Trevelyan: (snikt) Paul: Begrijpt u niet dat wij u echt niet naar Scotland Yard hebben gebracht alleen maar om... Mrs. Trevelyan: Laat me met rust, alstublieft! Ik... ik heb u toch alles verteld wat ik weet? Paul: U heeft ons absoluut niets verteld, Mrs. Trevelyan. Nou moet u ‘ns goed luisteren... Sir Graham: Mrs. Trevelyan, bent u... bent u Alex, ja of nee? Mrs. Trevelyan: Ja, ja ja ja, ik ben Alex. En laat me nou alsjeblieft met rust! Sir Graham: Dat is het enige wat we wilden weten, Vlaanderen. Ik zal onmiddellijk contact opnemen met de Minister van Justitie. Paul: Een ogenblik, Sir Graham. Als u inderdaad Alex bent, Mrs. Trevelyan, dan moet u mij toch ‘ns een paar dingen uitleggen. Waarom bent u mij die avond alles komen vertellen over Marshall House Terrace? En waarom heeft u mij ook verteld over het Waverley hotel in Canterbury? Mrs. Trevelyan: O, alstublieft, niet nog meer vragen. Niet meer vragen. Paul: U moet ‘ns goed naar mij luisteren. Ik weet dat u overstuur bent, verschrikkelijk overstuur door deze... hele geschiedenis, maar u moet proberen u een klein beetje te beheersen en ons de waarheid te vertellen, de volledige waarheid. Als u ons niet de waarheid vertelt, Mrs. Trevelyan, dan... dan weet u wat er gebeurt. Dan wordt u in hechtenis genomen. Dan moet u terechtstaan en dan wordt u veroordeeld. Mrs. Trevelyan: O, mij maakt u niet bang. Mij maakt u niet bang, meneer Vlaanderen. Ik ben Alex! Ik zeg u toch dat ik Alex ben! Sir Graham: We zijn genoodzaakt om die bekentenis op schrift te zetten, Mrs. Trevelyan. Wilt u dat werkelijk? Mrs. Trevelyan: Ja... Sir Graham: En zult u die verklaring ook ondertekenen? Mrs. Trevelyan: Ja. Sir Graham: Dank u. Mrs. Trevelyan: Die zal ik ondertekenen. (deur wordt geopend) Sir Graham: Ja, wat is er, brigadier? een brigadier: Hier is een zekere Dr. Kohima voor u, Sir. Mrs. Trevelyan: Dr. Kohima! O, ik... ik wil ‘m niet zien! Alstublieft, laat ‘m niet binnen! Ik wil ‘m niet zien!! Dr. Kohima: Wat heeft dit te betekenen? Wat doet mijn praktijkassistente hier! brigadier: Ja, een ogenblikkie, meneer, u kunt hier niet zomaar naar binnen komen lopen. Sir Graham: Dank je wel, brigadier. brigadier: Jawel, Sir Graham. (gaat naar buiten) Sir Graham: Zo, Dr. Kohima. Wat is er aan de hand? Dr. Kohima: Dat zei ik toch: wat doet mijn praktijkassistente hier op Scotland Yard? Paul: Hoe wist u dat Mrs. Trevelyan hier op Scotland Yard was? Dr. Kohima: Vanmorgen wens ik de vragen te stellen, meneer Vlaanderen, als u dat goedvindt. Mrs. Trevelyan: O, Dr. Kohima, bemoeit u zich hier alstublieft niet mee, ik… ik... ik smeek het u. Dr. Kohima: Je ziet er slecht uit, kindje. Wat is je in hemelsnaam overkomen? Paul: Geen wonder dat Mrs. Trevelyan er slecht uitziet. Niet alleen dat zij de nacht in de cel heeft doorgebracht, maar... Dr. Kohima: Wat!? In de cel!? Moet dat een grapje verbeelden? Sir Graham: Nee, dat is beslist geen grapje, Dr. Kohima. Dr. Kohima: Wat heeft dat dan te betekenen? Sir Graham: Het betekent dat Mrs. Trevelyan niemand anders is dan... Alex. Dr. Kohima: Wat?? Dat kunt u toch zeker niet menen? Meneer Vlaanderen, gelooft U dat Mrs. Trevelyan Alex is? Paul: Mrs. Trevelyan heeft gezegd bereid te zijn om daar een schriftelijke verklaring van af te leggen en die verklaring ook te ondertekenen. Dr. Kohima: De gezondheidtoestand van Mrs. Trevelyan is op het ogenblik dusdanig dat zij niet geacht kan worden een rechtsgeldige verklaring af te leggen, laat staan te ondertekenen. Sir Graham: Wat bedoelt u? Dr. Kohima: Ik bedoel, mijn waarde Sir Graham, dat Mrs. Trevelyan buitengewoon oververmoeid is en emotioneel labiel. Onder die omstandigheden moogt u haar geen enkele verklaring afdwingen. Sir Graham: Zelfs indien Mrs. Trevelyan geen verklaring ondertekent... Mrs. Trevelyan: O, dokter... Sir Graham: Dan nog... Mrs. Trevelyan: Alstublieft, laat u... laat u me nou maar en... bemoeit u zich er niet mee. Dr. Kohima: Sir Graham, Mrs. Trevelyan is niet alleen m’n praktijkassistente, maar ook een patiënte van me. Daarom sta ik erop dat... Sir Graham: Waar staat u op, Dr. Kohima? Dr. Kohima: Ik sta erop dat zij eerst wat rust, al is het maar een paar uurtjes. Sir Graham: Ik heb er geen enkel bezwaar tegen dat Mrs. Eh… Trevelyan gaat rusten, nadat ze haar verklaring heeft afgelegd. Dr. Kohima: Nee, ik sta erop dat ze eerst rust en pas daarna haar verklaring aflegt. Sir Graham: Zoals u wilt. Mrs. Trevelyan: Huh... ik... ik kan niet rusten. Ik... ik kan niet slapen. Ik heb vannacht ook geen oog dicht kunnen doen. Ik... O, laat u me toch met rust, alstublieft, ik smeek u, laat me toch alleen en met rust. Dr. Kohima: Kom 'ns hier, Barbara, naar deze bank… Ga ‘ns liggen. Mrs. Trevelyan: Waarom ben je hier gekomen? Dr. Kohima: Kijk me ‘ns aan. Niet bang zijn. Kijk me ‘ns aan, Barbara. Ben je moe? Mrs. Trevelyan: Ja... Ja, doodmoe. Dr. Kohima: Kijk me aan. Nee, niet je blik afwenden. Kijk me aan. Mrs. Trevelyan: Vraag je me niets, Charles? Dr. Kohima: Nee, ik zal je niets vragen, liefje. Mrs. Trevelyan: (zucht van verlichting) Dat is lief van je, dat je gekomen bent. Ik… ik… ik had niet gedacht dat je dat zou doen. Dr. Kohima: Niet praten... Je mag je niet meer opwinden. Niet praten, Barbara, daar ben je nog te... te moe voor. Mrs. Trevelyan: Ja. Dr. Kohima: Maar alles komt nu in orde. Dat weet je. Mrs. Trevelyan: Ja, Charles, alles... komt nu weer... in orde. Dr. Kohima: Je hoeft je nergens meer zorg over te maken, Barbara. Mrs. Trevelyan: Nee... Nee, ik hoef mij nergens… meer… zorgen… over te maken. Dr. Kohima: Zo is het... Leg je hoofd maar op het kussen. Zachtjes... Zo... Doe nu je ogen maar dicht. Sir Graham: Vlaanderen! Ze slaapt. Paul: Ja. Dr. Kohima: Ziezo. Waarom glimlacht u? Paul: Ja, d’r schoot mij opeens een spreekwoord te binnen, dokter: “Met onwillige honden is het kwaad hazen vangen.” Dr. Kohima: En wat wil u daar precies mee zeggen, meneer Vlaanderen? Paul: Ik geloof dat u bliksems goed weet wat ik daarmee wil zeggen, Dr. Kohima.
(Paul komt thuis) Ina: O, dag Paul. Paul: Dag, Ina. Sorry dat ’k zo laat ben, kindje. ‘k Kom nu pas van Scotland Yard. Waar is Ricky? Ina: Naar de bioscoop. Geef mij je jas maar... (hij doet zijn jas uit) D’r eh... er zit iemand op je te wachten, Paul, je weet wel, die man die wij toen ook ‘s avonds in Canterbury hebben ontmoet. Paul: Davis? Wat komt die doen? Ina: Ik zou het echt niet weten, lieverd. Hij zit in de voorkamer. Heb je de kranten gelezen? Paul: Ja. Ina: Ze maken wel vreselijk veel drukte over Mrs. Trevelyan, zeg. De Evening Graphic schrijft zelfs... Paul: Als Crane er niet geweest was, had er geen letter over die kwestie in de kranten gestaan. Die idioot is meteen alles uitgebreid gaan vertellen zodra we in Londen terug waren. Nou ja, enfin, laat ik maar ‘ns gaan horen wat onze vriend te vertellen heeft. Is ie hier al lang? Ina: O nee, hoogstens een minuut of vijf. Paul: Mm. (gaat naar de voorkamer) Dag, Davis! Wat kan ik voor je doen? Davis: Tja, ik... weet eigenlijk niet of u wel iets kunt doen, meneer Vlaanderen. Het is misschien wel een pure brutaliteit van mijn kant om u lastig te komen vallen, maar... de kwestie is eigenlijk deze. Ik heb iets heel eigenaardigs meegemaakt, de avond dat wij elkaar ontmoet hebben in Canterbury in het Waverley hotel. Paul: O ja? Davis: Ja, ja, iets heel eigenaardigs. Ik hou er niet van om van een mug een olifant te maken, zoals ze dat noemen, maar... Paul: Wat is er nou precies gebeurd? Davis: Nou, ik weet niet of u het zich herinnert, maar nadat ik u en uw vrouw geschproken had, ben ik regelrecht naar boven gegaan. Tussen twee haakjes, ik had kamer 26, dat was de kamer naast die van u en uw vrouw. Nou, toen ik de gang in liep, zag ik iemand uw kamer binnengaan, een bijzonder nerveus verdacht uitziend mannetje. Paul: Ja, en toen? Davis: Nou, dat wekte mijn nieuwsgierigheid in die mate dat ik op mijn tenen naar de deur liep en door het sleutelgat keek. Eh... ja, dat was misschien een beetje brutaal van mij, zult u misschien zeggen, maar ja... Ina: Ja, wat... wat zag u toen, meneer Davis? Davis: Ik zag hoe dat mannetje uw koffertje openmaakte, mevrouw Vlaanderen, en daar een zakflacon met een zilveren dop uit haalde. Hij manipuleerde wat met die fles. Wat ie precies deed, kon ik niet zien omdat ie met zijn rug naar mij toe stond. Paul: Hoe zag ie er uit, Davis, dat verdacht individu? Davis: Eh… eh... nou, om u de waarheid te zeggen, ik was er bijna van overtuigd dat het die Chester was, die manager van het hotel. Frank Chester. Weet u wie ik bedoel? Paul: Ja, ik weet wie u bedoelt. Is dat alles wat u mij te vertellen had? Davis: Nee, nee nee nee, lieve deugd, nee. Dat is ook niet de hoofdzaak, bij lange na niet. Eh... later op die avond, toen u en uw vrouw al lang weg waren, ben ik nog even naar de bar gegaan om iets te drinken. Toen ik mijn hand in mijn zak schtak om te betalen, vond ik dit briefje, tot mijn grote verbazing. Eh... luister, ik zal ‘t u voorlezen. “Wat er ook gebeurt, Mrs. Trevelyan is niet Alex. Mrs. Trevelyan is niet Alex! Alex is dat meisje in het bruin.” Ina: Dat... dat meisje in het bruin!? Davis: Ja! Lieve deugd nog aan toe! Nou vraag ik u: wat zou dat in vredesnaam kunnen betekenen? Paul: (begint te lachen) Ina: Paul... Paul! Paul: (lacht uitbundig) ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (03/2008) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren op 19/09/1918; overleden te Hilversum op 11/11/2002 (Code TIN: 8816) [2] geboren te Batavia (Indonesië) op 27/12/1909; overleden op 31/10/1991 [3] geboren te Amsterdam op 21/03/1935 [4] geboren te Zwolle op 12/08/1905; overleden te Amsterdam op 19/12/1987 [5] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [6] geboren te Hilversum op 14/03/1933 (Code TIN: 10225) [7] geboren te Rotterdam op 13/03/1908; overleden op 19/10/1987 (Code TIN: 1275) [8] geboren te Heemstede op 15/11/1930; overleden te ’s-Gravenhage op 26/11/1995 (Code TIN: 2216) [9] geboren te Rotterdam op 21/09/1926 (Code TIN: 3915) [10] geboren te Amsterdam op 24/01/1903; overleden te Overpelt (België) op 04/09/1981 (Code TIN: 659) [11] geboren te Utrecht op 12/07/1938 [12] geboren te Soekaboemi (Indonesië) op 02/11/1939 |