|
PAUL VLAANDEREN EN HET MILBOURNE-MYSTERIE DEEL 1: TE JONG OM TE STERVEN Francis Durbridge (1912-1998) ([1]) uitzending: AVRO, zondag 02/01/1966 (herhaling: woensdag 20/08/1986) vertaling: Johan Bennik (Jan van Ees) - technische realisatie: Siem Vonk & Henk van der Steeg regie: Dick van Putten ([2]) rolverdeling: - Paul Vlaanderen: Jan van Ees ([3]) - Ina: Eva Janssen ([4]) - verdere medewerkenden: Huib Orizand ([5]) [Maurice Lonsdale], Frans Kokshoorn ([6]) [inspecteur Lloyd], Fé Sciarone ([7]) [Margaret Milbourne], Donald de Marcas ([8]) [Charlie], Corry van der Linden ([9]) [Dolly Brazer], Jan Verkoren ([10]) [Mr. Stone], Piet Ekel ([11]) [Lucas], Willy Ruys ([12]) [Dan Roberts], Cees van Ooyen ([13]) [Bill Watford] & Jos van Turenhout ([14]) [Green] technische gegevens: 39'12" - 35,9 MB - mp3
(in het restaurant “L’escale”) Paul: Om je de waarheid te zeggen, Ina, ik ben eigenlijk helemaal niet zo dol op dit restaurant. Jij? Ina: Mm, ik vind dat kleine, intieme zaakje waar we anders komen veel gezelliger... Paul! Paul: Mm? Ina: Je drinkt weer veel te veel koffie. Paul: Ja, dat is bij mij altijd een teken dat ik te hard gewerkt heb. Ina: Maar ben je nou klaar met dit boek? Paul: Ja, ik heb het gisterenavond laat afgemaakt. Ina: En? Tevreden? Paul: Heb je van mij ooit gehoord dat ik tevreden was met wat ik geschreven had? Ina: (lacht) Paul: Mm? Wat zou je d’r van zeggen, Ina, als we d’r ‘ns een tijdje tussenuit gingen. Ina: Vakantie? Paul: Aha. Ina: Zwitserland? Paul: Ja, waarheen je wilt. Ina: ‘k Zal er ‘ns over nadenken. Ja! (ze lachen) Paul: Ja, en… en je volgende zin ken ik ook al, hoor: “Als we naar Zwitserland gaan, liefje, zal ik een heleboel nieuwe kleren nodig hebben.” Ina: (lachje) Ja, dat is nog waar ook. Paul: (lacht) Ina: Paul... Paul: Mm? Ina: Niet direct omkijken, maar die meneer daar, die daar staat naast die tafel met al dat serviesgoed, die man staat steeds onze kant uit te kijken. Paul: Ja, ik heb ‘m al gezien, in de spiegel. Dat is ene meneer Maurice Lonsdale, een geldman. Ina: Mm. Paul: Hij heeft vrij veel belangen in West End. Ik geloof dat deze zaak ook van hem is. Ina: Ken je ‘m? Paul: Nou ja, alleen van gezicht. Ina: Maurice Lonsdale? Paul: Mm. Ina: Ik meen z’n naam wel ‘ns gelezen te hebben in de krant. Ach ja, in de roddelrubriek. Paul: Och (lachje), da’s niet onmogelijk. Ina: Nou, ik moet zeggen, hij ziet er wel uit naar een geldmannetje. Vooral die rooie anjer in z’n knoopsgat! O, kijk ‘ns, hij gaat weg. Paul: Ja. Die heeft natuurlijk al die lelijke woorden gehoord die je over ‘m gezegd hebt. Ina: O, toe nou! Die kan ie toch niet gehoord hebben. Paul: Nee, ‘k maak maar een grapje, hoor. Ina: Zeg, maar om op Zwitserland terug te komen… Paul: Mm? Ina: Wanneer wou je gaan? Paul: Nou, wanneer jij maar wilt. ‘ns Kijken hoor… We zouden vrijdag weg kunnen. Ina: Nee, da’s vrij kort! Je moet nog een hotel bespreken en ik moet nog alles regelen met Charlie en zo, en... Paul: Ja? ober: Pardon, meneer, meneer Lonsdale vroeg me u dit briefje te geven. Paul: Ja, merci. O ja, eh... ik wou graag m’n rekening, ober. ober: Ja, meneer. (Paul opent het briefje) Ina: Wat is dat, Paul? Paul: Hij vraagt me even in z’n kantoor te komen. Ina: Waar kan dat voor zijn? Paul: Ja, ik zou het je echt niet kunnen zeggen.
Lonsdale: Eh... neemt u plaats. Dit is een gemakkelijke stoel, mevrouw Vlaanderen. Ina: O, dank u. Lonsdale: Zo, daar zitten we dan. Wat mag ik u aanbieden? Ina: Voor mij niets, dank u. Lonsdale: Meneer Vlaanderen? Paul: Nou, een eh... nou, een cognacje, graag. Lonsdale: Mooi, ik doe met u mee... Ik hoop dat u mij niet kwalijk zult nemen dat ik u zo stond aan te staren daarstraks, maar ik kon m’n ogen bijna niet geloven. Paul: We zijn hier al meer geweest. Lonsdale: Ja, natuurlijk, ik bedoel alleen dat het zo’n merkwaardige samenloop van omstandigheden was. Ik heb vanmorgen tweemaal in dubio gestaan om u op te bellen. Ik had het plan om iets met u te bespreken, maar op het laatste moment veranderde ik van gedachte. Paul: Waar wou u me over spreken, meneer Lonsdale? Lonsdale: Het betreft mijn zuster Margaret. Paul: Mm? Lonsdale: Margaret Milbourne. U moet haar gekend hebben, ze is vroeger actrice geweest. Ze speelt onder de naam Margaret Beverley. Paul: Ach, ja... Lonsdale: Ongeveer zes jaar geleden trouwde ze met Carl Milbourne, de uitgever. Paul: Carl Milbourne? Lonsdale: Ja. Paul: Maar... twee weken geleden is die toch omgekomen bij een auto-ongeluk, niet? Dat was hij toch? Lonsdale: Ja. Hebt u Carl gekend? Paul: Ja, ik eh... ik heb ‘m wel ‘ns ontmoet, maar... bepaald kennen, nee, dat niet. Och, ik ben auteur en dan ken je de meeste uitgevers wel, hè. Lonsdale: Natuurlijk. Ina: Waar is dat ongeluk ook weer gebeurd, meneer Lonsdale? Lonsdale: In Genève, Zwitserland. Ina: Ja... Lonsdale: Een ellendige geschiedenis. Margaret, de stakker, is totaal van streek sinds het gebeurde. De laatste twee weken zijn een hel voor haar geweest. Ina: Mm, ‘t zal een hele schok voor haar zijn. Was zij erbij toen het gebeurde? Lonsdale: Nee, hij was in Zwitserland voor zaken. Op een middag is ie door een auto gegrepen toen hij de weg overstak. Ina: Ach... Lonsdale: Ik ben toen met Margaret naar Genève gegaan om het lichaam te identificeren... Ja, ik moet u zeggen, het was een hele beproeving. Carl zag er vreselijk uit, z’n gezicht totaal onherkenbaar. Paul: Ja, ‘t zal voor u allebei wel een beproeving geweest zijn, dunkt me, hè? Lonsdale: Margaret is altijd een nogal... ja, hoe zal ik het zeggen, een... fijnbesnaard vrouwtje geweest, en ik vrees dat dit haar daarom wel heel erg heeft aangepakt. Enfin, dit is dan de reden waarom ik u wou opbellen, meneer Vlaanderen. Paul: Zo? Lonsdale: Ja, de kwestie is namelijk dat zij.... nou ja, dat zij het in haar hoofd heeft gehaald dat Carl niet dood is. Paul: O, maar... u was toch overtuigd? U heeft het lichaam toch gezien? Lonsdale: Ja, natuurlijk, ik heb u gezegd dat het gezicht vrijwel onherkenbaar was, maar voor het overige ben ik er zeker van dat het Carl was. Behalve andere dingen herkende ik ‘m direct al aan dat kostuum wat hij droeg. Ina: Maar, hoe kwam uw zuster er dan bij dat het haar man niet was? Lonsdale: Nou, bijvoorbeeld, ze is naar een helderziende gegaan... Een vrij bekend iemand, naar ik hoor. Margaret vroeg haar te proberen met Carl in contact te komen, maar... dat lukte niet, en dat stijfde haar in de mening dat haar man nog in leven was. Ja, ‘t is belachelijk, dat weet ik, maar u weet hoe vrouwen zijn als ze zich eenmaal iets in haar hoofd hebben gehaald. Ina: (kucht) Lonsdale: Ja, en dan is er nog iets: Margaret trekt het zich ook erg aan dat ze ergens over gekibbeld hebben, even voor hij naar Genève vertrok. Ina: Kan haar dokter haar niet helpen? Lonsdale: Och ja, die heeft haar wat kalmeringsmiddeltjes voorgeschreven, die ze overigens weigerde in de nemen. Kort en goed, m’n zuster is zo totaal overstuur door die obsessie van haar dat ze nu van plan is u te consulteren, meneer Vlaanderen. Paul: Maar... waarom juist mij? Lonsdale: Kunt u dat niet raden? Ze wil u vragen een onderzoek in te stellen naar haar man. Paul: Zo? Ja... Lonsdale: U moet haar maar rustig laten praten, luisteren naar alles wat ze zegt, maar... voor haar eigen bestwil, neemt u niet alles te serieus op. De arme schat is zichzelf niet meer dezer dagen. Ina: Maar dat is toch niet te verwonderen, meneer Lonsdale? U weet nou eenmaal hoe vrouwen zijn? Meestal nemen wij de dingen direct veel ernstiger op dan mannen? Lonsdale: Ja, (lachje) ja, natuurlijk. Daar hebt u wel gelijk in, mevrouw Vlaanderen.
(op straat - het regent) Ina: Nee, ik kan nou niet zeggen dat ik bepaald dol ben op die meneer Maurice Lonsdale. Paul: Ach, kom nou, ik dacht al: dat is liefde op het eerste gezicht, hè? Ina: Mm, en jij? Mocht jij hem nou? “U weet hoe vrouwen zijn, mevrouw Vlaanderen?” (spotlachje) Jazeker weet ik hoe vrouwen zijn! In ieder geval een heleboel intelligenter dan meneer Lonsdale, als je ‘t mij vraagt. Paul: Kom, Ina, bewaar de rest nou maar voor later, hè. Ina: Zeg, moeten we nou nog ver? Ik dacht dat je de wagen om de hoek geparkeerd had. Paul: Ja, dat is ook zo. Ik dacht, nou ik... ik heb ‘m hier toch neergezet? Hier, tegenover die brievenbus. Ina: Nou, daar staat ie dus niet meer. Paul: Ja, wat zullen we nou hebben?! Ina: Hè, wat vervelend is dat. Ik word drijfnat. Paul: Maar daar begrijp ik niets van. Ik kan d’r een eed op doen dat ik hem hier, voor die brievenbus, heb neergezet. Ina: Heb je ‘m afgesloten? Paul: Ach ja, natuurlijk heb ik dat. Ina: Ja, we kunnen hier niet blijven staan. Paul: D’r zit niks anders op dan dat ik de politie opbel. Nou, ja, kom mee, we gaan terug naar dat restaurant. ik bel daar dan op en dan bel ik meteen een taxi. Ina: Goed, ja. M’n hemel, het giet gewoon! Paul: Ja, maak je borst maar nat voor de kranten morgenochtend. Sla ik effe een figuur: “Wagen van Paul Vlaanderen gestolen. Privé-detective belt Scotland Yard op om hulp.” Ina: Ik zie het al. Paul: Ja... Ina: Wat een toestand.
(auto komt aan - portier open) Lucas: Voor mekaar, Dan? Dan: Voor de bakker! Heb je de nummerplaten? Lucas: Ja! Hier! Dan: Vooruit dan, schiet op! Verwissel ze effe. Lucas: Huh, ik kijk wel uit, ik drijf gewoon, we kennen ze toch in St Albans wel effe omzetten. Het duurt wel een paar uur voordat de smerissen d’r lucht van krijgen. Dan: Nou vooruit, goeie dan. Kom op. (hij stapt in - auto rijdt weg) Lucas: Best karretje heb je daar gepikt, Dan, wat ik je zeg. Dan: Als een vogeltje zo licht. Lucas: Heb je papieren gevonden? Dan: Nee, niks. Overal gekeken. Lucas: Geen idee van wie die is? Dan: Nee, eh... ik heb ‘m gepikt in één van die zijstraten van Knightbridge. Lucas: (lachje) Als Bert ‘m even een likkie verf geeft, is d’r geen hond die ‘m meer terugkent. Dan: (lachje) En niet mee dan vijfduizend hebt ie gelopen, Ja, kijk maar op de meter. Zo goed als nieuw, en nog beter, zeg ik je, ingereden en wel. Lucas: Wat een rotweer, hè? De glimmerikken zetten geen poot buiten de deur als ze ‘t niet hoeven... Hoe lang motten we nog tot Bert z’n tent? Dan: ‘n Minuut of veertig. ‘k Voel d’r niks voor om d’r daarom de spat in te zetten. Lucas: ‘t Is ook niet nodig, man. Geen risico’s.
Lucas: Wat mot die wagen achter ons? Die zit de laatste paar kilometer al aan onze staart. Dan: Ja, ‘k heb ‘m in de gaten, in de spiegel. Lucas: Toch geen politie? Dan: Weet ik veel! ‘k Zal ‘ns eh... ‘k zal ‘ns een beetje vaart verminderen. Lucas: Nou gaan zij ook langzamer. Ik kan het moeilijk zien door de koplampen. Ik geloof niet dat het smerissen zijn. Dan: We komen nou op de tweebaansweg. Ik zal ze een seintje geven. Lucas: Hè, we hadden toch beter die nummerplaten kennen verwisselen. Dan: Ach... Lucas: Ze geven gas, Dan! Dan: Wat wil die vent nou? Lucas: Ach, het zit al goed, geen politie. Ga een beetje naar de kant. Dan: Nou? Kommen ze nou nog? Lucas: Ze hebben ‘t zijportier opengemaakt! Wat duivels zijn ze nou toch van... Wat!... Kijk uit, Dan! Hij heb een blaffer! Dan: Wat? Lucas: Een blaffer! (een machinepistool ratelt - de auto crasht)
(aan de ontbijttafel) Paul: Ina?...Ina? Ina: Ja... eh... liefje? Paul: Zou je even die krant neer willen leggen en me een kop koffie in willen schenken? Ina: Mm? ‘t Spijt me, Paul, er is geen koffie meer in huis. Paul: Hè? Ina: ‘k Heb Charlie gezegd thee te zetten. Paul: Ah... goed, dan thee. En als het kan, een klein beetje medeleven. Ina: Medeleven? Paul: Ja. ‘k Weet niet of je je ‘t herinnert, maar de wagen is gisteravond gestolen. (er wordt geklopt) Ina: Mm. Paul: Ja? (deur open) Ja, wat is er, Charlie? Charlie: Er staat een inspecteur van politie in de gang, meneer. Inspecteur eh... Lloyd, zei ie, geloof ik. Paul: Ja, dat zal wel over de wagen gaan. Laat ‘m hier maar binnen, Charlie. Charlie: Goed, meneer. Paul: En, Charlie? Ik wil niet te veel van je verstand vergen, maar je moet je toch wel van tijd tot tijd proberen te herinneren dat ik liever koffie heb bij m’n ontbijt. Charlie: O... ‘t spijt me. meneer, ik eh... ik… ik... ik... ik vlieg direct effe de hoek om als de winkels open zijn. Paul: Ja, mooi. En eh... vraag de inspecteur of ie binnen wil komen. (hij gaat) Ina: (lachje) Liefje, ‘t is helemaal niet nodig om zo onaardig te doen tegen Charlie. Hij heeft heus de wagen niet gestolen. Paul: Nee, en koffie heeft ie ook niet gezet. Ina: (lacht) .?. (deur open) Charlie: Gaat u hier maar naar binnen, meneer. inspecteur Lloyd: Dank je... (komt binnen) Morgen, meneer Vlaanderen. Paul: Goeiemorgen, inspecteur. U kent mijn vrouw nog niet? Ina, dit is inspecteur Lloyd. Lloyd: Morgen, mevrouw. Ina: Morgen, inspecteur. Lloyd: Ik kom maar even bij u oplopen om u zeggen dat we de wagen gevonden hebben. Ina: Ach!... Paul: Wat? Heb... Werkelijk? Sapristi, dat noem ik knap werk! Lloyd: Ja... Ik ben alleen bang dat ie niet in al te beste conditie is. ‘t Is lelijk aangekomen. Ina: Waar hebt u ‘m gevonden, inspecteur? Lloyd: Hij lag in een greppel, even voor St Albans. Paul: Hè? Lloyd: Het is een total loss, zo te zeggen. Ina: Mm! Lloyd: Een wrak. Ja, u kunt ‘m wel afschrijven. Paul: Zo zo, da’s lelijk, hè? En eh... enig spoor van de dief? Lloyd: Een spoor? Paul: Ja? Lloyd: Kan ik wel zeggen, ja. Hij zat nog achter het stuur. Paul: Wat? Ina: Zo? Lloyd: Ja. Met twee kogels in z’n hoofd. Ina: O, nee!... Paul: Zo... En eh... een bekende van jullie? Lloyd: Jawel, een notoir autodief. Dan Roberts heette ie. We vonden ook nog een paar valse nummerplaten achter in de wagen. Ik durf er wat onder te verwedden dat ie van plan was om ‘m te verkwanselen zodra hij in St Albans was gearriveerd. Ina: Tja. Paul: Ja... En natuurlijk geen idee wie d’r op ‘m geschoten kan hebben, wel? Lloyd: Nee. We geloven wel dat er nog iemand in de wagen gezeten heeft. Een hij of een zij, dat weten we niet. Maar verder geen spoor. Paul: Ja... Die eh... die Roberts kan natuurlijk ruzie gehad hebben met z’n kameraad, maar... maar ja, dat ie dan op de bestuurder geschoten zou kunnen hebben, dat lijkt me toch niet waarschijnlijk. Lloyd: Nee. ‘t Blijft allemaal voorlopig nog een probleem. Sir Graham wou u alleen maar even laten weten dat we achter de zaak aan zitten. Paul: Ja... Nou, bedankt dan, voor zover. En eh... ja, wat gaat er nou met de wagen gebeuren? Lloyd: Ze hebben ‘m naar de Pentagon garage gesleept in Cumberland Street. Ze zullen u wel opbellen… Nou, als u niks meer hebt, meneer Vlaanderen, ik heb nog zo wel het een en ander te doen vanmorgen. Paul: Ja, natuurlijk, ik laat u even uit. Lloyd: Morgen, mevrouw. Ina: Inspecteur. (ze verlaten de kamer) Paul: Vertel ‘s, inspecteur, die eh… die man, die eh… Roberts, Dan Roberts, zei u? Lloyd: Ja. Paul: Zouden ze die voor mij aangezien kunnen hebben? Lloyd: Nou... veel heeft ie niet van u weg. Maar ja, het was erg donker gisteravond. Ik zou zeggen, mogelijk is het wel. Paul: Ja... Nou eh... ik dank u, inspecteur… (opent de voordeur) Zo, nou, ik hoor nog wel van u als u wat meer weet, ja? Lloyd: Natuurlijk, dat spreekt. (Paul sluit de deur en keert terug naar de ontbijtkamer) Ina: O, je thee is helemaal koud geworden. Zal ik je nog een ander kopje geven? Paul: Ja... Graag, ja. Ina: Ik heb zo’n idee dat de inspecteur niet op de gedachte is gekomen dat, wie er dan ook geschoten mocht hebben, in de veronderstelling was dat ie op jou schoot. Paul: Wat? Eh... ah, sapristi, Ina, hoe kom je daar zo op? Ina: Nou, zeg het maar eerlijk. Jij hebt er ook aan gedacht. Jij moet net zo goed op dat idee gekomen zijn. Paul: O nee, geen haar op m’n hoofd. Ina: Maar Paul, het was jouw wagen, het was stikdonker buiten, de nummerplaten waren niet verwisseld. Het ligt dus voor de hand dat de persoon die de wagen volgde in de veronderstelling verkeerde dat jij achter het stuur zat. Paul: Maar dat is toch helemaal niet noodzakelijk. En bovendien, hoe kun je weten dat de schoten toch niet vanuit een andere auto zijn gelost? Ina: Mm? (er wordt geklopt) Paul: Ja? (deur open) Ja, Charlie? Wat nou weer? Charlie: Een zekere mevrouw Milbourne, meneer. De dame schijnt me nogal overstuur te zijn. Ik heb ‘r maar in de studeerkamer gelaten. Paul: Ja, da’s goed, ja. Eh… ja, zeg haar dat ik over een minuutje bij ‘r ben.
Margaret Milbourne: Het geeft allemaal niets, meneer Vlaanderen. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat die dode man die we die ochtend gezien hebben Carl niet geweest kan zijn. Dat was mijn man niet. Paul: Waarom hebt u dat toen niet direct gezegd, mevrouw Milbourne? Milbourne: Ja, ik... ik was zo ontzettend overstuur, ik… ik was mezelf niet meer. Paul: Maar uw broer heeft het lichaam toch geïdentificeerd? Milbourne: Jawel, dat weet ik, maar hij was ook overspannen toen... Hebt u Maurice dan gesproken? Paul: Ja, mijn vrouw en ik hebben gisterenavond gedineerd in dat Franse eethuisje van ‘m, “L’escale”. Uw broer vroeg ons toen om bij hem op z’n kantoor nog iets te komen drinken. Milbourne: En wat zei hij? Over mij, bedoel ik? Paul: Hij zei dat u nog steeds heel erg overstuur was en dat u maar niet wilde inzien dat uw man inderdaad overleden was. Milbourne: Is dat alles wat hij gezegd heeft? Paul: Dat is wel zowat alles, ja. Milbourne: Mm. Paul: Ik heb uw man éénmaal ontmoet, geloof ik, en dat is... ‘ns kijken, ja, ja, da’s toch heel wat jaren geleden. Ik geloof niet dat ie toen al getrouwd was, wel? Milbourne: We zijn ongeveer zes jaar geleden getrouwd. Paul: Zo... Heeft u kinderen? Milbourne: Nee, jammer genoeg niet. Paul: Vertelt u ‘ns, wat had uw man te doen in Genève? Milbourne: Hij moest daar zijn voor zaken. Hij hoopte daar Julia Carrington te ontmoeten. Paul: Ach, Julia Carrington, de filmster uit Hollywood. Woont die daar? Milbourne: Ja, vier jaar geleden is ze in Zwitserland gaan wonen. Ze scheen haar filmen eraan gegeven te hebben. En Carl had gehoord dat ze bezig was haar memoires te schrijven. Hij stelde d’r bijzonder prijs op te weten of dat waar was. Paul: Ja, dat begrijp ik, een autobiografie van Julia Carrington zou een stunt zijn voor iedere uitgever, hè? Milbourne: Ja, dat zei Carl ook. Hij heeft wel een goeie agent in Zwitserland, maar hij vond het toch beter die vrouw zelf te gaan opzoeken. Hij... Ik... ik weet niet waarom, meneer Vlaanderen, maar ik had nou eenmaal een vreemd idee over Carl en Julia Carrington. Ina: Mevrouw Milbourne, ik twijfel er niet aan of u gelooft werkelijk dat uw man niet overleden is, maar is dat nou zomaar een ingeving van u of... Milbourne: Nee nee nee, het is zeker niet zomaar een ingeving, mevrouw Vlaanderen. Het is meer dan dat. Het is veel meer. Paul: Bedoelt u dat u er een bewijs voor heeft dat uw man nog in leven is? Milbourne: Ja, ik heb een bewijs en dat is de reden waarom ik nu hier ben. Paul: Zo? Ja... Nou, vertelt u me dat dan maar eens, mevrouw. Milbourne: Toen ik na dat ongeluk uit Zwitserland hier weer terugkwam, lag er thuis een pakje voor me, geadresseerd aan Carl, en het kwam uit een winkel in St. Moritz. Er zat een hoed in, een herenhoed, een hoed van Carl die hij droeg toe hij naar Genève vertrok. Ja, Carl had een zwak voor hoeden. Ik wist toen onmiddellijk wat er gebeurd was. Hij had een bezoek gebracht aan Sint Moritz, kocht daar een hoed en had in die winkel gevraagd zijn oude hoed op te sturen naar z’n huis, hier. Paul: Ja, maar dat was dan klaarblijkelijk vóórdat het ongeluk gebeurde. Milbourne: Daar kom ik direct aan, meneer Vlaanderen. Ja, u begrijpt wel dat ik aan die hoed niets had. Het was een betrekkelijk ouwe hoed, dus ik gaf hem aan onze tuinman. Eergisteren kwam die man bij me en vertelde me dat hij een stukje papier in de binnenrand van de hoed gevonden had... (neemt het) Hier is het, meneer Vlaanderen. Paul: Ja?... Juist... Gaat u verder, mevrouw. Milbourne: U zie het handschrift en de datum op dat stukje papier? Paul: Ja, dat zie ik, ja. De datum... Milbourne: Zes januari! Dit briefje is geschreven twee dagen na het ongeluk, en het is geschreven door mijn man. Paul: Bent u er zeker van dat dit handschrift van uw man is? Milbourne: Absoluut zeker. Ina: Wat staat er op dat briefje, Paul? Paul: Ja... “Maak je vooral niet ongerust. Heb Randolph ontmoet en alles komt in orde. Bericht je later.” Ina: Dat kan uw man inderdaad onmogelijk na het ongeluk geschreven hebben, mevrouw. Milbourne: Nee, natuurlijk niet, als u gelooft dat mijn man erbij betrokken was. Maar dat zei ik u toch al: ik geloof niet dat mijn man gedood werd. Paul: Maar wie was dat dan? Milbourne: (zucht) Dat weet ik niet… Paul: Mevrouw Milbourne, eh… laten we aannemen dat uw man dit geschreven heeft. Zegt die naam Randolph u dan iets? Hebt u ooit gehoord van iemand die Randolph heet? Milbourne: Nee, dat heb ik niet. Ik begrijp hoegenaamd niet wat hij bedoeld kan hebben met ”Heb Randolph ontmoet en alles komt in orde.” Ina: Heeft u uw broer van dit briefje verteld? Milbourne: Ik was eerst van plan het hem te vertellen, maar... toen ineens ben ik van gedachte veranderd. Paul: Waarom? Milbourne: Ach... eh... als ik begin met ‘m iets te vertellen, dan… altijd... Ach, dat geeft toch allemaal niets, meneer Vlaanderen. Hij denkt nou eenmaal dat ik door de schok mijn verstand verloren heb. Paul: O, dat zou ik zeker niet zeggen, mevrouw. Milbourne: (lachje) Maar hij wel! U kent Maurice niet zoals ik hem ken. Paul: Zo? Ja... Maar ja, wat wilt u nou dat ik zal doen, mevrouw? Milbourne: Ik zou graag willen dat u en uw vrouw met mij meegingen naar Zwitserland. Ik wil dat u zult proberen te bewijzen dat het absoluut zeker is dat het mijn man was die de hoed naar Londen heeft laten sturen, twee dagen na het ongeluk. En ook: ik zou graag willen weten wat Carl in St. Moritz te zoeken had. Hij heeft me er nooit iets van gezegd dat hij daarheen zou gaan. Ina: Misschien dacht ie die Julia Carrington daar te vinden? Ja, ik... ik heb een artikel over haar gelezen in een tijdschrift. Ze woont in Genève, maar ze heeft ook nog een villa in Sint Moritz. Milbourne: Mijn broer heeft met haar gesproken, in Genève, toen we daar waren. Ze zei toen dat ze Carl nooit gezien had. Ina: Hé... Milbourne: Het schijnt dat haar secretaris een kort onderhoud met ‘m heeft gehad. Maar... maar dat was alles. Paul: Juist… Mevrouw Milbourne, hebt u er bezwaar tegen dat ik u een privé-vraag stel? Milbourne: O, vraagt u me alstublieft alles wat u weten wilt, meneer Vlaanderen. Paul: Hebben u en uw man moeilijkheden gehad voor hij naar Genève vertok? Milbourne: Hoe... hoe weet u dat? Heeft Maurice u dat verteld? Paul: Hij heeft erop gezinspeeld, ja. Milbourne: O, maar... dat... dat moet u helemaal niet verkeerd begrijpen. Carl en ik hadden heel weinig onenigheid samen. Er was alleen één ding waar we wel ‘ns kwestie over hadden. Carl had nogal ‘ns voorgevoelens, vooral wat betreft zijn dood. Hij nam het als vaststaand aan dat hij eerder zou gaan dan ik, en... nou ja... hij wil daar dan graag lang over uitweiden. Ik vond het onderwerp bijzonder onaangenaam en ik zei ‘m dan altijd: hou er toch op, Carl, je bent te jong om te sterven. Paul: En sprak hij ook over dat voorgevoel vóór hij naar Genève vertrok? Milbourne: Ja, inderdaad, maar de volgende morgen was het allemaal weer vergeten. Alles was heel prettig toen, en ik bracht ‘m zelf naar het vliegveld. Paul: Juist, ja... Ja, nou, ik moet nu alles wat u mij hebt verteld ‘ns rustig overdenken, mevrouw. Waar kan ik u bereiken? Milbourne: Eh… hier heeft u mijn kaartje. Op dit nummer kunt u mij altijd bereiken. Paul: Dank u. (telefoon) Milbourne: Ik ben u erg dankbaar dat u naar me heeft willen luisteren, meneer Vlaanderen. Ik... ik hoop zo dat u me kunt helpen. Paul: We zullen zien, mevrouw Ina: Ik laat u even uit. Milbourne: Graag, dank u. Tot ziens dan, meneer Vlaanderen. (ze verlaten de kamer) Paul: Mevrouw... (neemt op) Ja, met Vlaanderen. man: Goeiemorgen, meneer Vlaanderen, hier met de Pentagon garage, Cumberland Street. Paul: O, goeiemorgen. man: We hebben uw wagen hier. Paul: Ja, vertel ‘ns, hoe ziet ie d’r uit? man: Nou meneer, ik denk wel dat u ‘m nog zal terugkennen. Ja, met een goeie beetje wil dan. Wanneer kunt u ‘m ‘ns even komen bekijken? Paul: Nou, ‘ns kijken. In de loop van de ochtend, denk ik wel. Ja, om half twaalf ongeveer. man: Akkoord. Vraagt u maar naar Watford. Paul: Dat zal ik doen. Bedankt voor het telefoontje. (legt neer) Ina: (komt weer binnen) Wie was dat? Paul: De garage, over de wagen. Is mevrouw Milbourne weg? Ina: Mm. De stakker, ze is het erg te kwaad. Wat vind jij van dat briefje, Paul? Ik had zo’n idee dat het een foefje van ‘r was om jou sterker voor de zaak te interesseren. Paul: Ja, ik... ik heb daar ook wel even aan gedacht, ja. Ina: En? Gaan we naar Zwitserland? Paul: Ik weet het nog niet. D’r zijn één of twee dingen die nog niet helemaal kloppen. Ina: Zoals? Paul: In de eerste plaats: als dat briefje door Carl Milbourne geschreven werd… (telefoon) Ina: Mm? Paul: …waarom, vraag ik me af, heeft ie niet doodeenvoudig... Ja, wacht maar, nee, ik neem de telefoon wel even... (neemt op) Hallo? vrouw: Spreek ik met Paul Vlaanderen? Paul: Hé, die stem ken ik! vrouw: Natuurlijk, suffie. Je spreekt met Dolly, Dolly Brazer. Paul: Mijn hemel, Dolly! Maar dat is een tijd geleden. Hoe is het met jou? Dolly: Nou, om u de waarheid te zeggen, lieve meneer Vlaanderen, ik zit een beetje in de puree. Paul: O! Nou, dat vind ik heel vervelend voor je, Dolly. Wat kan ik voor je doen? Dolly: O, een heleboel. Ik moet even met je praten. Dan kan ik je alles vertellen. Paul: Da’s goed, Dolly. Maar waarom kom je niet even hierheen? Dolly: Nou nee... nee, als het u ‘t zelfde is, dan zou ik u toch liever ergens anders ontmoeten, ergens buiten als ‘t kan, in een... in een park of zo. Paul: O? Nou, eh... (lacht) wat zou je zeggen van de dierentuin, hè? Dolly: O, maar dat is een prachtidee! Precies wat ik bedoel. Binnen drie kwartier wacht ik bij de hoofdingang. Ik zie u daar dan wel. Paul: Eh... nou... ja, goed dan. Tot straks, Dolly. (legt neer) Ina: Zo zo? Je hebt het druk vanmorgen, meneer Vlaanderen. Wie is Dolly? Paul: Nou, ga in gedachten zeven jaar terug, Ina, tot de grootste toneelflop van het seizoen. Ina: Mm? Paul: “Geen ongeluk zo groot”, een muzikale show door Paul Vlaanderen.” Ina: Hoho! Paul: Ja, Dolly Brazer speelde daar de dienstbode in, weet je nog? Ina: Ja! ‘k Weet het al, zo’n klein grappig brutaal kind met vuurrode krullen. Was ze destijds ook niet betrokken in een of ander marihuanaschandaaltje? Paul: Precies! Ik heb ‘r toen met Arnold in connectie gebracht en die heeft de zaak met een lichte straf voor haar kunnen regelen. Ina: O. Paul: Ja, ze was me hondsdankbaar toen. Ja, maar nou moet ik weg. Zeg, eh... zullen we samen lunchen? Gewone plaats om ongeveer kwart over een? Ina: Ja, gezellig. En Paul… Paul: Ja, m’n kind? Ina: Niet té lief met die Dolly Brazer, schat. Paul: (lacht) Ik beloof het je, hoor.
(aan de dierentuin) Paul: Ah, daar hebben we Dolly! Dolly: Meneer Vlaanderen. Paul: Prettig je weer ‘ns te zien. Hoe gaat het ermee? Dolly: O, wat mij betreft best. Paul: O, maar je ziet er toch niet te best uit? Een beetje bezorgd, dacht ik zo, hè? Dolly: Nou, ik... ja... Paul: Kom, laten we gaan zitten. Dolly: Ja. Paul: Zo… Nou, vertel op. Wat is er aan de hand? Heb je jezelf in de narigheid gebracht, of... Dolly: Nee nee nee! Nee, dat helemaal niet. Paul: Nou, wat dan? Vertel ‘ns. Wat doe je tegenwoordig? Waar werk je? Dolly: Ik ben eh... ik ben... Ach, nou ja, ik werk in een nachtclub. Paul: Ah? Waar? Dolly: In Soho. Paul: En… je hebt moeilijkheden? Dolly: Nee. Ik maak me alleen bezorgd. Ik maak me bezorgd over u. Paul: Over mij? Dolly: Ja. Ik heb nooit vergeten wat u destijds voor me gedaan hebt, meneer Vlaanderen. Moet u horen, meneer Vlaanderen… Paul: Ja? Dan: Ik wil alleen maar dat u niet betrokken wordt in die Zwitserse zaak. Paul: Zwitserse zaak? Dolly: Ja. Paul: Je bedoelt, mevrouw Milbourne en... Dolly: Ja! Paul: Ja, ga door, Dolly. Dolly: Ik wil niet dat u of dat aardige vrouwtje van u, die ook zo lief voor me geweest is, iets overkomt. Paul: Waarom zou ons iets moeten overkomen? Dolly: Dat zal zeker gebeuren als u in die Milbourne-zaak verstrikt raakt! Paul: Ken je mevrouw Milbourne dan? Dolly: Nee. ‘k Heb alleen over d’r gehoord, in een roddelpraatje ergens. Paul: Ze is bij me thuis geweest vanmorgen om me te spreken. Dolly: Ja, ja, dat weet ik. Paul: Hu? Dolly: Ze heeft u verteld dat haar man niet dood was en... ze vroeg u om haar te helpen. Paul: Ja? Dolly: Doe het niet, meneer Vlaanderen! Doe het niet! Het is het niet waard! Paul: Ja, het is erg aardig van je, Dolly, om je zo bezorgd te maken over ons, maar je weet dat m’n vrouw en ik wel eens meer voor hete vuren hebben gestaan, en we zijn allebei nog in leven om het te kunnen navertellen. Nou... Dolly: Dus, u gaat naar Zwitserland? U gaat die mevrouw Milbourne werkelijk helpen? Paul: Ik heb nog niets besloten. Dolly: (zucht) In ieder geval kan ik dan niet zeggen dat ik u niet gewaarschuwd heb. ‘k Zou het mezelf nooit vergeven hebben als ik dat niet had gedaan. Paul: Kijk, je hebt me nou wel gewaarschuwd, Dolly, maar je hebt me nog niet gezegd waarvoor. Dolly: Ik heb u alleen gezegd dat u voorzichtig moet zijn. Paul: Dolly, is Carl Milbourne... dood? Is hij gedood bij dat auto-ongeluk? Dolly: Ik weet niets over Carl Milbourne. Al wat ik weet is... Paul: Wat? Dolly: ...er is iemand... iemand die niet wil dat u mevrouw Milbourne helpt. Paul: Nou, wie is die iemand? Dolly: Dat weet ik niet. Paul: Dat moet je weten! Dolly: Ik weet het echt niet, en als ik het wist zou ik het u niet zeggen. Paul: En waarom niet? Dolly: Omdat ik daarmee een verschrikkelijk risico zou lopen. En… ik... ik... ik ben... te jong om te sterven. Paul: Te jong... om te sterven? Dolly: Ja. Onthoud dit, meneer Vlaanderen: ik ben te jong om te sterven.
(er wordt geklopt - deur open) Charlie: D’r is een meneer Stone van de Pentagon garage. Hij wil u graag even spreken, mevrouw. Ina: Ja, ik sta op het punt om uit te gaan. Maar goed, ik ga wel even. (gaat naar de hal) Meneer Stone? Stone: Goeiemorgen, mevrouw. Ina: Morgen. Stone: Ik ben van de Pentagon garage. Uw man heeft een wagen bij ons gehuurd. Hij heeft me gezegd die bij u voor te rijden. Ina: O, heerlijk! U komt net op tijd, meneer Stone. Ik wou juist een taxi bellen. Stone: Mooi. Nou, dan zie ik u wel beneden, mevrouw. Ina: Mm. Stone: De wagen staat aan de overkant van de straat. Ina: Dank u. Ik kom zo beneden.
(op straat - Stone opent het portier) Stone: En dan heeft u hier de sleuteltjes, mevrouw. Ina: Mooi. Stone: Nou, u zult er geen moeilijkheden mee hebben als u tenminste al ‘ns meer met een dergelijke wagen gereden hebt. Hij schakelt automatisch. Ina: Ja, dank u wel, meneer Stone, ik heb er al ‘ns mee gereden. Stone: En eh… mocht u ze nodig hebben, alle papieren zitten daar in ‘t gewone hokje. Ina: O ja. Kan ik u een lift geven? Stone: Welke kant gaat u op? Ina: Piccadilly. Stone: Nee, mevrouw, nee, daar heb ik niks aan, ik moet de richting Kensington op. Dag, mevrouw! Ina: Goeiedag dan. (portier dicht - motor start - auto rijdt weg)
(telefoon - Charlie neemt op) Charlie: Hallo? Paul: Is mevrouw daar, Charlie? Charlie: O, meneer Vlaanderen. Mevrouw rijdt net weg in de wagen. Paul: Wat? Wagen? Wat voor een wagen? Charlie: Nou, die auto van de Pentagon garage. Paul: Maar daar ben ik op het ogenblik. Wie heeft die wagen gebracht? Charlie: Ene meneer Stone. Hij zei dat u die wagen net gehuurd had. Paul: Charlie, luister! Ren naar beneden! Haal m’n vrouw uit die wagen! Charlie: Maar ze is al weg, meneer! Paul: Vlieg naar beneden! Ren als de hel!! Haal haar uit die wagen!!
(op straat - stationair draaiende motor) taxichauffeur: Mooie boel hier bij dat kruispunt! Je zit hier altijd zo vast als een muur. Dat duurt uren hier. Gisteren heb ik hier twintig minuten gestaan! Ina: Zo? taxichauffeur: Ja, en m’n vrachie heb toen z’n trein gemist. Ina: En wordt daar dan niets aan gedaan? taxichauffeur: Ach, daar zalle wij wel nooit wat van begrijpen, mevrouw, en het wordt met de dag erger. Charlie: (komt aangestormd) Mevrouw Vlaanderen! Mevrouw Vlaanderen! Stop!! Niet rijden! Ina: Charlie!? Wat is er?? Charlie: Meneer… meneer was aan de telefoon. Ina: Ja, stap in dan, We moeten verder. Charlie: Nee! Nee, mevrouw! U… u moet er uit! Ina: Ja, maar ‘k zit midden in de file, ik kan er hier niet uit. Charlie: Om ‘s hemels wil, komt u er uit! Meneer… meneer was wanhopig! Ina: Ja! Goed, eh… al goed. (boos getoeter) agent: Mevrouw, u houdt het verkeer op. Ja, wat doet u nou? Als u niet direct doorrijdt, moet ik u bekeuren. (explosie)
Paul: Voel je je al wat beter, Ina? Ina: O ja, veel beter. Paul: Mooi. Ina: ‘k Denk dat ‘k maar opsta. Ik wil graag een kop thee. Paul: (lachje) Hoef je toch niet voor op te staan! Charlie kan toch wel thee zetten? Ina: Hoe is het met Charlie? Paul: O, best hoor, ik heb ‘m salarisverhoging beloofd, dus je begrijpt… Ina: Nou, hij verdient het, als Charlie er niet geweest was, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn. Paul: Ja, dat weet ik wel. Ina: Zeg, jij!... Is er nog iemand gewond? Paul: Ja, die taxichauffeur die naast je stond. Ina: Ach, nee toch! Paul: Ja. Maar het valt nogal mee, hoor. Wat schrammen en kneusjes, da’s gelukkig alles. Ina: Ben je nog naar die garage geweest? Paul: Ja. Ik hoef je niet te zeggen dat ze van het bestaan van ene meneer Stone geen notie hadden. Ina: En eh…, wat is er vanmorgen gebeurd? Paul: Ook een vraag. Wat bedoel je? Ina: Nou, met die Dolly Brazer. Waarom moest ze je zonodig spreken? Paul: Ze gaf me een waarschuwing me niet te bemoeien met die Milbourne-affaire? Ina: Ah? Is het dat? Paul: Ja. Ja, ik had het je niet willen zeggen, tenminste vandaag nog niet. Ik wou je niet ongerust maken. Ina: Maar ik ben helemaal niet ongerust. Ik wil op de hoogte blijven van de dingen die jou aangaan. Ik hoor erbij, Paul. Paul: Goed, kindje. (er wordt geklopt - deur open) Charlie: Eh… o, eh… mag ik eh… binnenkomen, meneer? Paul: Je bent binnen, Charlie. Ina: (lachje) Charlie: Neemt u me niet kwalijk, meneer. (kucht) Bent u weer wat opgeknapt, mevrouw? Ina: Ja, dat gaat wel, Charlie. En… voor ik het vergeet: dank je dat je m’n leven gered hebt. Charlie: Ja, niks te danken, mevrouw. Eh… (lachje) voor nou en nog ‘r ‘ns, hè? (Paul en Ina lachen) O ja, dat zou ik nog vergeten: mevrouw Milbourne is aan de telefoon. Ina: Mm? Paul: Ja, eh… hier dan maar, Charlie. (hij verlaat de kamer) Ina: Mevrouw Milbourne? Paul: Ja, ik heb geprobeerd haar te bellen, maar ze was d’r niet. Heb ik een boodschap achtergelaten dat ze mij moest bellen. Ina: O. Nou, ik sta op, Paul, dan kunnen we in de zitkamer thee drinken. Paul: Zoals je wilt, vrouwtje. (telefoon - neemt op) Hallo? Milbourne: Meneer Vlaanderen? Met mevrouw Milbourne. Ik zou u bellen. Paul: Ja, dat klopt, mevrouw. Ik wou u iets vragen. Eh…. bent u alleen? Milbourne: Ja, ja, ik ben alleen. Paul: Hebt u, om de een of andere reden, iemand verteld dat u van plan was mij over uw moeilijkheden te raadplegen? Milbourne: Ja, mijn broer Maurice. Paul: Dat weet ik, ja. Maar misschien nog iemand anders? Milbourne: Nee..., nee, ik geloof van niet. Of… of nee, ik ben er wel zeker van. Nee, met niemand. Waarom vraagt u dat? Paul: Dank u, mevrouw Milbourne. Het spijt me als ik u lastig viel. Ik bel u nog wel. (legt neer) Hebben wij een afspraak voor vanavond, Ina? Ina: De hemel zij dank, nee. Waarom? Paul: Na het diner ga ik even weg. Ik eh… ik zal ongeveer een uur wegblijven.. Ina: Mm? Paul: Ja. Ik wil ‘ns even een praatje maken met Maurice Lonsdale.
Lonsdale: Ik ben blij dat u met mijn zuster gepraat hebt, maar ik hoop dat u haar niet al te serieus genomen hebt. Ze is altijd nogal overdreven gevoelig geweest. Paul: Ja, afgezien van het feit dat ze misschien wat al te gevoelig is, meneer Lonsdale, ze is, dunkt mij, toch ook wel zeer intelligent. Ik denk dat we alles wat ze beweert maar niet zo klakkeloos over het hoofd moeten zien. Lonsdale: O nee, nee. natuurlijk niet, dat… dat wil ik ook helemaal niet suggereren, maar het feit blijft dat ik Carl na het ongeval heb gezien en hem geïdentificeerd heb. Maar, meneer Vlaanderen, u bent een druk bezet man, ik denk dus wel dat u er een goeie reden voor hebt me vanavond te komen opzoeken. Paul: Ja, ik wou u wat vragen. Lonsdale: Gaat uw gang. Paul: Hebt u aan iemand verteld dat uw zuster zich met mij in verbinding zou stellen? Lonsdale: Eh… ja.. ja, het kan wel zijn dat ik, toen ik over m’n zuster had, ik er met iemand... Ja! Ja, ‘t is mogelijk, ja. Waarom is dat zo belangrijk? Paul: Nou, toen ik met m’n vrouw gisterenavond bij u heb zitten praten, is onderwijl mijn wagen gestolen. De man die de wagen stal, is achter het stuur doodgeschoten. Men had hem voor mij aangezien. Dat is nummer 1. Vanmiddag, tegen lunchtijd, is er een poging gedaan, een vooropgezette poging, om mijn vrouw te vermoorden. En dat is dan nummer 2. Lonsdale: Goeie hemel, en u denkt dat die twee… Paul: Ik denk dat er iemand is die weloverwogen bezig is te proberen mij te beletten mij met die Milbourne-zaak te bemoeien. Lonsdale: Maar d’r is toch niemand die zo ver zou willen gaan, tenzij… Eh… ja, wat is er, Green? Green: Eh… ja, het spijt me als ik stoor, meneer, maar ik heb hier een telefonische boodschap voor meneer Vlaanderen. Lonsdale: Ja? Green: Eh… d’r was ene meneer Lloyd aan de telefoon, meneer Vlaanderen. Hij moest u direct spreken. Hij is in ‘t Middlesex Ziekenhuis. Of u daar maar direct naar toe wil komen. Paul: Inspecteur Lloyd? Green: Dat kan ik u niet met zekerheid zeggen, meneer. Paul: Goed! Dank u. Ja, u wilt me wel excuseren, Lonsdale? Lonsdale: Natuurlijk. Er is toch niets mis, hoop ik, toch niets met uw vrouw? Paul: Dat hoop ik zeker niet, meneer Lonsdale. Lonsdale: Green, laat Williams meneer Vlaanderen even met de wagen naar het ziekenhuis brengen. Green: Goed, meneer. Paul: Heel vriendelijk van u,
Lloyd: Ja, hier, meneer Vlaanderen. Ik hoorde van uw vrouw waar u was. Paul: Wat is er aan de hand, inspecteur? Lloyd: Ongeveer een uur geleden vond één van onze mensen een vrouw, een zekere Dolly Brazer, in een doodlopende steeg vlak bij Kilburn Street. Ze hebben haar lelijk te pakken gehad, heel lelijk, vrees ik. Paul: Wat heeft ze? Lloyd: Nou ja, ze is er slecht aan toe. Ze heeft maar twee keer een paar woorden gezegd, waarbij zij uw naam noemde. Ik zou u willen vragen te proberen nog iets uit haar te krijgen. Wat er gebeurd is en zo. Paul: Ja, ik eh… ik zal zien. Lloyd: Wilt u me dan maar volgen? (ze gaan naar de intensive care) Hier is meneer Vlaanderen, dokter. dokter: Ah, juist. Goeienavond. Paul: Goeienavond, dokter. dokter: Ik heb haar een injectie gegeven. Ik kan u dus niet meer geven dan een paar minuten. Paul: Ja, ik begrijp het. dokter: Neemt u dat scherm even weg, zuster. (dat doet ze) Paul: Dolly, ik ben het, Paul Vlaanderen. Dolly: Ja... ja, ik hoor het. Kom een beetje dichter bij. Paul: Zo beter? Dolly: Ja... Beter... Paul: Wie was het, Dolly? Wie was het, Dolly? Dolly: Ik... ik weet niet wie het deed. Eerlijk, ik weet het niet. Paul: Dolly, hoor je me? Je kunt het mij zeggen. Je hoeft je nergens bezorgd over te maken als je ‘t me zegt. Dolly: Jawel, maar… ik zal toch wel weer beter worden? Ik zal toch... Paul: Natuurlijk word je weer beter, Dolly. Dolly: Bent u daar zeker van? Paul: Natuurlijk! Kom, Dolly, wees nou niet dom! Je wordt heus weer helemaal beter. Nou? Dolly: Ik... ik ben te jong om te sterven... Onthoud dat, meneer Vlaanderen: te jong om te sterven. ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (03/2008) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven. [1] Paul Temple and the Geneva Mystery werd voor het eerst uitgezonden door de BBC van 11/04/1965 tot 16/05/1965. De Nederlandse vertaling van Tuuk Buijtenhuijs, Het Genève-mysterie, verscheen in 1972 bij Bruna te Utrecht (Zwart Beertje 1520). Karl Milbourne, een Londonse uitgever, is omgekomen bij een auto-ongeval terwijl hij in Genève was. Paul wordt gecontacteerd door Maurice Lonsdale die hem vraagt een onderzoek in te stellen naar de dood van zijn schoonbroer. Lonsdales zuster, de weduwe Margaret Milbourne, is ervan overtuigd dat haar man niet dood is. Milbourne was van plan een boek uit te geven, Te jong om te sterven, en dit zinnetje duikt steeds weer op. Wie is de mysterieuze auteur - Richard Randolph? En welke rol spelen de filmdiva, Julia Carrington en haar vertrouweling en privé-secretaris - Danny Clayton? Dat zijn maar een paar van de raadsels die Paul Vlaanderen moet oplossen. [2] geboren op 19/09/1918; overleden te Hilversum op 11/11/2002 (Code TIN: 8816) [3] geboren te Leiden op 02/03/1896; overleden te Hilversum op 23/10/1966 (Code TIN: 518) [4] geboren te Haarlem op 28/11/1911; overleden op 22/08/1996 (Code TIN: 929) [5] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [6] geboren te ‘s-Gravenhage op 18/06/1920 (Code TIN: 6964) [7] geboren te ‘s-Gravenhage op 12/08/1922 (Code TIN: 9387) [8] geboren te Leiden op 29/06/1933 [9] geboren te Utrecht op 30/05/1937 [10] geboren te Haarlem op 22/10/1919 [11] geboren te Soest op 21/09/1921 (Code TIN: 523) [12] geboren te Amsterdam op 20/08/1909; overleden te Hilversum op 01/04/1983 (Code TIN: 1172) [13] geboren te Leiden op 09/03/1936 (Code TIN: 1859) [14] geboren te Amsterdam op 11/05/1906; overleden te Amsterdam op 31/05/1979 |
| externe link |