|
VIJF DODE OUDE DAMES DEEL 4 Hans Gruhl (1921-1966) uitzending: AVRO, dinsdag 04/12/1973 bewerking: Hans-Georg Berthold - vertaling: Justine Paauw regie: Jacques Besançon ([1]) rolverdeling: [rolverdeling ontbreekt] - Willem Klein: Guus Hoes ([2]) - Mechthild Groot: Maria Lindes ([3]) - Drs. Wiebach: Johan Schmitz ([4]) - Agnes Lansome: Jeanne Verstraete ([5]) - Daniël Nogees: Hein Boele ([6]) technische gegevens: 33'58" - 31,1 MB - mp3
Klein: Ik merkte niet dat ik langzaam op een stoel naast het hoofdeinde van het bed was gaan zitten. De amandelontsteking was niet de schuld van Dorothea’s dood. Op het gebreide jasje tekende zich een dieprode, bijna cirkelvormige vlek af. En er was nog iets: het moordwapen. Op het witte laken fonkelden bruine stenen: de hoedenspeld met de paardenkop. Daar lag Dorothea Lindemann, de vierde dode oude dame. En deze keer was het geen toeval. Deze keer was het moord. Dorothea was neergestoken met haar eigen hoedenpen, op haar verjaardag.
Groot: En wat nu? Ik bedoel… Moeten we niet… Klein: Laten we gaan, Mechthild. Doen kunnen we niets meer en aanpakken mogen we niets. Groot: Laten we gaan. Niemand kan haar meer helpen.
Klein: Toen gaf de papegaai een schreeuw.
papegaai: Essie!
Klein: Mechthild kromp in elkaar. We keken beiden naar de kooi, achter de dode.
Groot: Wat… wat… wat zei ie? Klein: Ik weet het niet. Het leek op eh… Essie of… of eh… Lessie. Ik kon het niet verstaan. Groot: Ik ook niet. Zoiets was het wel, ja.
Klein: Ik trok de deur in het slot en Mechthild veegde haar ogen af en snoot haar neus.
Groot: Hij heeft alles gezien. Klein: We moeten de politie waarschuwen, zo snel mogelijk. Kan jij dat doen? Groot: Maar natuurlijk. Klein: Ik wil hier liever nog niet weggaan. Misschien komt er nog iemand. Een paar straten terug heb ik een telefooncel gezien. Bel daar de politie. Eh… het is beter dan het hele huis te alarmeren. Groot: Ik ga al. Klein: Mooi, hier is het nummer van mijn vriend, de commissaris van afdeling moordzaken. Hopelijk komt ie zelf. En… eh… kom zo gauw mogelijk terug. We zullen een verklaring moeten afleggen. Groot: Dat begrijp ik. Klein: Eh… niet bang zijn, hè? Nou, bel ‘m maar op. Je kent ‘m toch? Groot: Mm. Klein: En deze keer zal hij niet vragen hoe je d’r uitziet. Groot: Dat weet ie inmiddels.
Klein: Ze keek in de spiegel van de kapstok en haalde een hand door haar haar. Toen liep ze snel naar de deur, bleef nog een keer staan en draaide zich om.
Groot: Als... als er iemand komt, wees voorzichtig, asjeblieft. Klein: Dat beloof ik. Groot: Tot dadelijk.
Klein: Ik bleef nog even staan nadat ze vertrokken was en ik was blij, hoewel ik niet precies wist waarom. Daarna ging ik in de voorkamer in één van de pluchen stoelen zitten. Ik hoorde de regelmatige tik van de staande klok en keek naar de heen en weer gaande slinger. Die had nou eigenlijk stil hebben moeten staan, zoals in een sprookje. Ik dacht aan de papegaai die in de slaapkamer zat. Wat had ie gezien? En wie? Wanneer was het gebeurd? Vandaag? Gisteren? Vannacht? Hoe was de moordenaar binnengekomen? Waarom moest ik in zo’n geschiedenis verzeild raken? Toen hoorde ik stappen op de trap. Niet haar stappen. Ze waren licht, bijna lichter dan die van een meisje, maar gelijkmatiger, zonder haast. Iemand die de tijd had en toch precies wist wat hij wilde. De bel snerpte. De oude rector stond voor de deur.
Wiebach: Wat doet u hier? Klein: Eh… goede middag, meneer Wiebach. Wiebach: Goede middag, dokter Klein! En?
Klein: Weer had ik het gevoel in de pauze voor de rector te staan, zoals lang geleden.
Wiebach: Ik heb u iets gevraagd. Klein: Hetzelfde als u, meneer Wiebach: feliciteren. En bovendien moest ik een visite maken. Nu wacht ik op de politie. Wiebach: Wie heeft deze deur opengebroken? Klein: Ik. Wiebach: U? Waarom? Klein: Ik was bang dat mevrouw Lindemann iets overkomen was. Wiebach: En? Klein: Ze is dood. Wiebach: Ze is wat!?
Klein: Alle lijnen in zijn gerimpeld gezicht verhardden zich.
Wiebach: Is ze dood...
Klein: Hij hing de knop van zijn paraplu over zijn linkerarm, waarin hij ook de bloemen had. Toen nam hij langzaam z’n hoed af.
Wiebach: Kan ik haar zien?
Klein: Ik had het recht niet en wist ook niet hoe ik ‘m dat moest verbieden.
Wiebach: Waar is ze? Klein: Als u niet schrikt, meneer, dan… Wiebach: Ik schrik nooit, mijn beste vriend.
Klein: Ik ging hem voor naar de slaapkamer. Hij bleef in de deuropening staan. Ik zag nog één keer over zijn schouder wat ik al eerder gezien had: de dode, het moordwapen, de hoedenpen met het glazen paard. Hij stond met gebogen hoofd, maar ik vermoedde dat zijn ogen ieder detail zagen en registreerden als een filmcamera. Of... had ie geweten wat ie te zien zou krijgen? Hij raakte niets aan en deed geen stap verder de kamer in. Het leek alsof hij alleen dat deed wat noodzakelijk en juist was. Hij draaide zich om om de kamer te verlaten. Toen ik de deur dicht wilde doen, gilde de papegaai.
papegaai: Essie!
Klein: De rector hief met een ruk z’n hoofd op. Z’n ogen fonkelden. Ik keek hem aan zonder ‘m te begrijpen.
Wiebach: Een ooggetuige. Klein: Dat heeft ie al eerder geroepen, ook op het moment dat ik de deur dicht wilde doen. Steeds als iemand naar buiten gaat. Eh… heeft u het verstaan? Wiebach: Ik weet het niet.
Klein: Een fractie van een seconde verscheen het faunlachje dat ik al zo goed van ‘m kende weer rond zijn lippen.
Wiebach: Misschien kom ik er nog achter.
Klein: Op hetzelfde moment kraakte achter ons de gangdeur. Onze blikken wendden zich tegelijkertijd om. Een donkere gestalte stond in de deuropening, zoals voordien de rector, maar nu slanker en voornamer. Een doodsengel die geruisloos binnengekomen was. Deze keer bonsde het hart mij in mijn keel. Dat ergerde me mateloos. Dat verdomde huis begon me op m’n zenuwen te werken. Voordat ik iets kon doen, klonk de stem van de rector door de gang.
Wiebach: Goeiemiddag, Agnes.
Klein: In hetzelfde tempo waarin hij gekomen was, liep hij naar de voordeur terug. Ik volgde hem aarzelend tot ook ik herkende wie daar stond: Agnes Lansome, de eerste oude dame die ik ontmoet had en de laatste die nu nog over was. Ze maakte precies dezelfde indruk op me als toentertijd: zwarte jurk, zwarte handschoenen en een korte mantel. Alles in het zwart. Ze keek ons aan met ingehouden verbazing.
Lansome: Walter? Jij? En dokter Klein? Waar is Dorothea? Wiebach: Het lijkt me ‘t beste dat je met ons meegaat naar de zitkamer, lieve.
Klein: Hij nam haar bij de arm en leidde haar de gang door. Ik volgde als een lakei. In de zitkamer wees de rector ons onze plaatsen. Agnes ging zitten als op een troon. Ze had een pakje bij zich en legde dat op de tafel. Met al onze geschenken was het nu een echte verjaardagstafel, maar d’r was niemand meer om zich daarover te verheugen. Ze herhaalde haar vraag.
Lansome: Waar is Dorothea? Wiebach: Ze ligt in de slaapkamer, Agnes. Lansome: In de slaapkamer? Maar waarom? Is ze… Wiebach: Je zult haar niet meer kunnen feliciteren. Ze is dood, Agnes. Iemand heeft haar vermoord. Je hoeft er nu niet meer heen te gaan.
Klein: Ik kreeg medelijden met haar en ‘k werd kwaad op de ouwe man. Het zag ernaar uit of ze wilde opspringen.
Wiebach: Blijf hier! Klein: Eh… het is beter dat u hier blijft, mevrouw. Er is helaas niets meer aan te doen. Wiebach: Nee, dat kan je niet meer.
Klein: De deur vloog open. Daniël Nogees stond op de drempel met Mechthild achter zich.
Nogees: Commissaris Nogees is mijn naam. Klein: Eh… Daniël, dit is mevrouw Lansome en dat meneer Wiebach. Nogees: Het spijt me u onder deze omstandigheden te moeten ontmoeten.
Klein: De rector keek bliksemsnel van Daniël naar mij. Toen verhief hij zich waardig.
Wiebach: Goeiemiddag, commissaris. Het doet mij ondanks alles toch een genoegen met u kennis te maken.
Klein: Daniël knikte zonder een woord te zeggen. Toen bekeek hij onze cadeaus die op de tafel lagen.
Nogees: Op verjaarsvisite, zie ik? Wiebach: Inderdaad. Nogees: Dames en heren, wacht u alstublieft hier op mij. We hebben eerst nog het een en ander te doen.
Klein: Hij liet Mechthild langs zich in de kamer en deed de deur dicht. Ze begroette Agnes en de rector. Toen ging ze op een stoel zitten die iets van de tafel af stond. Ook de ouwe man en ik gingen weer zitten. Niemand zei een woord. Allemaal luisterden we naar de geluiden en de gedempte stemmen die vanuit de gang tot ons doordrongen. Nu waren ze bij de dode. Daniël zag nu dat ik gelijk gehad had, maar ik was er niet bepaald blij om. Hij had Mechthild vast en zeker bij de telefooncel opgepikt en ze had hem alles verteld. Wat zou er nu gebeuren? Wat dacht de ouwe met z’n Schopenhauerschedel? En hoe voelde Agnes zich? De laatste van de vijf. De slinger van de klok bewoog nog steeds. Tergend langzaam kopen de wijzers voort. Ik dacht aan de patiënten die ik nog bezoeken moest. Ruim een kwartier zaten we al zo, als toeschouwers, toeschouwers die op de gong voor het laatste bedrijf wachtten. Toen kwam Daniël terug. Van zijn gewone grappigheid was geen spoor meer te bekennen. Ik had ‘m wel eens eerder meegemaakt als hij op pad was, maar nog nooit was ik er zelf bij betrokken geweest. Daniël leunde tegen het buffet.
Nogees: Wie van u was na dokter Klein het eerst hier? Wiebach: Ik, commissaris. Nogees: Hoe laat was u hier? Wiebach: Het was eh… tien over drie. Nogees: En jij? Klein: Tegen half drie. Nogees: Mm. Hoe laat bent u gekomen, mevrouw? Lansome: Ik? Ik weet het niet, ik… Wiebach: Mevrouw Lansome kwam hier vijf minuten na mij. Dokter Klein en ik stonden nog in de gang.
Klein: Agnes knikte zenuwachtig.
Lansome: Ja! Ja... Ik… ik ben eerst maar… maar ik was hier al eerder. Nogees: Hebt u beneden geïnformeerd? Lansome: Ja, dat was ik. Nogees: Hoe laat was dat? Lansome: O, het moet tegen de middag geweest zijn. Ik had in de stad gegeten en ben daarna hierheen gekomen. Ik wilde Dorothea verrassen, maar ze deed niet open. Eigenlijk zou ik ook pas later… ‘k Heb een paar maal gebeld en daarna ben ik naar beneden gegaan en heb geïnformeerd. Nogees: En wat kreeg u te horen? Lansome: Die mevrouw wist van niets. Nogees: Mm... Kwam u hier vaak? Lansome: Ik heb… We kwamen wel bij elkaar op bezoek, maar niet zeer frequent, als u dat bedoelt. Nogees: En u, meneer Wiebach? Wiebach: Ik ben hier slechts een paar keer geweest, commissaris, maar ik kwam wel altijd op haar verjaardag. Nogees: Mm. Mevrouw Lindemann werd naar alle waarschijnlijkheid door iemand vermoord die ze goed kende. Hij kwam namelijk dicht bij haar zonder dat dat haar verbaasde. De moordenaar verdoofde haar door middel van een klap op de slaap, met een ijzeren kandelaar. En daarna stootte hij de hoedenspeld in haar borst. U heeft de dode niet gezien, mevrouw Lansome? Lansome: Nee. Nogees: En u, meneer Wiebach? Wiebach: Ik heb haar gezien. ‘t Was mijn eigen wens. Nogees: Waarom? Wiebach: Ik ben altijd op haar verjaardag geweest. Ik ken haar al vijftig jaar sinds ik als leraar voor haar klas stond. Ik wilde afscheid van haar nemen.
Klein: Daniël sloeg hem met een lange, nadenkende blik gade. Daarna greep hij in z’n binnenzak. Toen hij z’n hand eruit trok, zag ik de foto die op het nachtkastje had gestaan: de vijf jonge meisjes.
Nogees: Is dat de klas? Wiebach: Een deel ervan. Nogees: Mevrouw Lansome, waar staat u?
Klein: Agnes wees op het tweede meisje van links.
Nogees: En mevrouw Lindemann? Lansome: Hier. De laatste.
Klein: Daniël stopte de foto langzaam in zijn zak terug.
Nogees: De eerste van de vijf doden was uw zuster, meneer Wiebach. De tweede die van u, mevrouw Lansome. En de derde was de tante van juffrouw Groot. Tot dat moment leek er geen moordenaar te bestaan. Ja, nu weten we dat dat wel het geval was. We moeten aannemen dat er tussen deze sterfgevallen een verband bestaat.
Klein: Z’n ogen gingen en weer van Agnes naar de rector.
Nogees: En nu lijkt het me tijd dat u me dit verband uit de doeken doet, de reden waarom er een moordenaar rondzwerft.
Klein: Niemand zei een woord.
Nogees: Ik krijg het uiterlijk morgen toch van meester Kromhout te horen, maar… ik hoor het liever nu, van u.
Klein: De rector wendde zijn hoofd naar Agnes. Ze keek naar de grond.
Wiebach: Ik geloof dat wij het moeten vertellen, Agnes. We hebben al lang genoeg gewacht. Nogees: Juffrouw Groot is een nichtje van uw schoolvriendin, mevrouw Lansome, en dokter Klein is haar huisarts. Hij had bij de dood van uw zuster, toen nog niemand anders er iets kwaads achter zocht, al een vaag vermoeden. Ze hebben d’r beiden bepaald recht op om de waarheid te horen, en ik weet zeker dat ze er met niemand over zullen spreken. Wiebach: Zal ik het doen, Agnes? Lansome: Nee, ik zal het doen. De zaak is heel eenvoudig. We speelden met z’n vijven al lange tijd samen in de lotto. Vroeger in de loterij, maar toen de lotto kwam, zijn we daarop overgegaan. Een half jaar geleden hebben we 500.000 gulden gewonnen. Nogees: Mm. En ieder kreeg 100.000 gulden? Lansome: Ja. Nogees: En bij overlijden? Lansome: Gaat het gedeelte op de anderen over. Nogees: Niet naar de familieleden. Lansome: Nee. Pas als we allemaal…
Klein: Ze sprak niet verder. We dachten allemaal hetzelfde. Een indrukwekkend doel voor de moordenaar!
Nogees: Wie weet hier allemaal van af? Lansome: Alleen wij, ik, en jij, Walter, ik bedoel meneer Wiebach. Nogees: Mm. Lansome: En meester Kromhout, onze advocaat. Nogees: U heeft het niemand anders verteld? Lansome: Niemand. Nogees: En u, meneer Wiebach? Wiebach: Nee, commissaris.
Klein: Dan bleven alleen de anderen nog over, de doden. Ergens zat een gat in dit net van stilzwijgen. Daniël deed iets onverwachts. Hij vroeg Mechthild, plotseling, zonder inleiding:
Nogees: Heeft u er iets over gehoord? Van uw moeder?
Klein: Het duurde even voordat ze begreep dat hij het tegen haar had. Haar ogen werden groot van schrik.
Groot: Ik? Nee, nooit. Tante Bertha heeft ook nooit iets gezegd. Nooit.
Klein: Hij vroeg niet verder. Buiten weerklonken nu weer zachte stemmen en hoorden we stappen die zich in een monotoon tempo verwijderden. Ze droegen Dorothea naar buiten, Dorothea die sterven moest omdat ze gewonnen had. Toen verstomden alle geluiden op de gang. Daniëls mensen waren weg. In de stilte binnen onze roerloze kring was het ritselen van de japon van mevrouw Lansome te horen. Ze had zich helemaal naar Daniël gewend. Haar witte, blanke handen omklemden de leuningen van haar stoel, en op haar gezicht lag… angst.
Lansome: Ik ben zo bang...!
٭٭٭ Klein: Thuis was het eenzaam en stil. Ik at een paar broodjes, terwijl ik de glazen klaarzette en de ijsblokjes in de ijsemmer deed. Even over acht werd er gebeld: Daniël met Sherlock. Ze lieten zich in de voorkamer in een stoel vallen. Ik haalde de fles whisky en een stukje worst voor de hond.
Nogees: Nou? Kom maar op met je “heb ik het niet gezegd.” Klein: Dat zeg ik niet! Eh… wat is er aan de hand? Nogees: Ik heb jouw Kromhout een bezoek gebracht. Alles klopt: ieder 100.000, komt er één te overlijden, dan wordt haar aandeel verdeeld. Klein: En waarom heeft hij overal naar de doodsoorzaak geïnformeerd? Nogees: Nou, da’s routine, dat doet ie altijd in zulke gevallen. Hij heeft slechte ervaringen, zegt ie. Klein: (lachje) Dan heeft ie er nu nog een bij! Nogees: (lachje) Ja. Ja, hij was aardig in de war, ondanks zijn strakke houding. Hij heeft me de hele santenkraam laten zien. En bovendien verontschuldigde hij zich dat hij tijdens jouw bezoek zo kortaf was geweest, maar (lachje) hij hoopt dat jij dat begrijpen zult. Klein: Oh, da’s aardig van ‘m. En nu? Nogees: Nu krijgt Agnes de hele poet, jouw eerste oude dame. Klein: En de laatste? Wie krijgt de poet als zij ook eh... nou ja, afvalt? Nogees: Er bestaan een paar erfgenamen. In de eerste plaats de rector, als broer van de muziekpedagoge. Klein: Hij wist toch van de prijs af? Nogees: Dat wist ie, ja. Als enige. Klein: Als enige? Nogees: Tot nu toe ziet dat er wel naar uit, ja. Ze waren allemaal zo gesloten als een bus. Klein: Nog andere erfgenamen? Nogees: De moeder van jouw Mechthild, en daarna zijzelf. En dan moet er nog ergens een verscholen familielid rondzwerven, een neef van Alma en de rector. Klein: De grote onbekende. Nogees: Ja. Klein: (lachje) Als hij nou ‘ns de hele zaak op touw gezet heeft? Nogees: ‘n Beetje goedkoop... Klein: Zeg, wat… wat heeft de politiearts geconstateerd? Nogees: Ze was twee tot drie uur dood. Klein: Dan was de moordenaar dus de eerste van ons? Nogees: Dat ziet er wel naar uit, ja. Hij moet voor Agnes gekomen zijn, zo tegen twaalven. Klein: En eh… zij heeft gedacht dat het Agnes zou zijn en heeft… Nogees: Ja, waarschijnlijk. Klein: Maar ze verwachtte Agnes pas later! Nogees: Hoe weet je dat? Klein: Nou, dat.. dat heeft ze me zelf verteld. Ze wilden samen thee drinken tegen een uur of vier en daarom ben ik er ook eerder heen gegaan om te kijken of ze op mocht staan. En Agnes die zei toch ook dat ze de eerste keer als verrassing kwam. Nogees: Ja ja ja… Ja, in ieder geval heeft zij zelf de moordenaar binnengelaten. Er werd gebeld en ze heeft opengedaan. Agnes was het niet, jij evenmin. Klein: Is er niemand die een onbekende gezien heeft? Nogees: Nee, niemand. In het voorhuis niet en eh… die ouwe tang op de eerste etage ook niet. Ja, het zou alleen kunnen... Klein: Wat? Nogees: Nou, tussen Agnes en jullie komst, na enen en voor half drie. Klein: Ja, maar waarom heeft ze Agnes dan niet binnengelaten? Nogees: Daar is een verklaring voor. Ze wilde niemand binnenlaten die niet op een bepaalde tijd afgesproken had. Agnes kwam te vroeg, maar de moordenaar was op tijd. Het is mogelijk dat ze dacht dat jij het was. Klein: Eh… bedoel je dat ze… dat ze iets vermoed heeft? Nogees: Misschien. Er is iemand... Helaas is de voorsprong vervloekt groot. Klein: Kromhout! Nogees: Nee, die heeft er niet veel aan. Alleen die neef, en de rector. En Mechthilds moeder. Klein: En eh… Mechthild zelf. Nogees: En Mechthild zelf, ja. Klein: (lachje) Nou, Daniël, ze kan het niet geweest zijn. Nogees: Nee nee nee, zij niet. Maar hoe weet ik of ze ’t een ander niet laat doen? Mm? In haar opdracht? Klein: En hoe weet ik dat jij die neef niet bent? Da’s toch allemaal onzin, Daniël. Ik eh… ik ken jou en ik ken haar ook. Nogees: Wie kent de ander, Willem?
Klein: Hij had gelijk. En gelijkertijd wist ik dat ik van Mechthild hield. Zij mocht het niet zijn. We zeiden niets tot de glazen leeg waren. Het was laat. Op straat was geen geluid meer te horen. Sherlock had z’n zetel verlaten. Hij lag lang uitgestrekt op het tapijt en sliep.
Nogees: Ja… (zucht) ‘t Is een ingewikkelde geschiedenis. Klein: En wat ga je nou doen? Nogees: ‘t Verleden een beetje omspitten. Misschien moet ik ook ergens anders gaan graven. Klein: En Agnes? Nogees: O, die verliezen we geen moment meer uit het oog. Wij verliezen niemand meer uit het oog.
٭٭٭ Klein: Ik zette mijn wekker af en ik dacht weer aan Daniëls woorden. Het was één van de weinige nachten geweest waarin ik slecht geslapen had. De ouwe dames waren nu ook mijn zaak. Ik zou de uren tellen tot deze hele zaak opgelost was. Ik dronk een kop koffie en ik at weinig. Toen liep ik de gang in. Mechthild opende de deur naar de praktijk. Ik voelde me veel beter toen ik haar weerzag.
Groot: Goeiemorgen, dokter. Klein: Goedemorgen, erfgename. Groot: Zoiets moet je niet zeggen. Klein: (lachje) Nou niet boos zijn! Ik had liever gehad dat het geld er nooit geweest was. Groot: Nee, ik ook.
Klein: Ze volgde me naar de spreekkamer. Ik zocht de kaart van Dorothea Lindemann op, net nieuw, en nu al afgelopen: twee consulten, één visite. Ik schreef de datum erop en tekende er langzaam een kruis achter. Mijn blik dwaalde naar Mechthild, wit en lief, en met de bewegingen van een engel. Maar waarom kon je verdomme niet iemands gedachten lezen? Ze draaide zich om.
Groot: Ik heb de injectiespuiten klaar. Kunnen we? Klein: Eh… we kunnen. Groot: Tot nu toe zitten er nog maar vijf.
Klein: Om elf uur ging de telefoon. Een stem die ik gisteren gehoord had: Agnes Lansome. Ze sprak snel, alsof ze buiten adem was.
Lansome: Dokter, kan ik nog bij u komen? Klein: Natuurlijk, mevrouw Lansome. Eh… is er iets? Lansome: Ach, niets bijzonders, waarschijnlijk alleen de opwinding. Ik geloof… dat het m’n hart is. Klein: Nou, komt u maar tegen half twaalf, eh… dan is het spreekuur afgelopen en dan hoeft u niet te wachten. Lansome: Hartelijk dank, dokter. Ik zal op tijd zijn.
Klein: Het volgende half uur overlegde ik of ik Daniël zou opbellen. Ik deed het niet, dat kon na het onderzoek altijd nog. Agnes kwam, broos en majestueus. Nu, terwijl ik wist hoe rijk ze was, behandelde ik haar met nog meer égards. Ze zag er beter uit dan gisteren, maar toch nog niet goed. Ze was bleek en had waarschijnlijk weinig geslapen, net als ik.
Lansome: Het spijt me zo dat ik u nog lastig moet vallen, dokter. Klein: Integendeel, ik moet eigenlijk boos op u zijn, omdat u mij zo weinig lastig gevallen heeft. Lansome: Ach, ‘t ging toch altijd goed? Werkelijk. Maar nu… Klein: Nou, ik begrijp het. En eh… wat scheelt eraan? Lansome: Het is vast en zeker alleen maar suggestie, maar… ik heb steeds zulke steken, en dan… dan lijkt het net alsof het ophoudt.
Klein: Het was geen suggestie. Terwijl ik haar onderzocht, moest ik aan haar zuster denken. Het leek net alsof ik weer in de kleine kamer met de donkere bladplanten en de reuk van valeriaan stond, en luisterde naar een hart dat niet meer klopte. (lachje) Onzin! Agnes leefde: haar hart sloeg, hoewel niet op de manier zoals het zou moeten slaan.
Lansome: Is het erg? Klein: O, erg niet. We krijgen het gauw weer in orde. Lansome: Werkelijk? U begrijpt het toch wel, omdat... Jenny… omdat u Klein: O, maakt u zich geen zorgen. Zover laten wij het helemaal niet komen. Ik geef u een paar injecties om mee te beginnen en daarna krijgt u wat druppeltjes, en eh… de zaak is verholpen. Lansome: Injecties? Is dat nodig? Die gaan toch direct naar het hart? Klein: Dat is ook de bedoeling. Lansome: Ja, als u denkt...
Klein: Ik hield een korte voordracht over de werking van strophantine en digitalis, en legde uit waarom dat goed voor haar was. Tegen iemand als zij moest je altijd uitleggen waarom het ging.
Lansome: Ja, dan… Ik weet wel, dokter, dat u me alleen maar helpen wilt. Klein: Mechthild? Strophantine voor mevrouw Lansome, maar alleen één achtste. Voor één vierde is ze te gezond. Lansome: Alstublieft voorzichtig, dokter.
Klein: Mechthild bond de band om de witte bovenarm. Ik deed alle moeite om zo elegant mogelijk te spuiten.
Lansome: Oh! Klein: Klaar, mevrouw Lansome. U zult zien hoe goed u dat doet. Overmorgen krijgt u er nog een. Als er iets bijzonders gebeurt, dan meteen bellen. Zult u dat doen? Lansome: Absoluut, dokter. Klein: Fijn. En denkt u niet zoveel meer aan die geschiedenissen. Uw hart moet rust hebben. Lansome: Ja, dat kunt u wel zeggen, maar... ik zal het proberen. Tot ziens, dokter. Tot ziens, juffrouw Mechthild.
Klein: Ik nam hoffelijk afscheid van haar en Mechthild bracht haar naar de deur. Toen ze terugkwam en de injectiespuit haalde, toen keek ze me aan.
Groot: Begint het bij haar nu ook? Klein: Laten we hopen van niet. Anders moet jij naar een andere werkgever uitkijken. Groot: Ik? Hoezo? Klein: Als die goeie Daniël eens bij zichzelf te rade gaat, dan zou ie best eens kunnen denken dat die kleine Willem helemaal niet zo gek is als ie er uitziet. Zijn assistente krijgt vandaag of morgen een bom duiten en Willem, de onverlaat, ruimt zachtjes de ouwe dames uit de weg. Groot: Ach... Klein: De een na de ander. En tussendoor is ie lief en aardig voor z’n assistente, doordat ze zo dom is en erin tuint. Groot: Toe toch... Klein: (lachje) Ze schrijdt met hem naar het altaar en hij heeft het geld. En als ze zich niet netjes gedraagt, dan stuurt ie haar de ouwe dames achterna. Hij is arts en hij weet hoe ie dat aan moet pakken. (lachje) Vier heeft ie er al te pakken en één is er nog over. En die krijgt het nu aan haar hart, net als haar zuster. Groot: Is dat zo?
Klein: Mechthild zag ernaar uit alsof ze voor de Verschrikkelijke Sneeuwman stond.
Groot: Is zoiets dan… Nee. Klein: Een politieman zal iedere mogelijkheid onder de loep nemen. Daar wordt ie tenslotte voor betaald. Is het geen prachtig idee? Groot: Hoe kun je zoiets zeggen? ‘t Is toch je reinste waanzin. Hij zou net zo goed kunnen denken dat ik het geweest ben. Klein: Nou, misschien denkt ie dat ook wel. Maar misschien denkt ie ook dat wij het samen bedacht hebben. Groot en Klein, Moordmaatschappij BV. Groot: Ik wil er niets meer over horen! Hoe kan een mens nou op zoiets… (zucht) En buiten dat, het idee dat ik met jou zou trouwen. Nooit! Klein: Nou, dat is ook onze enige hoop. Zolang we dat niet doen, kan ons niets gebeuren. Bovendien eh... ben jij ook niet voor mij. Ik heb iets eh... iets zachts en iets liefs nodig. Groot: Mm... Zoals Inge. Klein: (lachje) Welke Inge? Groot: Toen ik je de eerste keer opbelde, zei je Inge tegen me. Klein: Zeg, wat heb jij een goed geheugen! Maar je hebt gelijk, ja. Inge, Inge die past veel beter bij me. Groot: Mm. Klein: Blond en elegant, een eh… een arm, maar keurig meisje. (telefoon) En jij zou nooit eh… O, dat herinnert me d’r aan dat ik Daniël nog moet bellen vanwege Agnes. Groot: Misschien is ie dat wel net. Klein: (neemt op) Dokter Klein. Nogees: Gegroet, o heelmeester en helper. Werk je ijverig aan het welzijn van de volksgezondheid? Klein: Ik ben voor vandaag uitgewerkt. Nogees: Zo? En hoe gaat het met die lieve tante Agnes? Iets ernstigs? Klein: Ik wilde je net opbellen. Agnes is pas tien minuten geleden vertrokken. Nogees: Ja, dat weet ik, beste vriend, je hebt een dubbeltje bespaard. Bij mij gaat het op de zaak. En? Klein: Haar hart is niet al te best. Nogees: Mm. Klein: Een beetje groot en een beetje onregelmatig. Maar niets om van te schrikken. Nogees: Mm. Klein: Ik geef haar een paar strophantine-injecties om mee te beginnen, en daarna zien we wel weer verder. Nogees: Goed goed goed. Zeg, wees voorzichtig met ‘r, hè? Het zou toch eh… (lachje) Ja, als ’t zover is, kan ik heel onaangenaam zijn als ze onder jouw behandeling eh… Klein: Ja, ja. Ja ja ja ja, dat zou werkelijk onaangenaam zijn. Nogees: Tot gauw. Klein: Ja, tot gauw. (legt weer neer) Groot: Het is werkelijk zoals je zegt. Klein: Het wonderlijke bij die kerel is dat je nou nooit weet wanneer ie een grapje maakt en wanneer ie het meent. Dat was vroeger al zo. (lachje) Waarschijnlijk heeft ie dat voor z’n beroep nodig. Groot: Hoe kan ie zulke grapjes maken? Het is toch een vriend van je? Klein: Ja, inderdaad. En… en daarom neem ik het ‘m ook niet kwalijk dat… dat ie eh… alle mogelijkheden in ogenschouw neemt en… en daarbij ook mij betrekt. En nu eh… nu wilde ik je wat vragen, Mechthild. Groot: En dat is? Klein: Wil je... met me lunchen? Groot: Je doet voor die vriend van je niets onder!
٭٭٭ Klein: Het was een week later toen ik Mechthild dezelfde vraag stelde. Agnes was de laatste geweest en zojuist vertrokken. We wilden net de spreekkamer verlaten, toen de telefoon ging.
Groot: Nog een patiënt? Klein: Even horen. (neemt op) Dokter Klein. Nogees: Gegroet, zijt gij, o grote medicijnman. Klein: Eet smakelijk, meneer de commissaris. Nogees: (lacht) Klein: Zeg, ik heb deze keer aanzienlijk beter nieuws voor u. Nogees: Oh? Klein: Ik heb Agnes vandaag haar laatste injectie gegeven. Vanaf morgen neemt ze digitalisdruppels, tweemaal drie per dag. Nogees: Noem jij dat goeie berichten? Klein: Ja zeg, hoor ‘ns, moet ik haar een nieuw hart bezorgen? Nogees: Ik heb gegraven, Willem. In de aarde van het kerkhof heb ik gegraven naar ouwe dames. Klein: (lachje) Nogees: De politiearts heeft zich met ze beziggehouden. Behalve met Dorothea, natuurlijk. Dat was niet nodig. Alma, de zuster van jouw Schopenhauer, had inderdaad longontsteking, en ook bij Bertha von Scherf was niets te vinden. D’r schrik laat zich niet meer terugvinden als jouw mooi verhaaltje klopt. Maar Jenny, de tweeling… Klein: Ja? Nogees: …die had wat in haar hartspier. Klein: Zo? Nogees: Digitalis, en zeer veel. En vanaf morgen neemt haar lieve zuster hetzelfde, zoals ik verneem? Klein: Zo. Nou heb ik het gedaan. Nogees: (lachje) Wacht daar nog even mee, hè? Vanmorgen vroeg heeft eh… Schopenhauer, jouw eerbiedwaardige rector, opgebeld. Agnes wil namelijk op reis. Ze vertrekt morgen voor acht dagen naar Engeland. Ze houdt het hier niet meer uit, zegt ze. Klein: O, daar kan ik inkomen. Maar dan zal ze toch niet mijn digitalis in één keer opdrinken. Nogees: Dat denk ik ook niet, zeker niet als jij het haar niet hebt voorgeschreven. Maar eh… wat anders: die goeie rector maakt zich zorgen. Hij gelooft dat er nog iets gebeuren gaat voordat Agnes weggaat, en wel in de laatste nacht. Waarom juist dan, ja, dat weet ik ook niet, maar het was ‘m niet uit z’n hoofd te praten. En nu zal ik om haar heen zweven als een schutsengel en de laatste nacht in de Kruisstraat doorbrengen, zodat er later niet gezegd kan worden dat de politie niet opgepast heeft. Klein: (lachje) Nogees: Je wilt toch per slot van rekening wel ‘ns een keertje promotie maken? Klein: (lacht) Nogees: Zeg, hoe zit het met jou? Klein: Mm? Nogees: Heb jij geen zin om ook te komen? Klein: Hè? Nogees: Een arts in huis bespaart een doodgraver. Klein: Nou, niet altijd. Zeg, maar als je denkt dat het zin heeft… Natuurlijk! Het is lang geleden dat ik bij zulke voorname mensen op bezoek was. Nogees: En bij zulke rijke. En bovendien is het de volgende dag zondag. Je kunt dus uitslapen. Klein: (lachje) Wat je zegt. Maar à propos… Nogees: Mm? Klein: Afgezien van de angst van de rector, geloof jij dat eh… dat de moordenaar zo vriendelijk is zich de laatste avond te laten grijpen? Hij kan toch ook naar Engeland gaan. Nogees: Vrouwen en moordenaars doen de vreemdste zaken...
٭٭٭ Klein: De zaterdag kwam snel, maar ging langzaam voorbij. Vanaf het moment dat ik opstond, deed ik alle moeite me te gedragen alsof het een dag als alle andere was. Ik maakte de thee wat sterker en las mijn horoscoop nog voor de koppen. Er stond: “Moed. Uw ingrijpen lost veel problemen op. Bijna alles lukt u, uitgezonderd hartsaangelegenheden. Huwelijksplannen moet u uitstellen.” (lachje) Ik goot de rest van het hete theewater in het theekopje om de afwas te vergemakkelijken. Huwelijksplannen? Tijdens het spreekuur was ik er niet helemaal met mijn gedachten bij. Mechthild merkte het. Ik had haar niet verteld over de geplande actie, maar meisjes, die hebben een reuk als reeën voor de drijfjacht.
Groot: Heb ik iets verkeerd gedaan? Klein: Hè, wat? Groot: Je luistert helemaal niet! Of ik iets verkeerd gedaan heb? Klein: Hoezo? Groot: Je kijkt zo kwaad. Klein: Nou, dat heeft niets te betekenen. Ik zit bij mezelf te overleggen wat ik vanavond aan zal trekken. Groot: Uitgenodigd? Klein: Mm M’n aanstaande. Groot: Oh... Maar dan niet dit overhemd. Klein: Ze ziet me door haar ogen. Ik kan aantrekken wat ik wil. Aan mij is alles mooi. Groot: Dan moet ze erg jong zijn. Klein: Niet zo jong. Groot: Hoe oud? Klein: 79. Agnes Lansome. Groot: Oh... Klein: Onze laatste ouwe dame Groot: Heeft… heeft zij je uitgenodigd? Klein: Niet zij. Daniël Nogees. Groot: Daniël? Klein: De dame in kwestie vertrekt morgen naar Engeland, en Daniël komt ook. We installeren ons in de salon, en als de moordenaar komt, dan spelen we een partijtje schaak met ‘m. Groot: (lachje) Ik geloof je niet.
Klein: Ze ging weg en ruimde de verbandkamer op. Ik maakte alle aantekeningen die nog ontbraken. En toen ik mijn witte jas aan de haak hing, kwam ze terug.
Groot: Klaar. Ik heb één spuit gebroken. 20 cc. Zuiger zat vast. Klein: Zo... Je ruïneert me. Zeg, het is beter dat je nu gaat. Groot: Zoals je wilt, dokter. Prettig weekend. Tot ziens. Klein: Wel te rusten. Ik ga nog even wat slapen, zodat ik vanavond een frisse indruk maak. Groot: Was het… was het dan geen grapje? Klein: (lachje) Nee! Groot: Dan... ik bedoel, als het voorbij is, bel je dan even op? Vanavond nog? Klein: Eh… waarom? Groot: Ik wil ‘t alleen maar weten. Klein: Waarom? Groot: Ik wacht erop.
Klein: Ik stond langzaam op en nam haar in mijn armen.
Groot: 28.61.92.
Klein: Ik kende het nummer sowieso wel uit mijn hoofd. ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe & Ton Witman (07/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren in 1944; overleden op 24/10/1980 [2] geboren te Tilburg op 22/03/1945 (Code TIN: 1223) [3] geboren te Scheveningen op 05/11/1942 (Code TIN: 7438) [4] geboren te Batavia (Indonesië) op 27/12/1909; overleden op 31/10/1991 [5] geboren te Antwerpen op 17/09/1912; overleden te Leeuwarden op 11/10/2002 (Code TIN: 10320) [6] geboren te Zwolle op 24/11/1939 (Code TIN: 166)
|