|
PAUL VLAANDEREN EN HET MILBOURNE-MYSTERIE DEEL 3: EEN BERICHT VOOR DANNY Francis Durbridge (1912-1998) uitzending: AVRO, zondag 16/01/1966 (herhaling: woensdag 03/09/1986) technische realisatie: Dick Blok & Henk van der Steeg regie: Dick van Putten ([1]) rolverdeling: - Paul Vlaanderen: Jan van Ees ([2]) - Ina, zijn vrouw: Eva Janssen ([3]) - verdere medewerkenden: Donald de Marcas ([4]) [Charlie], Huib Orizand ([5]) [Maurice Lonsdale], Jan Borkus ([6]) [Danny Clayton, Rob Geraerds ([7]) [Vince Langham], Frans Somers ([8]) [Norman Wallace], Joke Hagelen ([9]) [Mrs. Rhodes], Maarten Kapteijn ([10]) [een steward] & Hans Karsenbarg ([11]) [Gustav] technische gegevens: 33'17" - 30,5 MB - mp3
Charlie: Er zit iemand op u te wachten, meneer. in de zitkamer. Hij zit er al een half uur ongeveer. Hij wou absoluut wachten. Ik kom ‘m niet weg krijgen. Paul: Wie is het, Charlie? Charlie: Hij lijkt me een Amerikaan, meneer. Een zekere meneer Clayton. Ina: Kom ‘ns hier, Paul! Je kunt ‘m van hier in de spiegel zien. Paul: Ja, dat is niet de man die mevrouw Milbourne gesproken heeft. In ieder geval niet de man die meneer Gadd ons beschreef, die kerel die hem dat briefje voor ons gaf. Ina: Deze man maakt tenminste een behoorlijke indruk. Paul: Ja. Kom, laten we naar binnen gaan. Ina: Mm. (ze gaan naar de zitkamer) Paul: Meneer Clayton? Clayton: Goeiemiddag, meneer Vlaanderen. Paul: Dit is mijn vrouw. Clayton: Aangenaam, mevrouw Vlaanderen. Ina: Meneer Clayton. Paul: Gaat u zitten. Clayton: Dank u. (kucht) Ik eh… moet u mijn excuses maken dat ik zomaar kom binnenvallen, maar ik moet u even spreken. Ik kom, om zo te zeggen, daarvoor alleen al regelrecht van Genève hier naartoe. Ina: Alleen om mijn man te spreken? Clayton: Eh... ja, mevrouw. Ik ben de secretaris van Julia Carrington. Waarschijnlijk wel ‘ns van gehoord? Paul: Mm. Ina: Ja, wie heeft dat niet? Clayton: De kwestie is dat Miss Carrington mij vroeg mij met u in verbinding te stellen, naar aanleiding van… Paul: Ja, een ogenblik, meneer Clayton. Hoe bent u aan mijn adres gekomen? Van mevrouw Milbourne? Clayton: Van mevrouw Milbourne? Paul: Ja. Clayton: Welnee. Paul: Ja, maar u kent haar toch? Clayton: Kennen kennen kennen… Dat wil zeggen, ze belde mij op in mijn hotel, direct nadat ik was aangekomen. Paul: Belde zij u op? Clayton: Ja! Verbaast u dat? Paul: Ja, dat verbaast me zeker. Vertelt u ‘ns, hoe ging dat precies in z’n werk? Clayton: Nou, ik had een kamer gereserveerd in het New Wilton hotel, in Park Lane, en eh..... ik wilde net gaan douchen, toen de telefoon ging.
(telefoon) Clayton: Verdomme nog aan toe, wat nou weer? (neemt op) Ja, hallo? Milbourne: Spreek ik met meneer Danny Clayton? Clayton: Daar spreekt u mee, ja. Milbourne: Meneer Clayton, ik heb gehoord dat u de secretaris bent van Miss Carrington. Clayton: Mevrouw, ik heb weinig tijd. Met wie spreek ik? Milbourne: Met Margaret Milbourne. Ik meen dat u mijn man ontmoet hebt, een paar weken geleden, in Genève. Clayton: U bedoelt... de uitgever? Die omgekomen is bij dat auto-ongeluk? Milbourne: Ja, meneer Clayton. Het is juist daarom dat ik even met u zou willen spreken. Clayton: O, ja. Ja, ik eh... ben maar een paar dagen hier, mevrouw. Mijn tijd is zeer beperkt, dus... Vertelt u ‘ns, waar wilt u mij precies over spreken? Milbourne: Dat kan ik u door de telefoon moeilijk zeggen. Ik weet dat u druk bezet bent deze dagen, maar het is voor mij toch wel heel erg belangrijk. Clayton: Ja. Mm... goed, komt u dan over een uur, hier beneden in de bar. Kan dat? Milbourne: O, graag, meneer Clayton. Ik zal er zijn. (hij legt neer)
Clayton: Ik weet niet waarom ik zo gauw toegaf, misschien wel omdat haar stem een beetje... een beetje wanhopig klonk, en tenslotte had ik haar man dan toch even ontmoet. Niet? Ik had die arme kerel inderdaad in Genève gesproken. Hij had om een onderhoud met Julia gevraagd, omdat ie had gehoord dat ze van plan was om haar memoires te schrijven. Paul: En heeft Miss Carrington hem ontmoet? Clayton: Welnee! Ik heb ‘m gesproken. Julia wenst nooit enig contact met uitgevers of journalisten, nee nee, het is één van mijn taken om die af te poeieren. Paul: Juist, ja. Ina: Is het waar dat Miss Carrington van plan is haar memoires te schrijven? Clayton: Nee, geen sprake van, mevrouw. Ik heb dat trouwens aan Carl Milbourne gezegd, maar eh... hij geloofde me niet. Trouwens, dat onderhoud was nou niet bepaald plezierig, nee. ‘k Vond dat indertijd des te beroerder toen ik de volgende dag in de krant over dat ongeluk las. Ina: Mm. Paul: En wat is er nu in uw hotel besproken met mevrouw Milbourne? Want ze is daar toen toch verschenen, niet? Clayton: Ja, inderdaad. Zoals ik had afgesproken, in de bar.
Clayton: Mevrouw Milbourne? Milbourne: Ja. Clayton: Danny Clayton is mijn naam. Milbourne: Ja, gaat u zitten. Clayton: Dank u. (kucht) Waar wou u met mij over praten, mevrouw? Milbourne: Over mijn man. Clayton: Ach, ja ja ja... Ja, verschrikkelijk, dat ongeluk. Milbourne: Mijn man is niet dood, meneer Clayton. Clayton: Wat zegt u? Hij is niet... Milbourne: Nee, meneer Clayton. Clayton: Ja, maar ik heb dat verslag over dat onderzoek toch gelezen? Hij was toch geïdentificeerd? Milbourne: Ja, dat wel, maar het wat niet mijn man. Clayton: Was niet uw... Milbourne: Nee! Clayton: Zo... Mm. Ja, als... als u het zegt, mevrouw, dan... Ja, wat kan ik voor u doen? Milbourne: Ik heb zo’n idee dat u me zoudt kunnen helpen. U... Miss Carrington had even tevoren nog mijn man gesproken... Clayton: Nee, nee, pardon, dat is niet zo, mevrouw! Ik heb met ‘m gesproken. Miss Carrington gaf mij opdracht uw man te zeggen dat zij er niet aan dacht om haar memoires te schrijven, en dat is alles wat er is gebeurd. Ik heb die boodschap aan uw man overgebracht en daarna is hij vertrokken. Milbourne: Bent u er zeker van dat Miss Carrington hem niet persoonlijk gesproken heeft? Clayton: Ja, absoluut zeker. Ze ziet bijna niemand tegenwoordig en ze zou er zeker niet aan denken zich in te laten met welke uitgever of journalist dan ook. Maar, mevrouw, vertelt u mij ‘ns, eh... hoe komt u op de gedachte dat uw man niet zou zijn omgekomen bij dat ongeluk? Milbourne: Ik heb... ik heb een boodschap van hem ontvangen. Clayton: Een boodschap? Wanneer? Milbourne: Een paar dagen geleden. Clayton: Huh... op welke manier? Eh... heeft hij u opgebeld, of... Milbourne: Nee, nee nee, ik kreeg een briefje van ‘m. Ik vond het in de rand van een hoed die hij me had laten sturen. Clayton: In een hoed? Milbourne: Ja... Clayton: Heeft hij u een brief gestuurd in... in... in een... Milbourne: Ja! Clayton: …hoed? Ja, maar waar... waarom zou ie dat in ’s hemelsnaam gedaan hebben? Milbourne: Dat... dat weet ik niet. Hoh, meneer Clayton, mag ik iets drinken? Clayton: Ja. Milbourne: Ik voel me niet zo goed opeens. Clayton: O! Ja, maar natuurlijk, eh.....eh... Ober! ober: Meneer? Clayton: Ach, ober, brengt u mevrouw een cognac, eh… hè? Nee nee nee, dank u, ik zal niets nemen.
Clayton: Nadat ze haar cognac op had, heb ik nog een minuut of tien met ‘r gepraat, maar ik werd niet veel wijzer van haar. Ik kreeg eigenlijk de indruk dat ze een beetje... ‘n beetje malende was. Ja, ja... Meneer Vlaanderen, hebt u er enig idee van wat ze bedoelde met dat briefje in die hoed? Paul: Ja, ik geloof wel dat ik dat weet, ja. Ina: Ze is erg overstuur sinds ze uit Zwitserland terug is. Haar broer maakt zich nogal zorgen over haar. Clayton: Dat begrijp ik, ja ja. Paul: Meneer Clayton, mevrouw Milbourne heeft me een totaal andere versie gegeven over haar onderhoud met u. Clayton: Hè? Paul: Zij beweert dat u haar verteld heeft dat haar man nog leeft. Clayton: Wat zegt u nou!? Paul: Ja, ze zei ons dat u haar een paar foto’s van haar man hebt laten zien en dat u bereid was haar die foto’s plus nog een bepaalde belangrijke mededeling af te staan voor een bedrag van vijfduizend pond. Clayton: Nee maar, die vrouw is werkelijk gek! Paul: Ze zei dat u haar gezegd had dat geld te brengen naar het Three Star hotel in Bray-on-Thames. Clayton: Da’s ongelooflijk! Paul: Bent u vanmorgen in Maidenhead geweest? Clayton: Welnee, geen sprake van! Ik ben tot elf uur in mijn hotel gebleven. U kunt het makkelijk nagaan. Paul: Dan veronderstel ik ook dat u nooit gehoord zal hebben van een zekere Peter Fletcher? Of van een woonboot die Peter’s Folly heet? Clayton: Welnee. Dit is de tweede keer dat ik in Londen kom en ik ken hier maar heel weinig mensen... Ik zou hier trouwens helemaal niet zijn als ik niet hierheen was gekomen om u. Kijk, Miss Carrington wordt de laatste tijd lastiggevallen met brieven, smerige episteltjes, eh..... bedreigingen, met chantage en zo. En daar wou ze met u over praten, meneer Vlaanderen. Paul: Wat staat er in die brieven? Clayton: Ja, ik heb ze niet gelezen, maar ‘k denk dat ze hoogst onaangenaam zijn, want Julia raakte er heel erg door van streek. Paul: Is ze ermee naar de politie gegaan? Clayton: Nee, dat is wel het laatste wat ze doen zou. Politie betekent kranten, meneer Vlaanderen. Dat hoef ik u niet te zeggen. Paul: Natuurlijk. Wanneer gaat u terug naar Genève? Clayton: Overmorgen. Ja, ik ben zo voorbarig geweest ook vliegpassage te bespreken voor u en voor uw vrouw. Paul: O? (lacht) Clayton: Dan is alles in kannen en kruiken, nietwaar? Dus alles wat u toe doen hebt is “ja” te zeggen. Paul: Akkoord, we gaan met u mee. Clayton: Fijn. Prachtig, prachtig. Paul: Al was het met het eerstvolgende vliegtuig. Ik wil namelijk graag ‘ns een praatje maken met Miss Carrington. Ik heb de laatste tijd juist zoveel over d’r gehoord. Clayton: O ja? Van wie? Paul: Van een vriend van me, een filmregisseur, Vince Langham. Clayton: O... ja..., Langham... Paul: Ik meen door hem begrepen te hebben dat u ‘m ‘ns de deur uitgegooid hebt. Clayton: (lacht) Ach ja, (lachje) zo bar zou ik het niet willen noemen. (lachje) Kijk, sorry, hij wou Julia spreken over een film. Hij had een... een boek, schijnbaar, hè, waar ie totaal crazy van was. Nou ja, d’r komen zo vaak van dat soort berichten bij ons binnen, dus... Paul: Heeft u of Miss Carrington dat boek gelezen? Het heet “Te jong om te sterven”. Het is geschreven door ene Richard Randolph. Clayton: Welnee, nee. Maar ik zei u, geloof ik, al dat er zoveel van die aanbiedingen binnenkomen. Zij gaat er nooit op in en dan mag ik de boel met een beleefd bedankje afwijzen. Ja, nou hoop ik maar dat ik niet te onbeschoft ben geweest tegen uw vriend. Paul: Nou, Vince heeft een nogal vrij dikke huid, hoor. Clayton: Ach ja, dat moet wel, anders zou ie niet in de filmbranche zitten, nietwaar? ja? (lachje - kucht) Eh... ik moet nu weg. Eh... morgenochtend bel ik u op om precies af te spreken hoe laat dat vliegtuig vertrekt en zo. Paul: Graag. Ik laat u even uit. Clayton: Heel graag. Mevrouw Vlaanderen, tot ziens zullen we dan maar zeggen. Ina: Dag, meneer Clayton.
Milbourne: Goed dat je gekomen bent, Maurice. Wil je iets drinken? Lonsdale: Nee, dank je. Ik drink de laatste tijd heel weinig. Lonsdale: Toen ik de bel hoorde, dacht ik eigenlijk dat het meneer Vlaanderen was. Hij belde me vanmorgen op om een afspraak voor nu met me te maken. Milbourne: Waarover? Weet je dat ook? Lonsdale: Ik denk dat het... (deur wordt geopend) Ja, wat is er, mevrouw Rhodes? Rhodes: Daar is meneer Vlaanderen, mevrouw. Milbourne: O, eh... laat meneer binnen. Rhodes: Gaat u hier maar naar binnen, meneer. Paul: Dank u. (komt binnen) Goeiemorgen, mevrouw Milbourne. Milbourne: Meneer Vlaanderen. Paul: O, morgen, meneer Lonsdale. Lonsdale: Dag, Vlaanderen. Hoe gaat het? Paul: Best, dank je. En nog bedankt voor het lenen van de wagen. Lonsdale: Graag gedaan. Milbourne: Eh... gaat u zitten, meneer Vlaanderen. Paul: Dank u. Milbourne: Hebt u Danny Clayton gesproken? Paul: Inderdaad, ja. Maar niet in Bray. Hij zat op me te wachten toen ik thuiskwam. Milbourne: Hé, maar hij zei mij toch dat hij naar Bray zou gaan? Dat heeft ie me letterlijk gezegd! Paul: Ja, eh... voor we verder gaan, mevrouw Milbourne, moet ik u zeggen dat Claytons verhaal van zijn onderhoud met u lijnrecht in tegenspraak is met dat van u. Milbourne: Wat? Dat... dat begrijp ik niet! Lonsdale: Een ogenblik, Margaret. Mijn zuster heeft mij het een en ander verteld over haar ontmoeting met die meneer Clayton, Vlaanderen. Ze vertelde me van die foto’s en zijn voorstel van vijfduizend pond. Ik veronderstel dat hij die hele geschiedenis nu heet te liegen, wat? Paul: Ja, Clayton beweert dat hij uw zuster heeft ontmoet, op haar verzoek. Hij zegt dat hij geen enkel financieel voorstel heeft gedaan en niets afweet van foto’s. Milbourne: Ja, maar dat is niet waar! Lonsdale: Kijk, meneer Vlaanderen, ik weet dat m’n zuster van streek is, misschien een beetje uit haar evenwicht van tijd tot tijd, maar zij zou een dergelijke geschiedenis toch zeker niet uit haar duim zuigen. Paul: Och, mensen doen vaak vreemde dingen als ze in bepaalde emotionele spanningen verkeren. Als er iets is in uw verhaal, mevrouw Milbourne, dat u wilt herstellen of terugnemen, dan kan ik dat volkomen begrijpen en aanvaarden. Milbourne: Ik wens daar geen enkel woord van terug te nemen. Paul: Goed! Ik neem dan wel weer contact met u op zodra we uit Zwitserland terug zijn. Milbourne: Dus... u bent ten slotte toch bereid mij te helpen, meneer Vlaanderen? Paul: Ja! Mijn vrouw en ik vertrekken morgenochtend naar Genève. We reizen samen met... de heer Clayton. Lonsdale: Clayton? Paul: Ja. Hij kwam hier alleen naar Londen in verband met een zaak die Julia Carrington aangaat. Zij verkeert blijkbaar in moeilijkheden en wou mij graag daarover spreken. Milbourne: Ja, maar die hoed werd me uit Sint Moritz toegestuurd, meneer Vlaanderen. Paul: O, misschien gaan we later nog wel naar Sint Moritz, mevrouw. Maar u kunt er zeker van zijn: mocht er zich iets nieuws voordoen, dat ik dan direct contact met u zal opnemen. Eh… ja, wat ik vragen wou: hebt u misschien een recente foto van uw man voor mij? Milbourne: O ja, zeker. Lonsdale: Hebt u Julia Carrington ooit ontmoet, meneer Vlaanderen? Paul: Nee, nooit. Ja, ze schijnt nogal lastig te bereiken te zijn. Een vriend van me, een filmregisseur, heeft het kortgeleden nog geprobeerd, maar… nee, dat is ‘m niet gelukt. Hij wilde haar toen interesseren voor een bepaald boek. Het heet “Te jong om te sterven”. Milbourne: Ja, die titel komt me wel bekend voor. Paul: Ja, uw man zal het er wel ‘ns over gehad hebben, denk ik. Zijn uitgeverij gaat het uitbrengen. Milbourne: Ja, ja, nou weet ik het al. “Te jong om te sterven”, door... hoe... hoe is ook alweer de naam van de schrijver? Paul: Richard Randolph. Milbourne: Ja ja ja, natuurlijk, Hé, maar... Randolph... maar dat was de naam die op dat briefje stond dat Carl me toestuurde! Paul: Ja... Lonsdale: Is dat een toevallige samenloop van omstandigheden, Vlaanderen? Paul: Dat is één van de dingen waar ik moet proberen achter te komen. Vertel ‘ns, mevrouw Milbourne... Milbourne: Mm? Paul: Ziet u kans mij een kopie van dat boek te bezorgen? Milbourne: O, maar natuurlijk. Ik zal Norman Wallace even een seintje geven Paul: Norman Wallace? Is dat de man die gewerkt heeft voor dat persbureau, de... de IP? Milbourne: Mm, dezelfde. Paul: Ach! Maar die ken ik al jaren. Ik rij vanmiddag wel even bij ‘m aan. Als u mij nu nog even die foto zoudt willen geven, mevrouw...
(Paul klopt aan en gaat naar binnen) Norman Wallace: Nee maar, Vlaanderen! Is me dat een verrassing. Kom binnen, beste kerel. Paul: Zo, Norman, hoe is het met jou? Tjonge, da’s lang geleden, zeg. Wallace: Ja, dat is het zeker. Breng ons een kopje koffie, Edith. Edith: Ja, meneer. Wallace: En? Wat kan ik voor jou doen? Ik hoop dat dit bezoek betekent dat je eindelijk besloten bent je werk bij een echte uitgever onder te brengen. Paul: (lacht) Wallace: Wat? Paul: Hou daar maar nou over op, Norman! Je weet dat ik na al die jaren niet kan breken met Drury & Co. Wallace: Nee, natuurlijk niet, natuurlijk niet. Ik had alleen gehoopt dat het Carl nog ‘ns zou lukken om je voor ons te strikken. Paul: Ja, dat was een hele klap, zeg, dat ongeluk van Milbourne... Wallace: Ja, dat kost ons jaren om dat te boven te komen. Paul: Ja... Wallace: Carl en ik waren juist doende een soort groep te vormen, een stel jonge veelbelovende schrijvers... Paul: O, je bedoelt eh..... van het soort als Richard Randolph? Wallace: Ja! Randolph en nog een stuk of wat andere. Paul: Ja. Ik heb iets gelezen over die Randolph in “Boeken van deze tijd.” Ik meen dat daarin vermeld stond dat z’n eerste roman op het punt stond te verschijnen en dat jullie daar veel vertrouwen in hadden. Wallace: Ja, klopt precies. “Te jong om te sterven” was een ontdekking van Carl. Hij zag er bijzonder veel in. Paul: Heb je daar misschien een recensie-exemplaar van? Ik zou het graag willen lezen. Wallace: Ja, natuurlijk kan dat. (opent een lade) ‘ns Even kijken. Ja... Ja, hier heb ik het. “Te jong om te sterven” door Richard Randolph. Asjeblieft. Paul: Merci. Wallace: Ik ben benieuwd te horen wat jij d’r van denkt. En als je neiging mocht voelen d’r iets over te schrijven in een krant of zo... Ja, ik... Paul: Ja ja. Wallace: Ik vraag het je maar... (ze lachen) Paul: Jij verandert ook nooit, hè? Wat ik vragen wou: hoeveel mensen hebben een voor-kopie gekregen, weet je dat ook? Wallace: Niet zoveel als gewoonlijk. We zijn een beetje zuinig met dit stellig bijzondere boek. Maar ik heb hier een lijst, als je d’r belang in stelt. (opent een lade) Paul: Ja, daar ben ik erg nieuwsgierig naar. Wallace: (neemt de lijst) Ja, hier is ie. Behalve de recensie-exemplaren voor de kritiek en de maandbladen staan er twee of drie personen op die er zakelijk niet mee te maken hebben. Paul: En heb je geen exemplaar gestuurd aan een zekere Peter Fletcher? Wallace: Peter Fletcher? Paul: Mm. Wallace: Nee... maar, die naam zegt me toch iets. Paul: Ja, dat zal wel. Hij werd vermoord, in z’n woonboot, bij Maidenhead. Wallace: Natuurlijk, ja, ja. Heb jij die zaak in onderzoek? Paul: Nou, dat niet, maar... het kan in verband staan met een andere zaak waar ik me op het ogenblik voor interesseer. Vertel ‘ns, Norman, is het waar dat Vince Langham probeert de rechten te krijgen van “Te jong om te sterven”? De filmrechten bedoel ik. Wallace: Ja, dat is inderdaad zo. Dat brengt me op het idee dat hij niet voorkomt op de lijst die ik je daar gaf. Hij belde me op en vroeg me naar een exemplaar. Dat heb ik ‘m toen naar z’n flat laten brengen. Ik vergat ‘m op de lijst te zetten. Paul: Wanneer heb je ’m dat gestuurd? Wallace: Eh… gisteren, geloof ik. Paul: Juist... Heeft hij je misschien verteld hoe hij op het bestaan van dat boek gekomen is? Wallace: Nee. Ach, maar je weet, Langham is één van de topregisseurs hier in dit land en als er iets nieuws op komst is, is ie er direct als de kippen bij. Paul: Ja, dat weet ik, ja. (Edith komt binnen) Wallace: Ah! daar hebben we de koffie. Goed warm, Edith? Edith: (lachje) Ja, meneer Wallace. Wallace: Mooi. Zo’n kopje koffie is altijd een prettige afwisseling ‘s morgens, hè?
Vince Langham: Hé! Paul! Paul! Paul: Ah! Hallo, Vince. Vince: (lachje) Ik had er geen idee van dat jij deze poel van zonde zou frequenteren. Paul: (lacht) Vince: Ga zitten. Wat zal het zijn? Paul: Nou, een... een droge sherry, graag. Vince: Twee droge sherry, Fred. Fred: Twee droge sherry, meneer. Paul: Zeg, laten we daar in dat hoekje gaan zitten, Vince. Vince: Ja. Paul: En? Klaar met je film? Vince: Klaar met de binnenopnamen, als je dat bedoelt. Paul: En wat gaat er nou gebeuren? Vliegen naar Jamaica met een of andere platinablonde schone? (ze lachen) Skol! Vince: Proost. Ik? Naar Jamaica? Met m’n belastingmoeilijkheden? Nee, je maakt grapjes, zeker? Het hoogste wat ik me kan permitteren is Genève, en dat is zuiver zakelijk. Paul: Zo? Wat ga je doen in Genève? Vince: Ik ga ‘ns proberen die Julia Carrington te strikken voor die film waar ik je over sprak. Paul: “Te jong om te sterven”? Vince: Ja! Ik heb dat boek ‘ns gelezen en... Paul: Het getypte manuscript? Vince: Nee, het boek zelf. Ik heb een exemplaar gekregen van de uitgevers voordat het in de handel komt. Ik zeg je, het is opgelegd pandoer voor Julia. Ze kan er zo voor op! Paul: Maar ik dacht toch dat ze ‘t geweigerd had? Vince: Mm, jawel, zo’n beetje wel, maar... ik heb ‘r nooit persoonlijk kunnen spreken, alleen die kleine gluiper die zichzelf privésecretaris noemt. Paul: Ja, vertel ‘ns, Vince, heb je de schrijver van dat boek ooit ontmoet? Vince: Eh… Richard Randolph? Paul: Ja. Vince: Nee, ik heb er wel moeite voor gedaan. ‘k Had ‘m namelijk willen vragen d’r zelf een draaiboek van te maken, maar ‘k heb die snuiter niet kunnen ontdekken. Ken jij ‘m misschien? Paul: Nee, dat niet, maar... ik interesseer me wel voor ‘m. Vince: Waarom dat zo? Paul: Om verschillende redenen. Op het ogenblik vooral omdat er een exemplaar van zijn boek gevonden is in de woonboot van die Peter Fletcher. Vince: De kunstschilder? Paul: Ja, precies. De man die vermoord werd. De man die ook wel voor jou gewerkt heeft, Vince. Vince: Hoe weet je dat? Paul: Nou, ik heb z’n naam opgezocht in dat boekje, “Wie Wat Waar”, je kent dat wel. Vince: Mm. Paul: Daar stond onder andere in dat ie verschillende decors voor jou had gemaakt. Vince: Ja, dat is waar. Een voortreffelijk tekenaar. Maar opeens stopt ie met werken voor films en ging ie zich concentreren op zuivere kunst… Paul: O... Vince: …zoals ie het zelf noemde. Paul: Ja ja, ja. Maar eh... mocht je ’m wel? Vince: Mm, nee. Eerlijk gezegd, nee. ‘k Vond ‘m inderdaad, zoals ik al zei, een voortreffelijk kunstenaar, maar ‘t was een verwaande kwast. Hij wist alles beter. ‘k Heb zelfs ‘ns slaande ruzie met ‘m gehad. Paul: Ja, dat weet ik, ja. Vince: O! (lachje) Maar dat stond toch niet in de “Wie Wat Waar”, hè? Paul: Nee! (lacht) Vince: (lachje) Wie heeft het je dan verteld? Eén van m’n vrienden, zeker? Paul: Net zo je zegt. Vince: Je zei dat Fletcher een exemplaar van dat boek had gehad. Was dat op die woonboot? Paul: Ja. Vince: Maar dat boek is nog niet eens verschenen. Hoe is ie daar dan aan gekomen? Paul: Dat weet ik niet, Vince... Ik weet het niet...
(Ina komt binnen in de woonkamer - radiomuziek) Paul: Ah, Ina! Ik begon een beetje ongerust te worden, kindje. Waar heb je al die tijd gezeten? Ina: Nou, zeg, dat is ook wat moois. En jij noemt jezelf de perfecte detective? Paul: Nou, perfect? Ah, maar neem me niet kwalijk, hoor, je haar zit prachtig. Ina: Oh, ik geef toe, het duurt altijd eeuwen. Wat eh..... wat heb jij in die tijd gedaan? Paul: Ik heb (schakelt de radio uit) dit zitten lezen: “Te jong om te sterven”. Ina: En, wat denk je ervan? Paul: Nou, ik begrijp nu wel wat Vince ermee bedoelt als ie zegt dat het opgelegd pandoer is voor Julia Carrington, zeg. Ina: Mm? Paul: Ze kan niet missen met zo’n rol. Ina: Nou jij het toch over Julia Carrington hebt… Paul: Mm? Ina: Ik betwijfel sterk of wij morgen wel naar Genève kunnen vliegen. Er hangt een ontzettende mist! ‘k Heb er drie kwartier over gedaan om van Hyde Park Corner hier naartoe te komen. En de weerberichten zijn niet al te best, hoorde ik. Ook voor morgen wordt er zware mist voorspeld. Paul: Mijn hemel!... Dat wordt dan duimen draaien morgen, hoor. Ina: Nog iets van meneer Clayton gehoord? (telefoon) Paul: Nee, geen woord. Ina: O, wacht even. Paul: Ja, nee, laat maar kindje, ik neem ‘m wel even. (neemt op) Hallo? Vince: Paul? Paul: Ja. Vince: Met Vince. Paul: Ah! Vince: Vince Langham. Paul: Ja, Vince? Vince: Zit je aan tafel? Paul: Nee, geen sprake van. Vince: Moet je luisteren. Ik ben nu thuis en d’r is me toch iets krankzinnigs gebeurd! Paul: Zo? Wat dan? Vince: Ik zei je toch dat ik een exemplaar van dat boek had? Paul: Ja? Vince: Nou, daar is iets geks mee gebeurd. Het lag in de bovenste la van m’n bureau en nou is het weg. Paul: Hé... Bedoel je dat iemand anders het weggenomen zou hebben? Vince: Ja! Het ligt er niet meer. Het is verdwenen. Paul: En ben je d’r zeker van dat het erin gelegen heeft? Vince: Heel zeker. Ik herinner mij heel goed dat ik het zorgvuldig weggeborgen heb. Het is verrekt vervelend, want ik wou het meenemen naar Zwitserland. Paul: Ja... Nou, eh... bel Norman Wallace even op. Die geeft je wel een ander exemplaar. Clayton: Ja. Ja, dat kan ik wel doen, ja. Ik sla anders een figuur als modder. Nou, eh... in ieder geval bedankt voor de tip. Saluut! Paul: Dag Vince!... (legt neer) Zo... Ina: Wat is dat allemaal? Paul: Vince Langham had een exemplaar van dat boek, dat “Te jong om te sterven”, en... iemand heeft het gestolen. Dat... beweert ie tenminste. Ina: Was dat alles waar ie voor opbelde? Paul: Ja, dat is alles, ja... Ina: Wat is er, Paul? Paul: Ik denk na over dat boek. Ik vraag me af of dat het exemplaar was dat op die woonboot gevonden is.
Clayton: Ah, mevrouw Vlaanderen. Ina: Meneer Clayton. Clayton: Nou, wat zegt u van dat weer? Ina: Bar en boos! Clayton: Ja... Ina: Ik haat mist. Hebt u op het vliegveld geïnformeerd? Clayton: Ja, maar het ziet er niet al te best uit. Ze veronderstellen dat het wel dagen kan duren, mm? Ina: Oei. Clayton: Nou ja. Waar is uw man? Ina: Hij belt even op. Hij kan zo hier zijn. Clayton: Da’s nou weer het nadeel van vliegen, hè? Ina: (lachje) Clayton: Even een bericht over mist en alles ligt stil. Ina: Ja, mijn man vond het toch beter hierheen te komen, omdat we hier hadden afgesproken. Clayton: Ja, dat is ook het verstandigste. Als ie komt, gaan we hier maar wat eten en de zaak ‘ns wat nader bekijken. Ina: Ja. Clayton: Maar ik zou toch morgen graag weer in Genève terug willen zijn, want eh... dat had ik namelijk met Julia afgesproken. Ina: In ieder geval kunnen we aan dit weer niets veranderen, vrees ik. Clayton: Nee, dat denk ik ook niet, nee. Paul: Hallo, Clayton. Clayton: Ah, meneer Vlaanderen. Paul: Nou? Wat zeg je van onze Londense mist? Clayton: U kunt het van mij cadeau krijgen. Paul: Tja! Clayton: Ja. Paul: Maar eh... ik... ik heb het zojuist met een goeie vriend van me op een akkoordje kunnen gooien. Clayton: Ja? Paul: Ik heb drie plaatsen kunnen bespreken op de trein van 2:30 uur van Victoria Station. Ina: Ach! Paul: Ja. We kunnen morgenochtend om half negen in Genève zijn. Clayton: De trein! Daar had ik helemaal niet aan gedacht! Dat is fantastisch! Paul: Ja, die vriend van me brengt de tickets straks zelfs even langs. Ik heb ‘m gezegd dat we in de eetzaal te vinden zouden zijn. Zeg, wat denk je van een drankje, Ina, voor de lunch? Ina: O, graag. Die mist maakt me zo melancholiek. Clayton: Mij ook, Ina. Eh... mag ik Ina zeggen, mevrouw? Ina: Ho... natuurlijk, eh... meneer Clayton. Clayton: Aha... Danny!
(in Dover) Paul: Ziezo! Daar zijn we dan in Dover. En maar een half uur te laat. Da’s niet slecht, wat? Ina: Het is hier lang zo mistig niet als in Londen. Clayton: (lachje) Gelukkig niet! stem: De paspoorten gereedhouden, alstublieft Paul: Nou, zullen we maar gaan, meneer Clayton? Clayton: Okay. stem: Paspoorten alstublieft. Paspoorten gereedhouden, alstublieft.
Ina: Zijn de hutten ook besproken, Paul? Paul: Ja, natuurlijk, kom maar. (ze gaan de veerboot op) Clayton: Ja, dit is een eh... een afdeling die ik niet heb kunnen voorzien, Ina. Ina: Oho, bent u niet zo’n beste zeeman, meneer Clay... (lachje) Danny, bedoel ik? Clayton: Nou, ik eh… (lachje) ik mag niet pochen, hoor, maar eh... het zal wel meevallen, hoop ik. Ina: (lachje) Het duurt meestal niet langer dan een kleine twee uur. Clayton: O! Nou, ‘k hoop het zo lang uit te houden. Ina: (lachje) purser: Hallo, meneer Vlaanderen! Paul: Hé! purser: Bent u d’r ook weer ‘ns? Paul: Ja! purser: Goeiemiddag. mevrouw Vlaanderen Ina: Middag, purser. purser: Hebt u een hut, meneer? Paul: Ja, ‘ns kijken, eh… eh... hut B. purser: Mooi. Deze kant uit, meneer. Paul: Nou eh... Ina: Zal het wel een eh... rustige overtocht worden, purser? purser: Wat, mevrouw? Och ja, ik denk het wel, mevrouw. Clayton: Nou, eh... bar enthousiast klinkt het niet, hè? Ina: Nee! (ze lachen)
Ina: Ach! Waar ben jij geweest, Paul? Paul: Even op de brug. Nou, d’r staat een behoorlijke wind, zeg. Maar de mist is opgetrokken. Ina: O, gelukkig maar. Paul: Voelen jullie niets voor een loopje aan dek? Clayton: Nee, nee, ‘k lig hier goed, dank je. Als je d’r geen bezwaar tegen hebt, dan blijf ik liever... horizontaal. Paul: (lacht) En jij, Ina? Ina: Ja, ik voel er wel wat voor. Eh... heb je niks nodig, Danny? Clayton: Nee..., gaan jullie maar. Ina: We maken ‘t niet lang, hoor. Clayton: Amuseer je. Ina: (lachje)
(aan dek) Ina: O hoei! D’r staat een behoorlijke deining! Paul: Ja! Ik hoop dat Clayton het niet al te kwaad zal krijgen. Ina: Als dat het geval is, blijft ie toch immers liever alleen. Paul: Ja, dat is wel zo, ja. Voel jij je goed, Ina? Ina: ‘k Geloof het eh... wel, ja. Paul: (lachje) Wil je niet liever terug naar de hut? Ina: Nee, maar eh... ik dacht zo dat een drankje me geen kwaad zou doen. Paul: Goed idee! De bar is deze kant uit. (ze gaan naar de bar) Ina: O, liefje, hij begint te slingeren! Paul: Ja, geef me maar een arm. Ina: (lachje) Paul: Zo! Zo… zo. Ina: (lachje) Paul: Ja... Ina: Paul! Paul: Ja? Ina: Zag je die man daar de trap af gaan? Paul: Man? Nee. Ina: Ik zou er een eed op durven doen dat het Lonsdale was. Paul: Maurice Lonsdale? Ina: Ja! Paul: We kunnen in ieder geval even naar beneden gaan en een kijkje nemen. De bar is toch die kant uit. Ina: Mm. (ze gaan naar beneden) Paul: Nee. Geen spoor van Lonsdale, Ina. Ina: Nee... ‘k Zal me vergist hebben. Paul: Ja, jij vergist je toch gewoonlijk niet. D’r mankeert gelukkig niets aan je gezichtsvermogen. Ina: Ja, dat is wel zo, maar... ja, nou moet ik het toch mis hebben. Paul: Ja. Ina: O, Paul, die bar is stampvol. Paul: Ja ja, rustig maar, ik vind wel een plekje.
(in de bar) Paul: Hier, een cognacje. Ina: Zeg, Paul, ‘t begint er lelijk uit te zien buiten. Hoe lang duurt het nog, denk je? Paul: O, nog maar een klein half uurtje. Ina: Kijk, Paul, daar is Danny. Is ie toch maar gekomen. Paul: Sapristi, die ziet er niet al te best uit, zeg. Ina: Hij komt hierheen. Paul: Hij ziet ernaar uit of ie de schrik van z’n leven gehad heeft. Clayton: Hé, dag! Ik eh... Zijn jullie daar? Paul: Moeilijkheden? Clayton: Eh... nee. Nee, ik had behoefte aan wat frisse lucht, maar toen ik eh..... aan dek kwam, begon die boot ineens te slingeren, en eh... (zucht) Hé hé, ik knap zo wel weer op, hoor. Paul: Ja. Clayton: Mm, manlief, wat een drukte hier! Zeg, ik... ik... ik kom nooit bij die bar. Ina: Ach. Paul, probeer jij een drankje voor ‘m te krijgen. Paul: Ja, goed. Ik ga al. Ga jij maar even zitten. Clayton: Eh... het gaat alweer, Vlaanderen, het gaat alweer, maak je echt geen zorgen om mij, hoor, ik… (lachje) ik ben zo weer okay. Paul: Ik ben direct terug! Clayton: (kucht) Het eh..... ‘t spijt me, Ina, dat ik me zo heb aangesteld. Ina: O, ik weet precies hoe je je nou voelt. Ik herinner me nog goed toen ik met Paul naar Amerika geweest ben, toen was de boot ineens... Nou ja, da’s een ander verhaal. Clayton: Wat eh… wat gebeurt er als we in Calais zijn? Ina: Dan stappen we op de trein, dat is alles. Die staat klaar, vlak naast de aanlegplaats. Clayton: O. Denk je dat ik dan nog wel tijd zal hebben om moeder aarde een zoen te geven? Ina: (lachje) Dat denk ik wel, ja.
(op het perron) Paul: Ja! hier is de trein. Ina: Mooi. Paul: Kijk, de bagage gaat al door het couperaam naar binnen. Ina: Oh. Hoe eh.....voel jij je nou, Danny? Clayton: O, nou ik van die schuit af ben voel ik me... voel ik me weer best. Ina: Ja, dacht ik wel. purser: De boel is voor mekaar, meneer Vlaanderen. Uw bagage ligt in uw coupé op de plaats Paul: Mooi, dank je, steward. Wacht effe... Ah ja, asjeblieft. purser: Ja. Dank u beleefd, meneer! De bediende vangt u wel op. Goeie reis, meneer! Paul: Merci. (ze lopen de trein langs) Ja, hier is het. Compartiment D. Ja. (ze gaan naar hun coupé) Gustav: Bonsoir, monsieur. Mag ik even uw plaatsbewijzen en paspoort, alstublieft? Paul: Kijk ‘ns. Gustav: Merci. Merci, monsieur… Ah, deze kant uit, alstublieft. Compartimenten 19 en 20. Clayton: Zeg, houdt hij die paspoorten? Paul: Ja, die krijgen we morgenochtend terug. Gustav: Alstublieft, monsieur... Tweebeds numero 19 en enkel numero 20. Paul: Mooi. Gustav: Het diner is over ongeveer een half uur. U hoort de bel wel. Paul: Maar d’r wordt toch tweemaal geserveerd? Gustav: Oui, monsieur, maar de tweede zitting is vol, geloof ik. Paul: Ja... ‘t Is druk vanavond, hè? Gustav: (lachje) Stampvol, monsieur. Alle bedden zijn besproken. Komt door de mist in Engeland, begrijpt u? Ina: En of we ‘t begrijpen. Clayton: Het eh... (kucht) het ziet er overigens niet eh... net onplezierig uit, hè? Wat gaat er nou gebeuren, Vlaanderen? Over een half uur aan tafel? Paul: Ja, een half uur, ongeveer. Ina: Zodra we klaar zijn, kloppen we je wel, Danny. Clayton: Ja. (ze gaan elk hun eigen coupé binnen) Ina: Hij ziet er toch een beetje betrokken uit, hè? Paul: Inderdaad, ja. En ik ben er helemaal niet zeker van dat dat alleen door die overtocht kwam. Ina: Wat bedoel je? Paul: Weet je nog dat toen we de boot af gingen, ik nog even naar de hut ben teruggegaan? Ina: Ja. Je had je handschoenen laten liggen. Paul: Ja, dat was natuurlijk niet zo. Ina: Mm? Paul: Ik wou alleen de steward even hebben. Ik wou uitvissen of er iemand Danny had opgezocht terwijl wij dat dekwandelingetje maakten. Ina: En? Paul: De steward zei me dat ie niemand gezien had, maar toen ik die hut uit wilde gaan, zag ik een vodje papier in de prullenmand liggen. Ina: Aha. Paul: Je weet, ik ben nou eenmaal nieuwsgierig. En ditmaal niet ten onrechte. Het was een briefje. Iemand had het blijkbaar aan Danny laten afgeven. Clayton heeft het toen weggegooid. Ina: Wat staat er op dat briefje? Paul: Hier, lees zelf maar. Je zult er geen moeilijkheden mee hebben, het is in blokletters geschreven. Ina: “Wees voorzichtig, meneer Clayton, u bent te jong om te sterven.” ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (03/2008) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren op 19/09/1918; overleden te Hilversum op 11/11/2002 (Code TIN: 8816) [2] geboren te Leiden op 02/03/1896; overleden te Hilversum op 23/10/1966 (Code TIN: 518) [3] geboren te Haarlem op 28/11/1911; overleden op 22/08/1996 (Code TIN: 929) [4] geboren te Leiden op 29/06/1933 [5] geboren te Amsterdam op 24/06/1904; overleden op 27/09/1991 (Code TIN: 8487) [6] geboren te ’s-Gravenhage op 19/09/1920 (Code TIN: 3749) [7] geboren te Amsterdam op 24/01/1903; overleden te Overpelt (België) op 04/09/1981 (Code TIN: 659) [8] geboren te ’s-Gravenhage op 15/01/1917; overleden te Hilversum op 03/11/1982 (Code TIN: 1167) [9] geboren te Amsterdam op 17/07/1937 [10] geboren te ’s-Gravenhage op 16/01/1905; overleden op 16/01/1999 (Code TIN: 6684) [11] geboren te Utrecht op 12/07/1938 |
| Externe link |