|
VIJF DODE OUDE DAMES DEEL 5 Hans Gruhl (1921-1966) uitzending: AVRO, dinsdag 11/12/1973 bewerking: Hans-Georg Berthold - vertaling: Justine Paauw regie: Jacques Besançon ([1]) rolverdeling: - [Willem Klein]: Guus Hoes ([2]) - [Agnes Lansome]: Jeanne Verstraete ([3]) - [Drs. Wiebach]: Johan Schmitz ([4]) - [Daniël Nogees] Hein Boele ([5]) - [Mechthild Groot]: Maria Lindes ([6]) technische gegevens: 39'19" - 36,0 MB - mp3
Klein: Het was negen uur ‘s avonds. Het huis aan de Kruisstraat stak zwart af tegen het avondlicht toen ik uitstapte. De huizen stonden hier ver van elkaar. Een pad deelde het gazon in tweeën. Een paar lage struiken bewogen licht heen en weer in de zachte wind die net opgestoken was. Het huis leek op een decor van een Engelse detectivefilm: een erkertoren en glanzende ramen. De poort was niet vergrendeld. Langzaam liep ik over het pad op de statige burcht toe. Het was alsof dadelijk de zware deur zou openzwaaien en Sherlock Holmes naar buiten zou komen, compleet met pijp en geruite pet. De juiste omgeving voor ons plan! Toen ik aan de zware bel getrokken had, verscheen Daniël even later op de drempel.
Nogees: Come in, medicijnman. Klein: Je bent hier al aardig thuis. Nogees: Er is whisky.
Klein: Hij deed de deur achter mij in het slot. Ook de hal zag eruit alsof zo meteen de hertog tevoorschijn zou komen, compleet met bakkebaarden en de versierselen van de Kousenband. Het Engelse huwelijk scheen het een en het ander ingebracht te hebben, en nu ook nog de prijs in de lotto... (lachje) Agnes hoefde maar een advertentie te zetten en ze had weer een man, ondanks haar 79 jaar. We liepen de geweldige trap op. Kaarsvormige lampen aan de muur gaven net genoeg licht om de volgende tree te kunnen onderscheiden. Boven stonden we weer in een hal, waarop van de andere kant ook een trap uitkwam. Daniël zwaaide een geweldige deur open. Achter in de grote kamer zag ik het genoeglijkste open haardvuur dat ik ooit gezien had. De whiskyfles stond op het kleine rooktafeltje en kreeg door de vlammen een gouden glans. Aan de linkerkant zat Agnes. Ze draaide zich naar ons toe.
Lansome: Ach, dokter Klein. Dat u zich ook zoveel moeite getroost! Zo’n ophef alleen vanwege een oude vrouw. Nogees: Wij halen in wat we verzuimd hebben, mevrouw. Thuis zou hij om deze tijd ook achter de whisky gezeten hebben. Klein: Goedenavond, mevrouw Lansome. Trekt u zich maar niets van hem aan, ik weet niet eens wat whisky is. Lansome: Erg genoeg. Gaat u zitten, dokter. Mag ik u al een glas inschenken? Klein: Graag. (ze neemt een glas en schenkt in) Lansome: Op uw gezondheid, heren. Klein: Gezondheid. Lansome: Ik dank u hartelijk dat u uw kostbare tijd aan mij wilt spenderen. Klein: Zo behoud je je beste patiënten. Eh... blijft u lang weg, mevrouw? Lansome: Ik weet het niet. Ik weet ook niet of ik in Engeland wel kan wennen. (lachje) Misschien sta ik ineens weer voor uw neus. Klein: (lachje) Lansome: Maar nu... nu moet ik weg, na alles wat er gebeurd is, en die onzekerheid. Nee, ik kan hier niet blijven. Aan de overkant heb ik rust, dat begrijpt u toch wel. Klein: Ja, ja, natuurlijk. Wat zou u hier houden? Lansome: Ik heb een huis in Sussex. Mijn man heeft het indertijd gekocht. Nogees: En wie zorgt er voor dit huis? Lansome: Meester Kromhout. Nogees: Mm. Lansome: Hij zal alles regelen. Misschien kan hij het zelfs verhuren, ‘k weet het nog niet. Ik wil nu weg. ‘k Moet eerst een beetje tot mezelf komen, na al die... Klein: Stelt u zich daar wel meteen weer onder behandeling. Sussex zal uw hart goed doen, maar een specialist is nog beter. O, en eh… daar schiet me iets te binnen: uw druppels. Ik heb er nog wat voor u meegebracht, zodat u genoeg heeft voor de reis. Lansome: Ach, wat vriendelijk van u. Wat ben ik u schuldig? Klein: Niets, niets, niets. Het is een artsenmonster, precies voldoende voor de reis. Het is in plaats van de bloemen die ik niet meegebracht heb. Lansome: Daarvoor krijgt u nog een whisky. Nogees: Overigens, mevrouw Lansome, ben ik zo vrij geweest een bericht aan de plaatselijke politie te sturen, zodat ze daar weten wat er aan de hand is en zich over u zouden kunnen ontfermen als er misschien eh... Lansome: U gelooft toch niet dat... Nogees: Nee nee nee nee nee nee, dat geloof ik niet. Ik… ik ben zelfs erg bij met uw besluit. Maar ja, er kleeft een heel vermogen aan u. Als iemand al zo ver gegaan is, geeft hij het niet graag op. Klein: Ja, hij heeft gelijk. Een beetje voorzichtigheid kan nooit kwaad. En op de Engelse politie kun je vertrouwen! Lansome: (lacht) Dat mij dat nog gebeuren moet op mijn oude dag. Klein & Nogees: Ja! (lachen) Lansome: Alles was zo prettig Nogees: Ja. (lacht) Lansome: En nu... Alma, en Bertha, Jenny... Dorothea... (schreiend) Allemaal zijn ze...
Klein: De overgang van haar lachen naar de tranen was zo plotseling dat wij nog lachten toen zij al huilde.
Lansome: Dat ellendige geld!
Klein: We keken elkaar hulpeloos aan. Een meisje kan je troosten als ze huilt, maar een ouwe dame? We bleven zitten en eh… we plukten wat aan onze stropdassen. D’r viel me niets beters te binnen dan haar mijn zakdoek te geven. Ze nam ‘m aan en bette haar oude gezicht. Plotseling waren de tranen verdwenen. Ze ging rechtop zitten.
Lansome: Commissaris, belooft u me dat u de moordenaar zult vinden? Belooft u me dat? Ik zou niet rustig meer kunnen slapen als ik wist dat hij er ongestraft van af zou komen.
Klein: Ik draaide mijn hoofd langzaam naar Daniël. Hij keek haar aan en daarna mij.
Nogees: Ik zal ‘m vinden, ik of iemand anders. Dit geld geeft hij niet uit.
Klein: We kwamen overeind uit onze stoelen, toen Agnes plotseling opstond.
Lansome: Ik dank u hartelijk, commissaris, en u ook, dokter. U heeft zoveel voor me gedaan, allebei. Zonder u zou ik misschien ook al... U neemt het me niet kwalijk, hoop ik, als ik nu naar bed ga? Ik moet morgen vroeg op. U weet waar alles staat, commissaris. Neem alstublieft wat u wilt. Nogees: Dat zullen we doen, dank u wel. Eh… ik zou alleen nog graag even uw slaapkamer zien. Lansome: Maar natuurlijk, komt u maar mee. Wel te rusten, dokter. Hopelijk valt u de avond niet te lang. Klein: Eh… goeienacht, mevrouw, en goede reis. Welterusten. Nogees: Ik ben zo terug.
Klein: Ze ging voor Daniël de kamer uit. Ik volgde haar met m’n ogen, totdat zij door een deur aan de linkerkant van de kamer verdwenen was. De weerschijn van het haardvuur flakkerde achter haar aan als achter een stammoeder van een kasteel die aan het einde van het geestenuurtje onzichtbaar wordt. Langzaam ging ik weer zitten. Ik hoorde het gedempte geluid van hun voetstappen op de trap. Toen waren ze boven m’n hoofd, ver weg, alsof er vele verdiepingen tussen lagen. Daarna was het lange tijd stil. Ik deed mijn uiterste best enig geluid van boven op te vangen. Niets bewoog. Zou ik er naartoe gaan? (lachje) Ik schrok me dood toen een smeltend ijsblokje met een zacht gerinkel in m’n glas op de bodem viel... Ik richtte me op en nam een flinke slok. Toen ik weer stappen hoorde, haalde ik verlicht adem. Maar ze... ze kwamen van de andere kant, van rechts. Ik herkende de omtrek van een donkere deur in de wand. De klink ging naar beneden, de deur ging open... (zucht) Het was Daniël. (lachje) Wie had het anders moeten zijn? Hij ging zitten en stak een sigaret op.
Nogees: Ja... Zo... Aan beide kanten leidt eenzelfde trap naar boven. Die beide trappen worden door een dwarsgang verbonden. Op die gang komen een paar kamers uit, ook haar slaapkamer. Klein: Eh… ingangen? Nogees: Eén, van de kant van de gang, en een deur naar de badkamer, die ernaast ligt. Klein: En hoe kom je... Nogees: Nou, als iemand naar boven wil, moet hij hierlangs, rechts of links, een andere mogelijkheid is er niet. Klein: Mm. Nogees: Of het moet zo zijn dat er zich hier een eh... paar geheime gangen bevinden, zoals in de riddertijd. Klein: Zeg, heb je die andere kamers nog bekeken? Nogees: Ja, d’r is niks te vinden. In de slaapkamer heb ik eh... een beetje aan het raam gemorreld en rondgekeken. Alles netjes en ongevaarlijk. Klein: Kan ze roepen? Nogees: Ze heeft een telefoon naast haar bed. Daarmee kan ze ons bereiken. Daar, daar in de nis staat nog een toestel. Klein: Telefoon naast haar bed...? Nogees: Ja? Wat is daarmee? Klein: Nou... ik eh.. dacht aan Bertha van Scherf. Nogees: (lacht) Daar heb ik ook aan gedacht! Het ding is omgeschakeld. Als er wordt gebeld, dan nemen wij ‘m hier aan. Ik heb haar verboden de telefoon op te nemen. Klein: (lachje) Je hebt ook aan alles gedacht! Nou, dan hoeven we ons alleen nog maar om de whisky te bekommeren. Maar die fles, die leeft niet lang meer. Nogees: Hij was al half leeg toen ik hier kwam. ‘k Zal een nieuwe gaan halen. Ze heeft me gewezen waar alles staat. O, of heb je liever een biertje? Klein: Nou, dat zal de whisky niet bevallen, maar eh… mij wel. Nogees: Okay. Goed, dan kijk ik beneden ook even rond, hè? O, blijf jij hier, en pas op dat er geen spook verschijnt.
Klein: Hij verliet de kamer. Ik porde wat in het haardvuur, nam een sigaret van de tafel en nestelde me in m’n stoel. Eigenlijk was het hier best gezellig, als er niet de bloedige ernst van vier doden geweest was. Ik dacht aan Mechthild en aan de kus die ik haar gegeven had. Misschien was ze nu wakker en zat op mijn telefoontje te wachten. Ze maakte zich zorgen, de schat. Ik schrok op van een onverwacht geluid van een deur. Daniël stond in de deuropening. De loper van de trap had zijn voetstappen gedempt alsof hij op watten liep.
Nogees: Uw bier, hoogheid. Klein: Zeg, je sluipt zelf al rond als een huisgeest. Kan je niet kloppen? Je maakt me doodnerveus. Nogees: O, neem me kwalijk dat ik je wakker gemaakt heb. Hier, je bier.
Klein: Ik vond een opener en liet de glazen die al klaar stonden vol lopen.
Nogees: Ze heeft zelfs een paar sandwiches gemaakt. Als je honger hebt, zeg je ‘t maar. Klein: (lachje) Da’s een goed hotel. (lacht) Nogees: Nou, wat is er? Klein: (lacht) Nogees: Nou, wat is er nou? Klein: (lacht) Neem me niet kwalijk, maar zoals wij hier zitten, zeg, (lacht) Nogees: Nou dan? Klein: Sherlock Holmes en Dr. Watson. Nou, Conan Doyle zou zich slap gelachen hebben... Heb je beneden nog iets gevonden? Nogees: Nee, niets. Zo stil als een kerkhof. Klein: Nou, zeg, hou op met je kerkhof. Hier, drink liever. (huisbel)
Klein: Deze keer schrokken we ons allebei wezenloos. We hadden het glas nog in de hand, maar dronken niet. De bel weerklonk door het huis, indringend en hard. We zaten als verstard. We dachten allebei hetzelfde.
Nogees: Daar zal je ’t hebben. Klein: Doe je open? Nogees: Wat anders?
Klein: Daniël zette zijn glas geruisloos terug op de tafel. Ik wilde het ook doen, maar vond het zo zonde van het schuim dat ik nog een flinke teug nam. (huisbel) Ik keek Daniël aan.
Nogees: Ik moet weten wie dat is. Ik ga naar beneden. Blijf jij hier boven aan de deur staan. Als er iets gebeurt, doe dan de deur op slot en bel de politie. Klein: Zeg, Daniël, kan ik niet beter... Nogees: Doe wat ik je zeg! ‘t Is waanzin om de held uit te hangen.
Klein: Ik hield de deur op een kier en keek ‘m na. Hij liep langzaam de trap af, één hand in z’n zak. Toen was ie bij de deur. Hij trok de grendel opzij... Mijn polsslag liep aardig op. Daniël ging achter de rechter deurhelft staan. Met z’n linkerhand drukte hij de knop naar beneden. Knarsend ging de deur open... In het schijnsel van het buitenlicht stond een gestalte, klein, donker, met een enorme hoed die met een zwaai afgenomen werd. Ik zag de filosofenschedel en het vale wit van de haarkrans.
Wiebach: Goedenavond. Mag ik binnenkomen?
Klein: Daniël ging in de deuropening staan en nam zijn hand uit zijn zak.
Nogees: Aan u is dat toegestaan, meneer Wiebach. Komt u binnen. Wiebach: O, commissaris! Dat had ik kunnen verwachten. U heeft mijn raad toch opgevolgd, zie ik. Zeer lovenswaardig.
Klein: Ik deed snel de deur dicht en verliet mijn post om de schijn te wekken alsof ik de hele tijd ongeïnteresseerd voor het vuur gezeten had. De rector trad binnen. Ik wierp een blik in zijn richting en stond op.
Wiebach: Kijk daar ‘ns! Onze dokter! Tres facium collegium. Dat doet me een genoegen.
Klein: Ja, drie maken een gezelschap. Hij schudde me vrolijk de hand en zijn faunoogjes fonkelden, en d’r was geen spoor van verrassing in te bekennen.
Wiebach: Wat een onverwacht genoegen. Klein: Eh… gaat u toch zitten. Nogees: Een whisky? Mevrouw Lansome heeft me toestemming gegeven. Wiebach: Ja, eigenlijk moest ik op dit uur niet meer drinken, maar in dit geval kan ik me wel een uitzondering veroorloven. Graag.
Klein: Terwijl Daniël een glas haalde, wierp ik nog een paar houtblokken op het vuur. De grote ruimte was kil, ondanks de juninacht, alsof het huis nooit echt warm te krijgen was. We hieven onze glazen. Tijdens de eerste slok besloot ik me over niets meer te verbazen, wat er ook zou gebeuren. Later verbaasde ik me over alles.
Wiebach: Voortreffelijk! Een vorstelijke drank! Klein: Echt Engels. Wiebach: Tja!... Heren, ook ik beschouwde het als mijn plicht vannacht nog een keer naar dit huis te komen. Mevrouw Lansome slaapt zeker al? Hoe gaat het met haar? Klein: Ze is een uur geleden naar bed gegaan. Ze was moe en ze heeft morgen een lange reis voor de boeg. Wiebach: Heel begrijpelijk, heel begrijpelijk. Ze is niet zo jong meer, maar met een vliegmachine is het wel te doen.
Klein: Vliegmachine... Ook zo’n woord uit 1910. Hij was er nauwelijks of er bestond tussen ons al een kloof van vijftig jaar.
Wiebach: Bent u tevreden over haar gezondheid, dokter? Klein: O, tamelijk. De opwinding was een beetje te veel voor haar hart, maar nu gaat het wel weer. Wiebach: Ik ben blij dat te horen. En, commissaris, zijn er nog nieuwe ontwikkelingen? Mm, als het niet vermetel is u deze vraag te stellen. Nogees: Jammer genoeg nog niet. We gaan alle sporen na, ook als mevrouw Lansome vertrokken is. Wiebach: U heeft gelijk. Wat je niet opgeeft, heb je ook niet verloren volgens Schiller. Nogees: Mm. Wiebach: Laten we ‘t glas heffen op een spoedige oplossing. Nogees: Dank u. Laten we ‘t beste d’r van hopen. Maar eh... ’t zal nog wel even duren.
Klein: De rector draaide zich naar hem toe. Er was een kleine verandering in zijn houding opgetreden. De welwillendheid was verdwenen. Z’n ogen glansden koud en metaalachtig, en het flakkerende haardvuur toverde zeldzame kwaadaardige schaduwen op zijn gnomengezicht.
Wiebach: Staat u mij toe dat ik een andere mening ben toegedaan. Ik geloof niet dat het nog lang zal duren. We zullen de oplossing vannacht vinden. Hier, in dit huis.
Klein: Even was het doodstil. Toen wilde Daniël lachen, maar het lukte hem niet. Het enige wat ie voort kon brengen was een wat schor geluid.
Nogees: Ik ben eh... (lachje), ik ben bang dat ik u niet helemaal begrijp. Vannacht? Wiebach: Vannacht! Nogees: U bedoelt dat de moordenaar hierheen komt, nu nog, vlak voor haar vertrek?
Klein: Langzaam schudde de rector zijn hoofd. Zijn haar bewoog licht.
Wiebach: Hij komt niet meer. Hij is er al.
Klein: Het leek alsof een paar koude vingers heel zacht langs m’n ruggengraat streken, en alle boze geesten waren d’r weer. Daniël? De rector? Wie nog meer? Ik? Opeens was het niet meer gezellig in de kamer. De donkere wanden kwamen op me af en hun geheim met hen. Mijn mond was kurkdroog. Ik pakte mijn glas en nam een slok. Daniël bewoog zich. Z’n gezicht was koud en hard, alsof er een ijzige wind langs gestreken had.
Nogees: Ik weet niet wat u daarmee zeggen wilt, meneer Wiebach. Zou u dat eens nader willen verklaren? Wiebach: Dat zal ik doen, m’n beste vriend. Natuurlijk moet ik daarvoor wat teruggegaan in de tijd, maar ik hoop dat u dat niet zal vervelen. Het was 1907. Ik was 25 jaar. U zal dat jaar niets meer zeggen, maar voor mij was het een heel belangrijk jaar. Ik had net mijn studie beëindigd en als doctorandus mijn eerste tijdelijke aanstelling als leraar gekregen.
Klein: Hij staarde in de vlammen alsof hij zichzelf daarin zag, jong en vol verwachtingen.
Wiebach: Ik kwam op het Augusta Gymnasium. Ik zou de lagere klassen krijgen, maar de ziekte van één van de collega’s bracht met zich mee dat ik in de hoogste klassen terechtkwam. ‘t Was moeilijk, op mijn leeftijd, om met negentienjarige meisjes om te gaan en ‘t was nog moeilijker, omdat ik mijn eigen zuster in de klas had. Maar, zoals gezegd, het was een uitzondering en maar voor tijdelijk. In deze klas leerde ik drie vriendinnen van mijn zuster kennen. Ook u hebt ze leren kennen, dokter Klein, alleen tientallen jaren later. Ik was er nou eenmaal in verzeild geraakt en wilde mijn taak zo goed mogelijk volbrengen. Ik wilde rechtvaardig en onpartijdig zijn, vanwege mijn zuster, en ik wilde ze zoveel mogelijk bijbrengen, want de meisjes zaten voor hun eindexamen. Dus ontfermde ik mij, na de eerste remmingen overwonnen te hebben, in het bijzonder over deze klas. De vriendinnen van mijn zuster kwamen bovendien veel bij ons aan huis, zodat ik een nog beter contact met ze kreeg. Ik leerde nog een vierde kennen, die vroeger ook op dat gymnasium gezeten had en nog steeds met de anderen bevriend was. U weet wie ik bedoel... Klein: Dorothea Lindemann. Wiebach: Precies. Al gauw kende ik ze allemaal door en door, hun capaciteiten, hun zwakheden en hun karakter, voor zover je daar achter kan komen. Eén van de meisjes was klassenvertegenwoordigster, maar wat zij aan begaafdheid op de andere vóór had, miste ze aan warmte, aan goedheid, tact en hulpvaardigheid. Ze was hebberig, jaloers, egoïstisch. In de loop der tijd hoorde ik het oordeel van haar vroegere leraren en zag haar rapporten. Ze was altijd zo geweest, slecht van meet af aan.
Klein: Hij bewoog z’n hoofd met een ruk van Daniël naar mij en doorboorde ons met zijn ogen.
Wiebach: Ze is altijd zo gebleven, tot de dag van vandaag. Ik heb geen van de meisjes uit het oog verloren, want ze bleven contact met mijn zuster houden. Ze is niets veranderd.
Klein: Zijn gezicht was een van woede vertrokken masker, met starre koude ogen. Met iedere seconde voelde ik het bloed in mijn slapen sneller kloppen.
Wiebach: Toen zij dit geld gewonnen hadden en mij zuster me over de afspraak vertelde, verwachtte ik een ramp. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen. Deze moorden, mijne heren, zijn door één vrouw gepleegd, een vrouw wier enige wens was veel geld te bezitten, haar hele leven lang. Die alles had en toch nooit genoeg. Voor wie het geluk in het leven van anderen niets betekende en haar alleen maar met afgunst vervulde. Door een vrouw die haar plan, ondanks de vele hindernissen, met een ijskoude berekening en wrede sluwheid ten uitvoer bracht, tot ze haar doel bereikt had. Een vrouw zoals ik in m’n hele leven lang nooit meer ontmoet heb. Een vrouw als Agnes Lansome.
Klein: In de tijd waarin ik, zonder adem te halen, had zitten luisteren, zou ik het wereldrecord duiken hebben kunnen verbeteren. Pas toen het bloed in mijn slapen dreunde, haalde ik diep adem. Als van heel ver hoorde ik Daniëls stem.
Nogees: Hoe heeft ze ‘t gedaan? Wiebach: Hoe? Wat ik daarvan weet is onbelangrijk. Maar ik heb ook over het waarom nagedacht. Ze wilde het geld voor zich alleen, maar in ‘t begin zag ze niet hoe ze dat klaar moest spelen. Vier mensen waren te veel. Toen stierf mijn zuster, voor haar een teken uit de hel. Haar eigen zuster was al geruime tijd ziek, een kaars die bijna opgebrand was. U heeft drie dames in hun rust gestoord, commissaris. Bij mijn zuster was het longontsteking, anders niets. Wat was het bij Jenny Herwig? Klein: Digitalis. Wiebach: En bij mevrouw van Scherf? Nogees: We vermoeden wat het bij haar geweest kan zijn. Iemand heeft haar midden in de nacht opgebeld en met losse flodders in de hoorn geschoten. Ze stierf van schrik. Wiebach: Dat is precies haar stijl. Eenvoudig, zonder risico. Als het niet gewerkt had, zou ze wel weer wat anders gevonden hebben. Nogees: En een week voor jou, Willem, is ze bij Kromhout geweest. Zij kan het verhaal in die krant gelezen hebben, net zoals jij, alleen eerder.
Klein: Ik dacht aan Kromhouts steriele wachtkamer en aan het gevoel dat me bekropen had toen ik dat verhaal las. De moordenaar had daar ook gezeten, net zoals ik.
Wiebach: Nu ontbreekt Dorothea Lindemann nog. Met haar was het moeilijker. Ze was kerngezond. Agnes kon wachten, maar niet te lang. Ze wist dat bij Dorothea digitalis niet helpen zou, en ook geen schot in de telefoon. Dit moest anders aangepakt worden.
Klein: Hij wachtte. Geen van ons zei een woord.
Wiebach: Agnes ging op verjaarsbezoek bij Dorothea, tegen de middag, zoals ze ons verteld heeft. Zo nu en dan placht ze de waarheid te spreken. En sinds vier maanden weet ik bijna altijd wanneer ze van huis gaat. Herinnert u zich mijn telescoop, dokter? Vanuit mijn venster kan ik dit huis zien. Het moet zo gegaan zijn. Ze ging naar Dorothea. Ze kon het rustig riskeren gezien te worden. Dorothea liet haar binnen. Ze moest haast maken en nam snel een besluit. Ze verdoofde haar door een klap op haar slaap, daarna stootte ze de hoedenpen in haar borst. Alles kan binnen één of twee minuten gebeurd zijn. Ze ging weg, deed de deur dicht, misschien heeft ze zelfs nog een paar keer gebeld, hard en langdurig. Daarna ging ze naar beneden en vroeg de oude vrouw of er boven iemand thuis was. Ik zag haar weer thuiskomen met haar bos bloemen.
Klein: Ze lag boven ons hoofd en sliep, zes meter boven ons...
Wiebach: Om half drie kwam u, dokter, en vond de dode. Ongeveer om dezelfde tijd ging ik van huis. Ik was er tien minuten over drie. En toen kwam Agnes voor de tweede keer. Klein: Ik herinner het me. Ik herinnerde me Dorothea’s woorden toen ze bij me was vanwege die keelontsteking. Ze zei dat Agnes tegen vieren zou komen. Maar ze had niet precies gezegd wanneer. Nogees: Ja, een eenvoudige zaak. Geen mens kon er achter komen dat ze toch in het huis geweest was. Ze droeg handschoenen, kon dus geen vingerafdrukken achter laten. En ze heeft het geluk gehad dat niemand haar gezien heeft. Wiebach: Iemand heeft haar gezien, mijn beste vriend: de papegaai in de slaapkamer. Dokter, weet u nog wat hij geroepen heeft? Klein: Nou ja, het eh… het leek op eh... op Essie, Ja, in ieder geval iets met een ie. Wiebach: Ja, iets met een ie. Hij riep het nog een keer toen we de kamer verlieten. Agnes had een bijnaam. Weet u hoe de anderen haar noemden? Jessie. De meisjes noemden haar zelden bij haar voornaam, alleen Jessie. De papegaai had het vaak genoeg gehoord. Ze moesten d’r altijd om lachen als hij het riep.
Klein: Ik herinnerde me nu weer heel duidelijk wat de rector gedaan had, hoe hij zich gedragen had toen ik hem bezocht, hoe hij zich gedragen had bij de dode Dorothea, zijn meedogenloosheid jegens Agnes. Alles hield verband met elkaar.
Wiebach: Hij heeft alles gezien, hij was de enige ooggetuige. Klein: U verdacht ‘r al meteen? U ging naar dokter Leopold om u zich er nogmaals van te vergewissen of uw zuster ook niet om het leven gebracht zou zijn? Wiebach: Zoals u zegt. Ik wist meteen al dat u niet voor pianoles kwam, dokter Klein. Agnes had me allang verteld dat u bij Jenny de doodsoorzaak had vastgesteld. En op de begrafenis van Bertha kwam ik erachter dat juffrouw Mechthild uw assistente was, en dat zij u ook bij haar gestorven tante gehad had. En ten slotte vertelde mijn trouwe leerling Leopold me over uw bezoek. Nu was ik er zeker van dat u dat dezelfde verdenking koesterde en op de goeie weg was. Alma’s dood was niet gewelddadig, maar deed mijn wantrouwen tegen Agnes wel toenemen. Toen Jenny stierf, bestond er voor mij geen twijfel meer. Klein: Ik was toen niet eerlijk tegenover u, meneer Wiebach. Wiebach: Dat hindert niets, mijn vriend, dat hindert niets. De zaak was veel te vaag om eerlijk te kunnen zijn. Maar ik was blij een geheime bondgenoot te hebben die in dezelfde richting dacht als ik. Jammer genoeg heeft het die arme vrouwen niet geholpen. Nogees: Daaraan ben ik ook schuldig. Hij heeft me over z’n verdenkingen verteld, nadat mevrouw van Scherf gestorven was. Ik geloofde er niet in, maar ik zou ook nooit aan mevrouw Lansome gedacht hebben. Weet u wat een geslepen verdediger eruit zou kunnen halen, zo iemand als Kromhout bijvoorbeeld? Er bestaan nog meer erfgenamen: uzelf, uw neef, en nog anderen. Wiebach: Ik weet het, commissaris, ik weet het. Maar ik weet ook dat ik de moordenaar niet ben. Onze neef is het ook niet, dat zal zonder moeite te bewijzen zijn. Het kan alleen Agnes zijn. Ik vergis me niet. Morgen wil ze weg, commissaris. Wat is er logischer dan dat? Ze zou best hier kunnen blijven. Ze weet dat er buiten haar geen moordenaar bestaat, maar ze doet alsof ze vluchten wil, uit angst. Met 500.000 gulden. Ze kan nog een poosje leven met haar geweten, met haar geld, in Engeland, waar niemand iets van de geschiedenis afweet. Laat u haar gaan? Nogees: Nee!
Klein: Daniël dronk niet meer. Het vuur in de haard flakkerde nog licht. Daniëls gezicht lag in de schaduw toen hij opgestaan was.
Nogees: Ze moet hier blijven totdat alles is opgelost. En ze gaat mee, nu meteen. Klein: Zeg, bedoel je dat je... dat je haar in hechtenis neemt? Nogees: Ja, natuurlijk. Ik ben een verdomde idioot geweest. Alleen die digitalisgeschiedenis al, is al voldoende bewijs om haar tot een verdachte te maken. (schamper lachje) Wie kon haar dat spul beter toedienen dan zij? Zij die Jenny altijd met zusterlijke zorg omringd had. Vaak loop je met een blinddoek voor. Meneer Wiebach, bent u bereid uw verhaal te herhalen in haar bijzijn? Wiebach: In haar bijzijn en voor iedere rechtbank van de wereld.
Klein: Daniël knikte een paar maal langzaam en liep de kamer uit. Z’n stappen verdwenen op de trap. We hoorden boven geen geluid meer. De rector zat onbeweeglijk, zijn blik in de dansende vlammen. Digitalis, dat was het geweest. Met de juiste dosering het beste middel voor het hart dat er bestond: te veel ervan en het hart verstarde in een dodelijke kramp. Plotseling bevond ik me weer in de kamer bij de gestorven Jenny: valeriaan, en de medicijnlucht, de balkondeur, de bloembakken, de donkere bladplanten... en de roerloze gestalte tussen de hoge kussens, de rozenkrans tussen de vingers geklemd, het nachtkastje... De herinnering aan mijn droom van die nacht overviel me als een donderslag bij heldere hemel. Het flesje met de digitalis was leeg geweest, volkomen leeg. Juist leeg toen Jenny’s hart niet meer sloeg. Het zou een toeval kunnen zijn... Het was het niet: de zware ademhaling van Agnes toen ik zei dat Jenny dood was, haar plotselinge haast me kwijt te raken, haar kilheid achter het geveinsde verdriet... Nou, ik was net zo’n dwaas geweest als Daniël. De deur aan de rechterkant van de kamer ging geruisloos openen. Hij kwam binnen alsof ik ‘m geroepen had.
Nogees: Ze geeft geen antwoord. De deur zit op slot.
Klein: Hij liep dwars door de kamer naar de nis waar de telefoon stond. We zagen hoe hij de witte knop indrukte en hoorden hem overgaan. Niets. Niemand nam in de kamer boven ons op. Daniël legde de hoorn neer en draaide zich om.
Nogees: We maken de deur open. Misschien vinden we in de kelder iets. Klein: Ik heb een Engelse sleutel in mijn wagen liggen, dezelfde die ik ook bij Dorothea gebruikt heb. Nogees: Halen!
Klein: Terwijl ik opstond, keek ik de rector aan. Hij had zich niet bewogen. Maar nu lag weer dat faunlachje om z’n lippen, alsof hij in z’n eentje een stille triomf vierde… Ik liep vlug het tuinpad af. De buitenlucht deed me goed. Mijn auto stond onder de lantaarn zoals ik ‘m verlaten had. Ik vond de sleutel binnen enkele seconden en liep terug. In de salon was niets veranderd. Daniël stond nog precies zo en wachtte, en de rector had zich geen millimeter bewogen.
Nogees: Kom mee, naar boven.
Klein: Ik volgde hem de trap op als over de laatste meters van een lang, heel lang spoor. De deur was van massief eikenhout. Ik kreeg weer dat vreemde gevoel dat de kop opsteekt als je een situatie al ‘ns eerder beleefd hebt: Dorothea’s deur in het stille, zonnige huis. Toen het slot meegaf en de deur langzaam terugweek, bleven we staan. Daniël haalde zwaar adem en veegde met zijn hand over zijn voorhoofd. Voor ons lag de duisternis als een bodemloze vijver. Hij gaf me de sleutel in m’n hand. Daarna ging ie naar binnen. Zijn hand tastte langs de muur naar een lichtschakelaar. Het licht ging aan... Het bed stond precies voor ons. Het was breed maar sierlijk. Agnes Lansome lag plat op haar rug. Ze leek zo adembenemend veel op haar zuster dat ik meteen wist wat er aan de hand was voordat ik een stap had verzet. Ze was dood! We liepen op het bed toe, Daniël aan de rechter- en ik aan de linkerkant. Ik voelde haar pols. Niets. Daniël stond voor het nachtkastje. Ik zag hoe hij een stuk papier oppakte. Hij las het. Er was stomme verbazing op zijn gezicht te lezen. Toen gaf ie het aan mij. De woorden waren met potlood in een haastig schrift neergeschreven: “Walter heeft gelijk. Ik haat ‘m.” Mijn blik ontmoette die van Daniël. We moesten er op dit moment hetzelfde uitgezien hebben.
Nogees: Begrijp jij waarom?
Klein: Naast ons kuchte iemand. Daniël draaide zich bliksemsnel om. Hij had z’n pistool al in z’n hand voordat hij de deur kon zien. D’r was niemand in de kamer. Niemand, behalve de dode, Daniël en ik. Toen had ik het gevoel of ik bevroor.
Wiebach: En, mijne heren, twijfelt u nog aan mijn verhaal?
Klein: Het was een stem uit de hel. Hij was er niet en sprak toch. Ik voelde fijne vochtige pareltjes op m’n huid. Daniël hield het pistool op de deur gericht. Toen naderden er lichte voetstappen op de gang. In de deuropening verscheen... de rector, als iemand die ieder probleem kan oplossen. Hij zag ons en het wapen in Daniëls hand. Langzaam kwam ie naderbij. Aan het voeteneind van het bed bleef ie staan.
Wiebach: Nu ziet ze er weer uit als een hele tijd geleden.
Klein: Daniël stopte het pistool weer in zijn zak. De rector keek ‘m aan.
Wiebach: U verbaast zich, commissaris? Het raadsel is natuurlijk op te lossen. U heeft me van beneden horen spreken. Ook Agnes kon elk woord wat wij zeiden verstaan. Hier is de luidspreker.
Klein: Hij kwam naar mijn kant en stak z’n hand achter de bekleding van het hoofdeinde van het bed. Een ronde metalen doos aan twee draden kwam tevoorschijn.
Wiebach: De microfoon zit beneden, in de klok op de schoorsteen. Er zit er ook een in het kamertje van het dienstmeisje, en in de keuken. Agnes was wantrouwend.. Haar slechte geweten dwong haar daartoe. Ze wilde horen wat er in haar huis gezegd werd, ieder woord. Daarom heeft ze deze installatie laten aanleggen. Niemand wist ervan. Nogees: En... hoe wist u dan...?
Klein: De rector lachte. Al zijn duivelsheid lag in deze lach opgesloten.
Wiebach: (lacht) Een leerling, mijn vrienden, één van mijn trouwe leerlingen. Hij was uitstekend in de exacte vakken. (lachje) Hij heeft tegenwoordig een groot elektriciteitsbedrijf. Hij heeft deze installatie voor haar aangelegd. Voor een ouwe leraar heb je geen geheimen. Ik wist dat mijn verhaal moeilijk te bewijzen was, maar ik wist ook dat ze deze laatste nacht beslist zou luisteren naar wat u beneden besprak, om erachter te komen of er op de een of andere manier een verdenking jegens haar bestond. Daarom ben ik ook hier gekomen. Ik heb mijn verhaal verteld, luid en duidelijk. U mag me veroordelen. Haar dood is het bewijs dat ons ontbrak.
Klein: Hij zag het stukje papier dat ik nog steeds in mijn hand hield. Voorzichtig pakte hij het uit m’n vingers. Langzaam ontdooide de ijsklomp in mijn lichaam, heel langzaam... Daniël draaide zich om. Hij greep naar het nachtkastje. Tussen zijn vingers hield ie twee kleine flesjes. Ze waren allebei leeg. Digitalisdruppels. Eén van de flesjes was pas nieuw. Het rode papier dat om de dop gezeten had, lag op het nachtkastje. Het was het flesje wat ik meegebracht had voor op reis. Op het nachtkastje stond nog een leeg glas met een dunne bruinachtige vloeistof op de bodem. En daarnaast de foto, groot formaat, in een zilveren lijst. Vijf meisjes uit één klas, vijf graven op één kerkhof. Daniël zette de flesjes terug. Hij pakte langzaam de hoorn van de telefoon, die achteraan op het nachtkastje stond. Hij keek er zwijgend naar. Toen hield ie ‘m plotseling onder m’n neus.
Nogees: Kijk ‘ns.
Klein: Ik begreep ‘m eerst niet, maar toen zag ik het ook. Het toestel was oud, een erg groot model met een verchroomde draaischijf. Maar de hoorn glansde en er was geen krasje op te bekennen.
Nogees: Nieuw! Jouw verhaal klopt. Ze had een nieuwe hoorn nodig. De oude was verbrand toen ze erin schoot eh... en Bertha vermoordde.
Klein: Met een snelle beweging trok hij de la van het nachtkastje open. We zagen allemaal de kleine revolver in z’n handpalm. Een aardig glimmend stuk speelgoed. De cilinder klikte zacht toen hij d’r aan draaide. Na elkaar vielen de lege hulzen d’r uit. Op één na, die zat klem.
Wiebach: Daar kon alleen Agnes op komen. Nogees: Iemand anders is erop gekomen, maar zij vond het een goed idee. Ik sta bij u in het krijt, meneer Wiebach. U heeft mijn werk opgeknapt. Wiebach: Bedankt u mij niet. Ik weet nog niet of ik goed gehandeld heb, maar misschien is het het beste zo. Ze heeft rust. We zijn niet haar rechters. En nu mag ik zeker wel gaan, commissaris?
Klein: Daniël knikte zonder een woord te zeggen. We volgden de oude man tot de voordeur. Ik hielp ‘m in z’n jas.
Wiebach: Welterusten, heren, welterusten. Het wordt weer gauw licht.
Klein: Bij de deur draaide hij zich om. Hij nam z’n hoed voor ons af. Z’n witte haar lichtte op. Toen verdween ie in het donker, als een dolende spookkoning die door de nacht losgelaten was om z’n wraak te koelen, en nu weer door haar opgeslokt werd. Naast elkaar liepen we de trap weer op. In de haard gloeiden nog enkele houtblokken. Daniël deed het licht aan. Hij zag er moe uit.
Nogees: Petje af voor die ouwe rector. Nou, drink je d’r nog een mee? Klein: Zo meteen. ‘k Moet eerst even bellen. (draait een nummer) Nogees: Wie? Mechthild. Klein: Mm. Nogees: O, ga je haar vertellen hoe haar tante gestorven is? Klein: Nee. (lacht) Nogees: Wat dan? Klein: Mm… (telefoon gaat over) Groot: Hallo? Klein: Ja, ik ben het. Alles is in orde, de zaak is opgelost. Groot: Opgelost? Hebben jullie dan de... Klein: D’r bestaat geen moordenaar meer. Nou, morgen vertel ik je wel alles. Groot: Morgen is het zondag. Klein: Maandag. Het is al na twaalven, dame, en eh… wat ik je nog zeggen wilde: het ziet er toch naar uit dat je erft. Je hoeft dus niet meer te werken. Ik eh… ik zal naar een andere assistente moeten uitkijken. Groot: M-m-m-maar ik... Klein: Als je wilt, kan je ook bij me blijven. Zonder salaris, natuurlijk. Je hebt nu genoeg geld. Groot: Vrek. Ik blijf, ook zonder salaris. Morgen is toch pas zondag? Klopt dat? Klein: Ja. Tot morgen. Nogees: Nou, heb ik niet gezegd dat je zou trouwen als de laatste oude dame dood was? Klein: Inderdaad, meneer de getuige. Kom morgenavond, dan is zij d’r ook. En eh... nu mag ik zeker wel naar bed gaan, hè? Nogees: Dat mag je. De rest werk ik zelf wel af. Klein: (lachje) En ik hield nog wel zo’n mooie verhandeling over digitalis. Nogees: Ah, haal je toch niks in je hoofd. Die ouwe heeft gelijk: het is het beste zo. Voor haar en voor ons. Klein: De horoscoop: “Uw ingrijpen lost veel problemen op. Alles lukt.” Nogees: (lachje) Klein: “Alleen niet in hartsaangelegenheden.” Nogees: (lachje) Klein: “En trouwplannen moet u uitstellen.” Nogees: Je sterren weten d’r niets van af! Klein: Zeg, heb je d’r iets op tegen, Daniël, als ik die foto meeneem? Nogees: Hè? Klein: Die eh... die op het nachtkastje stond. Ter herinnering aan… eh... nou ja... alles? Nogees: Nee, natuurlijk, neem maar mee.
Klein: Ik ging nog één keer nam boven en nam behoedzaam de foto uit de lijst. Achter vier namen op de achterkant stond een kruis. Ze had niets vergeten. Daarna keek ik haar nog één keer aan. Zo was ze me tegemoet gekomen toen in Jenny’s huis: het haar wit en glanzend en netjes opgestoken, een huid als fluweel en nauwelijks een rimpeltje te bekennen, een mild, lief gezicht vol gratie, een gezicht in wier tegenwoordigheid je je schamen moest een slechte gedachte te hebben. En met een voorhoofd waarachter ook nooit een slechte gedachte geboren was. Een vrouw die je alleen maar hoefde te zien om te willen dat ze je grootmoeder was. Een vrouw die in onze tijd niet meer bestond. Werkelijk de liefste ouwe dame die ik ooit gezien had. ٭٭٭ script gemaakt door Marc Van Cauwenberghe, aangevuld en bijgewerkt door Herman Van Cauwenberghe en Ton Witman (07/2007) Dit script is het werk van een hoorspelliefhebber die geen enkel financieel gewin op het oog heeft. Deze tekst mag alleen gebruikt worden om te lezen bij beluistering van het hoorspel. Wie vindt dat hiermee iemands rechten worden geschonden, neemt contact op met Herman Van Cauwenberghe, die er meteen zal mee ophouden het script aan eventuele belangstellenden door te geven.
[1] geboren in 1944; overleden op 24/10/1980 [2] geboren te Tilburg op 22/03/1945 (Code TIN: 1223) [3] geboren te Antwerpen op 17/09/1912; overleden te Leeuwarden op 11/10/2002 (Code TIN: 10320) [4] geboren te Batavia (Indonesië) op 27/12/1909; overleden op 31/10/1991 [5] geboren te Zwolle op 24/11/1939 (Code TIN: 166) [6] geboren te Scheveningen op 05/11/1942 (Code TIN: 7438)
|